Meningen


Meningen

Want zwijgen is geen optie


Kies voor een warm Edegem en word lid van Facebook groep

Edegem met een hart





Politiegeweld op Dageraadplaats


'Compleet buiten proportie'


Han Renard -  Knack


De ouders van de zwarte zestienjarige jongen die maandagnacht tijdens een coronacontrole op de Dageraadplaats in Antwerpen door een klap van een politieagent het bewustzijn verloor, en nadien de nacht in de cel doorbracht, gaan een klacht indienen.



Maandagavond waren er op de Dageraadplaats schermutselingen tussen politie en jongeren.

Eén 16-jarige zwarte jongen verloor na een dreun van de politie het bewustzijn en werd per ambulance naar het ziekenhuis gebracht voor een medische controle. Samen met zijn vriend werd hij bestuurlijk aangehouden en brachten ze de nacht in de cel door.


De verbijsterde moeder van de jongen die de klap incasseerde, vertelt dat haar geadopteerde zoon maandag na het einde van de examens met vrienden op pad ging. 'Op de Dageraadplaats zat hij met een vriend op een terrasstoel te praten, toen de politie rond 23 uur verscheen na klachten van buurtbewoners. Er waren heel wat groepjes jongeren aanwezig, maar mijn zoon werd eruitgehaald. Hij moest die stoelen terugzetten, wat hij ook heeft gedaan, maar nadien is een hevige discussie ontstaan, waarbij die politieagenten, dat heb ik van verschillende getuigen gehoord, mijn zoon agressief tegen de borst zijn beginnen te duwen. Mijn zoon is boos geworden, maar besloot uiteindelijk om gewoon met de fiets naar huis te vertrekken.


Maar op dat moment zag hij een van zijn beste vrienden op de grond liggen. Hij is erheen gelopen, en toen heeft een agent hem een keiharde klap in het gezicht gegeven. Hier en daar is gesuggereerd dat mijn zoon die politieagent met een stoel wilde aanvallen, maar dat klopt niet. Op filmpjes die van de incidenten zijn gemaakt, zie je heel goed dat mijn zoon zonder stoel komt aanlopen om te kijken wat er met zijn vriend, waar drie of vier agenten bovenop zitten, aan de hand is.


Het gaat hier om jongens van 16 jaar oud, 1,70 meter groot en 60 kilo zwaar - dat is dus compleet buiten proportie. En onze zonen zijn misschien niet de hele tijd vriendelijk gebleven, maar het zijn lieve kerels met een sterk rechtvaardigheidsgevoel en allerminst gewelddadig.'


Arbeidsongeschikt

De dag na de arrestatie zijn haar zoon en zijn vriend naar de huisdokter gegaan. Het medisch getuigschrift maakt melding van verwondingen aan het strottenhoofd, de knieën en ellenbogen, en vermoedelijk hebben ze ook gescheurde ligamenten. Beide jongens kunnen maar op één been staan. De dokter verklaarde hen zeven dagen arbeidsongeschikt en schreef dat ze ontredderd en angstig zijn.


'Toen we ze om 5 uur 's ochtends uit de cel hebben gehaald, waren ze doorweekt, bibberend van de kou, en totaal over hun toeren. Ze zijn nu vooral ontzettend boos, dat is de adrenaline die nog doorwerkt, maar ik ga er zo snel mogelijk een psycholoog bijhalen, want het is traumatisch wat ze hebben meegemaakt. Vergeet ook niet: mijn zoon ervaart elke dag racisme, hij is daar heel gevoelig voor.'


Maar was er ook sprake van racisme of racistisch taalgebruik bij de politie-interventie?


'Mijn zoon werd duidelijk geviseerd', zegt de moeder. 'En na de aanhouding waren er ook opmerkingen in de trant van: een soort zoals jij zal nog wel vaker in de bak terechtkomen.'


De ouders van beide tieners hebben een advocaat in de arm genomen en gaan een klacht indienen tegen de politie, die ze beschuldigen van racisme, machtsmisbruik en slagen en verwondingen. 'Als wij het niet doen, doet niemand het', zegt de moeder, die zelf juriste is. 'Ik wil een voorbeeld stellen, voor mijn kinderen, maar ook voor al die andere jonge gasten die door de politie racistisch worden bejegend, maar die geen mondige vader of moeder, de middelen of het netwerk hebben.'


Breder probleem

De politie houdt er een geheel andere versie van de feiten op na. 'Dat is niet ongebruikelijk', zegt politiewoordvoerder Willem Migom droog. Hij haalt het proces-verbaal van maandagavond erbij om het relaas van de politie zo nodig min of meer woordelijk weer te geven.


Dat proces-verbaal gewaagt van 'groepen jongeren op de Dageraadplaats, die de coronamaatregelen niet naleven en overlast voor de buurt veroorzaken.' Vervolgens, zegt de politiewoordvoerder, 'is de politie de jongeren beginnen te controleren. Aanvankelijk was dat vooral sensibiliseren, en zeggen dat het tijd was om naar huis te gaan. Daarna is men groepjes gaan aanspreken op hun gedrag en het niet-naleven van de coronamaatregelen, zoals het dragen van een mondmasker op drukke plaatsen.

Een van die gasten reageerde bijzonder geagiteerd, met verwijten van racisme en dergelijke. Toen hem werd gevraagd het plein te verlaten, weigerde hij. Er ontstond discussie en op een bepaald moment is besloten de jongen bestuurlijk aan te houden wegens het verstoren van de openbare orde. Een tweede jongen werd eveneens in de boeien geslagen, waarop de eerste zich zeer agressief en luid roepend richting de politie begaf en een politieagent die jongen inderdaad een klap heeft verkocht, waardoor die kort het bewustzijn zou hebben verloren. Daarom hebben we een ambulance laten komen. Na een medische check-up in het ziekenhuis is de jongen naar ons cellencomplex gebracht, om er zijn bestuurlijke aanhouding uit te zitten. Daar komt het in het kort op neer.'


Wijst het feit dat de Antwerpse politie zelf meteen na de feiten een intern onderzoek is gestart er niet op dat er mogelijk iets niet pluis was met de interventie van maandagavond?


'Wij hebben daartoe bevolen vanwege beschuldigingen van racistisch taalgebruik', aldus Migom. 'Als die informatie zou kloppen, keuren wij dat uiteraard ten zeerste af en zal dat ook gevolgen hebben. In het proces-verbaal is niets van die beschuldigingen terug te vinden, maar de ouders van die jongeren hebben uiteraard het recht om die beschuldigingen te uiten. Los daarvan verwachten wij ook een klacht van de ouders. Ook die zal uiteraard worden onderzocht.'


Maar staan de zenuwen bij de politie toch niet strakker gespannen dan anders, vanwege het lastige en vermoeiende handhaven van de coronamaatregelen?


'Op die vraag valt geen algemeen antwoord te geven', vervolgt de Antwerpse politiewoordvoerder. 'Bovendien zijn u noch ik goed geplaatst om een oordeel te vellen over de vraag of het politieoptreden van maandag gepast was of niet.'


Wel wijst hij erop dat de Dageraadplaats de laatste tijd geregeld het toneel is van overlast veroorzaakt door jongeren, en dat de buurt steen en been klaagt. 'Gisterenavond is er opnieuw een tussenkomst van de politie geweest, omdat wederom door buurtbewoners overlast, vergelijkbaar met die van maandagavond, werd gemeld. Op camerabeelden is ook te zien hoe onder meer een fiets en een speeltuig werden vernield. Er is opnieuw één bestuurlijke aanhouding geweest en twee verdachten van vandalisme zijn door de politie thuis afgezet en zullen later worden verhoord', besluit de politiewoordvoerder.


'Dit maar om te zeggen dat de controles van maandagavond deel uitmaken van een breder probleem in de omgeving met overlast en het niet-naleven van de coronamaatregelen.'


Top





Een brief aan de toekomst


'Wanneer u dit leest, zal ik er niet meer zijn'


Stijn TormansKnack


In de nok van de Sint-Jacobskerk in Antwerpen werd een paar maanden geleden een oud briefje gevonden, geschreven door vier werkmannen in 1941. Ze hadden een boodschap voor de toekomst. Onze reporter geeft de fakkel door en schrijft een nieuwe brief voor ons nageslacht.



Beste nakomeling,

 

Ze zeggen weleens dat je nooit iets mag schrijven als het stormt. Dan zie je toch alleen maar de brokstukken vliegen. Pas later, als alles voorbij is, ontdek je het verhaal. Misschien las u in een geschiedenisboek dat van 2020 en 2021. De jaren dat een virus over de wereld heerste en de hele mensheid de kluts kwijt leek (en hem niet meteen terugvond).


Ik zit er middenin. Overal zie ik scherven en depressies, alsof ik in een windhoos leef. Toch schrijf ik u, mét een reden.


Op een van de eerste donderdagen van 2021 sta ik op dezelfde plek als u, hoog in deze kerk in Antwerpen. In mijn hand hou ik een witte envelop vast. Mijn hart bonst, omdat ik hoogtevrees heb, maar niet alleen daarom. Ondanks mijn vriendelijk verzoek heeft de burgemeester van mijn stad, Bart De Wever, geen toestemming gegeven om deze brief hier te verstoppen. Alsof ik van plan ben om de grootste misdaad van de wereld te plegen.


Toch kijk ik ook met veel bewondering naar beneden, naar de schoonheid van deze plaats. Ook al ben ik van God los, ik deel een verleden met de Sint-Jacobskerk. Ooit studeerde en woonde ik in de buurt van deze kerk. Vanuit mijn raam zag ik hoe mensen in de straten rond Sint-Jacobs het leven vierden tijdens eindeloze zomernachten. Op de zotte morgens die volgden, waren ze weer verdwenen. De zomer erna liepen er anderen, maar die kerk bleef altijd hetzelfde. Zijn toren zat een beetje verstopt tussen de daken van de huizen. Hij was niet zo groot, dominant of populair als die van de kathedraal, maar toch vond ik hem mooier. Misschien omdat er zo veel geschiedenis in zit.


Ik wilde de fakkel doorgeven in de tijd.

Het relaas doen van een ontmoeting die ik had op een van de laatste dagen van 2020.


Het is de toren van Peter Paul Rubens - zijn botten en die van zijn geliefden liggen eronder begraven. De toren van de pelgrims ook die hier, op weg naar Santiago de Compostela, halt houden. En de toren van de rebellen. Zoals pastoor Jan Baptist Mortelmans, die op deze plek de eed van haat uitsprak tegenover de monarchie, opdat de Franse revolutionairen de kerk zouden sparen. Zijn hoofd ging er later af, maar zijn kerk bleef overeind.


Ook in 2020 gebeurde er iets merkwaardigs onder deze toren. Tijdens een restauratie vond iemand in de gewelven van de zolder een luciferdoosje. Er zat een brief in uit 1941. Die was geschreven op twee blanco activiteitenbonnen van de Dienst der Stadsgebouwen en ondertekend door vier werkmannen van de stad Antwerpen. Ze hadden een boodschap voor hun nakomelingen.


In 't jaar 1941 werd de zoldering der kerk gelijmd met een rollende stelling van 26 meters hoog, van den dienst der stadsgebouwen. Als die zoldering nog eens zal geschildert worden, zullen wij niet meer tot deze aarde behooren. wij moeten ons nakomelingen zeggen dat wij het niet plezierig in ons leven gehad hebben. Twee oorlogen hebben wij medegemaakt, een in 1914 en een in 1940, dat kan nog al tellen he! Wij staan hier te werken zwart van den honger, tot den laatsten cent persen zij ons af om een weinig eten. Ik geef onze nakomelingen den goede raad als het nog eens oorlog word in de levensloop zorgt goed, voor een voorraad in huis, zoo als rijst, koffie, bloem, tabak, tarwe, graan voor u in 't leven te houden! Geniet vol op van 't leven, neemt bijtijds een ander vrouwtje, voor degene die getrouwd zijn pas op voor 't huis! Salut mannen!!! Gedaan den 21 juli van 't jaar 1941 door de schilders dienst der stadsgebouwen


John Janssen, Jules Gyselinck, Louis Chantraine en Jul Van Hemeldonck.


Ik probeer me die 21e juli 1941 voor te stellen. Toen Jules, Jul, Louis en John dit schreven, stond de stad in brand. Buiten marcheerden nazi's door de straten en mocht de nationale feestdag niet gevierd worden. Binnen schilderden zij het plafond van een kerk.


Eerst vond ik dat raar, alsof ze de sirenes van hun tijd niet hoorden. Maar misschien was dat briefje wel hun daad van verzet in een krankzinnige tijd.


Werner Pottier van het stadsarchief vertelde me dat het ook kwam door Rubens. In 1940 was de schilder driehonderd jaar dood. Dat zou groots herdacht worden in deze kerk. De muren en de zuilen waren al geschilderd, alleen de gewelven moesten nog een beurt krijgen. Uiteindelijk werd het Rubensfeest afgelast omdat de wereld in 1940 andere zorgen had - wat klinkt dat herkenbaar.


Een jaar later drong de pastoor van Sint-Jacobs er bij het stadsbestuur op aan om de renovaties toch te laten plaatsvinden. Hij kreeg zijn zin. De dienst der stadsgebouwen stuurde vier werkmannen naar Sint-Jacobs.


Jules, Louis, Jul en John waren toen late dertigers en jonge veertigers, die al een leven achter de rug hadden. Jul had vier jaar gevochten aan het front van de Eerste Wereldoorlog, en Louis liet in het interbellum een modernistisch huis bouwen door een totaal onbekende architect in de Frans Stienletlaan in Wilrijk.



Onze reporter in de grafkapel van Peter Paul Rubens.

'Pas op het huis, was uw handen, vertoef zo veel mogelijk in de openlucht.' © Saskia Vanderstichele


Pottier wist me te vertellen dat de mannen elkaar ontmoet hebben toen ze bij de stad gingen werken. Hij heeft zelfs hun spellingtest teruggevonden, die verrassend actueel is: 'De sleutel van de gezondheid is de zindelijkheid. Wees dus rein op uw lichaam. Neemt minstens eenmaal per week een stortbad. Wascht uwe hande zoveel mogelijk en spuwt nooit op de grond. Slaapt des nachts met uw venster open en vertoeft zoveel mogelijk in open lucht.'


Alle vier overleefden ze de oorlog en bleven ze tot hun pensioen bij de stad werken. Op welke dag ze gestorven zijn, wist Pottier niet. En niemand lijkt het te weten, alsof niemand hen mist. Het enige wat van de vier overblijft, is het modernistische erfgoedhuis dat Renaat Braem bouwde in de Frans Stienletlaan, hun spellingtest en dat briefje dat ze zelf in de zoldering verstopten.


Daarom, beste nazaat, schrijf ik u en ga ik deze brief verstoppen. Zoals Jul, Louis, Jules en John dat deden: clandestien, als een stille daad van verzet. Maar ook om zo de fakkel door te geven in de tijd. Net als zij wil ik getuigen over onze jaren. Het relaas doen van een ontmoeting die ik had op een van de laatste dagen van 2020.


Het is vrijdagavond en het hoost. Voor de kerk van Sint-Jacob staat een grote stelling, net zoals in 1941. Ik klop op de houten poort.


Pastoor Bruno Aerts doet open. Hij draagt een zwart mondmasker. 'Kom binnen', zegt hij. 'De werkmannen zijn net vertrokken.'


We wandelen door zijn verduisterde kerk. Alleen het schijnsel van de kerstboom geeft licht. 'Die brief van die vier mannen maalt al weken door mijn hoofd', zegt hij. Om een persoonlijke reden: zijn hele jeugd had hij de verhalen gehoord van zijn vader, die een oorlogswees was - een verdwaalde V1 had de rest van zijn gezin gedood. In de brief van die vier voelde hij dezelfde pijn en woede die ook zijn vader gevoeld had. Dezelfde frustratie omdat ze in de verkeerde tijd waren geboren.


Maar het briefje raakt hem ook omdat hun boodschap tachtig jaar later helemaal niet zo verkruimeld is als het papier waarop ze het ooit schreven.


Natuurlijk is het vandaag geen oorlog: er vallen geen bommen uit de lucht en er marcheren geen nazi's door de straten. Maar soms lijkt het wel alsof dat virus aan psychologische oorlogsvoering doet. Overal komt hij mensen tegen die zeggen: 'Meneer pastoor, wat ik ook zeg tegen mijn vrouw, ze antwoordt amper. Zelfs als de kleinkinderen aan het raam staan, lichten haar ogen niet meer op.'


Ik zeg tegen pastoor Bruno dat wij, in tegenstelling tot die vier, geen honger hebben. En al bij al toch een redelijk plezierig leven leiden.


'Jij en ik misschien', antwoordt hij. 'En vele anderen ook. Maar niet iedereen.'


De boodschap van die vier doet hem wat denken aan het lot van de vluchtelingen in deze stad, die ook de vuile jobs krijgen. Jul, Louis, Jules en John hebben vandaag exotischere namen, maar niet allemaal.


Sommigen hebben ook jonge, Belgische namen. Ze lopen voortdurend voorbij de ingang van de kerk, want hun aula is aan de overkant van de straat. Pastoor Bruno luistert graag naar de soundtrack van hun jeugd: ze maken altijd veel lawaai en lachen luid, al zegt dat niet alles. Te midden van al die vrolijkheid plegen ook elk jaar een vijftal studenten zelfmoord omdat ze de wereld en haar zotte gedoe niet meer kunnen volgen.


'De laatste maanden heb ik niet veel studenten gezien', zegt pastoor Bruno. 'De meesten studeren thuis.' Af en toe kruiste hij wel een Oost-Europese of een Afrikaanse student. Ze overleven hier omdat ze een studiebeurs hebben om hun verblijf te bekostigen. Om hun eten te betalen, gaan ze soms poetsen of fietsen ze de stad rond met afhaalmaaltijden. Toen het virus opdook, kregen ze vaak de bons en was er niets meer. Zelfs geen sociaal vangnet, zo gaat dat in onze tijd.


Ze trekken dan naar de Voedselbank, vertelt pastoor Bruno. Al was daar tijdens de eerste weken van de lockdown niet veel te vinden. In normale tijden kopen vrijwilligers supermarkteten dat zijn houdbaarheidsdatum nadert. Maar omdat de natie massaal ging hamsteren, zoals die vier hadden aangeraden, lagen er geen overschotten meer in de rekken van de Delhaize of de Colruyt.


De rijen van de Voedselbank werden die eerste weken van de lockdown almaar langer, maar er was steeds minder eten om uit te delen. Behalve water, pasta en bloem.


Alleen al daarom was het zo'n raar jaar, zegt pastoor Bruno. Ook voor hem. Hij die altijd zo graag hoop wil bieden, weet het even niet meer. Alles wat ooit normaal leek, is plots anders. Voor het eerst sinds mensenheugenis stoppen er geen pelgrims meer aan deze kerk, omdat de wegen naar Santiago de Compostela afgesloten zijn.


Hij mist ook zijn parochianen, het volk van Sint-Jacobs. Zij die anders op zondag van heinde en verre naar de kerk van Rubens trekken. Voor de eerste keer in meer dan tweehonderd jaar konden er geen erediensten doorgaan - de laatste keer dat dat gebeurde, was toen Napoleon nog kwiek was.


'Ik trok dan maar zelf naar een paar gelovigen', zegt pastoor Bruno. 'Omdat ik me zorgen maakte over hen.' Sommigen deden hun deur wagenwijd open. Anderen hielden ze op een kier, alsof ze zich schaamden voor de armoede achter hen. 'Al gauw snapte ik dat die huisbezoeken geen goed idee waren.'


Hij mailde naar het volk van Sint-Jacobs dat hij deze toestand nog nooit meegemaakt had en ook niet wist hoe hij ermee moest omgaan. 'We verwijten u niets, meneer pastoor', antwoordden ze. 'Niemand van ons heeft dit meegemaakt. Ook wij doen elke dag ontdekkingen in de nieuwe wereld.'


Zoals vele geestelijken probeerde ook pastoor Bruno een digitale misviering te organiseren. In een lege Sint-Jacobskerk zei hij voor een camera: 'Beste gelovigen, ik sta hier nu in de kerk die u allemaal herkent...'


Hij dacht aan een verhaal van zijn voorganger uit de Tweede Wereldoorlog - zelfs toen waren de kerkdeuren altijd open gebleven. 'Volgend jaar vieren we opnieuw kerst', had die gezegd tijdens de kerstviering. 'En dan zonder de nazi's erbij.'


Die laatste zin had hij er natuurlijk niet aan toegevoegd, want de bezetter zat in de kerk. Maar iedereen had wel de hoop gehoord dat alles anders zou worden. Die hoop sprak pastoor Bruno dit jaar opnieuw uit: 'Volgend jaar vieren we opnieuw kerst en dan zal het virus verdwenen zijn.'


Niet alleen geestelijken zoals pastoor Bruno spraken die woorden uit, ook ketters. Sommigen voorspellen nu al dat er nieuwe roaring twenties aankomen. Daarna zullen we eeuwig feesten en vrijen.


Zelfs de koning belooft na deze crisis eindeloos geluk. Maar de waarheid is dat hij het niet weet, zoals niemand het weet. Net zoals ze in 1941 niet wisten hoelang de nazi's nog in de stad zouden blijven en of ze ooit zouden vertrekken, zo weten wij ook niet hoelang het virus onder ons zal zijn. En of er nog een ander op ons afkomt. Niet uit Wuhan dit keer, maar misschien uit Johannesburg, Buenos Aires of een van de ringen van Saturnus.


De klok van Sint-Jacobs luidt zevenmaal. We wandelen verder door de kerk. Aan de grafkelder van Rubens kijken we naar een waanzinnig mooi kunstwerk: Madonna omringd door heiligen. Een paar weken voor zijn dood koos Rubens het schilderij zelf uit om daar te hangen.


Ernaast staat het zelfportret van de schilder, een selfie uit de zeventiende eeuw. Vooral de blauwe ogen van de oude meester vallen op: ze hebben veel pandemieën gezien. Een leven lang wankelde Rubens tussen de pest en andere infectieziektes. In zijn tijd durfden mensen zelfs de naam van de ziekte niet uit te spreken: 'de haestighe sieckte' noemden ze het dan maar. Zijn eerste vrouw, Isabelle, stierf eraan, net als zijn dochter Clara. En zelf maakte hij ooit het kunstwerk De pestleiders. Ook op Madonna omringd door heiligen staat een draak die gedood wordt door Sint-Joris. Alsof de oude meester duidelijk wilde maken dat ook zijn jaren niet altijd even plezierig waren.



'Toon uw rebellenhart en leg uw brief toch neer op deze plek.' © Saskia Vanderstichele


Terwijl ik naar die draak staar, vind ik het jammer dat ik niet zo briljant kan schilderen. Dan had ik de paniek in de ogen van onze beleidsmakers kunnen tekenen. Of de vele houten kruisjes op onze begraafplaatsen. Twintigduizend mensen vermoordde dat virus nu al in dit land, en bijna twee miljoen op de rest van de planeet.


Enkelen onder hen begroef pastoor Bruno. Oude mensen aan wie hij de laatste sacramenten beloofd had en door het virus niet kon geven, maar ook jonge mensen. Sommigen stierven niet door het virus, maar door een brand of een verkeersongeval. Ook tegen hun ouders moest hij zeggen: 'U mag maar vijftien mensen op de begrafenis uitnodigen.'


Dat was elke keer hartverscheurend, zegt hij. Soms konden zelfs niet alle broers of zussen erbij zijn.


Maar soms was het ook hartverwarmend. Zoals die ene begrafenis toen er tweehonderd mensen in een kring rond de kerk stonden. 'Jullie mogen hen vragen om weg te gaan,' zei pastoor Bruno tegen de politie, 'maar ik doe het niet.' Tijdens de viering waren ze, tot zijn grote vreugde, in een kring blijven staan. 'Dat moment heb ik weer gezien hoe weerbaar mensen kunnen zijn.'


We kijken naar de grafsteen van Rubens op de grond. Hij vraagt of ik weet dat de schilder twee keer begraven is. De eerste keer, in 1640, werd zijn lijkkist neergezet in de zuiderkooromgang. En vijf jaar later op deze plek, in de grafkelder die zijn schoonvader had gebouwd.


Driehonderdzesenzeventig jaar later zullen er wellicht weer mensen herbegraven worden: vrouwen en mannen die nu op een kerkhof liggen in de buurt van hun tweede verblijf, honderden kilometers van hun familie.


'In het begin van de lockdown stelde ik alle nabestaanden voor om een herdenkingsmis te organiseren', zegt hij. Later, voor een volle kerk. "Meneer pastoor," antwoordden ze, "later is het te laat." En ze hebben gelijk: voor alles in het leven is er een tijd, ook voor rouwen en afscheid nemen. Het is niet goed om oude wonden weer open te rijten.'


Soms zijn die intieme begrafenissen ook ongelofelijk mooi, gaat hij verder. Vooral omdat tijdens zo'n viering de tongen loskomen over de overledene. Onder ons wordt er veel meer gezegd en liefde bekend dan voor een volle kerk.


De klok heeft al acht keer geluid wanneer pastoor Bruno en ik naar buiten gaan. Daar hoost het nog altijd. We kijken naar de wegwijzer richting Santiago de Compostela, die aan de muur van de kerk hangt: aan het einde van de Lange Nieuwstraat naar rechts, en dan nog 2125 kilometer stappen tot aan het graf van Sint-Jacob.


'Er zijn al mensen die hun rugzak hebben klaargezet', zegt pastoor Bruno. Om direct te kunnen vertrekken, als de pelgrimsroutes straks weer opengaan. Allemaal hebben ze hun reden om straks 2125 kilometer te wandelen: sommigen willen God danken omdat zij niet besmet zijn geraakt. Anderen omdat ze niet zwanger geworden zijn. Of net wel een gezond kind gebaard hebben in deze tijden.


Ik vraag aan pastoor Bruno waar hij dit jaar troost uit haalde. Hij wijst naar de toren van deze kerk, die alles overleefde: de dood van de grootste schilder van de Lage Landen, godsdienstoorlogen, beeldenstormen, dictators, pandemieën... Ook dit jaar weer dekte die oude toren alle zotte morgens toe.


We nemen afscheid, zonder elkaar een hand te geven. Ik slenter naar huis door de Lange Nieuwstraat. Draai me om en kijk nog een keer naar Sint-Jacobs in de regen.


Beste nakomeling, wanneer u deze woorden leest, zal ik er al lang niet meer zijn. Zoek niet naar mijn stof en as - die zullen op een roemloze ochtend van een anonieme begraafplaats geveegd zijn.


Pas op het huis en vergeet niet wat er in de spellingtest van Jules, Jul, Louis en John stond: was uw handen, vertoef zo veel mogelijk in de openlucht. En geef de fakkel door: schrijf opnieuw een brief over uw tijd aan de toekomst. Als uw burgemeester het verbiedt, toon dan uw rebellenhart en leg uw brief toch neer op deze plek, waar al zo veel stil verzet gepleegd is.


Salut mannen!


Stijn Tormans


Top





Vlaamse geschiedenis


Was de collaboratie een mislukt emancipatorisch project?


Walter PauliKnack


Het Vlaams Parlement wordt 50 jaar en geeft daarom een jubileumtijdschrift uit.

Achteraan in dat boekje wordt plaatsgemaakt voor veertien 'grote historische koppen'.

Daartussen prijken Staf De Clercq en August Borms, twee van de notoirste collaborateurs die Vlaanderen heeft gekend.

Waarom?



Staf De Clercq.

Ook al was hij collaborateur nummer één, hij zou nooit een audiëntie krijgen bij de echte Duitse kopstukken.


Op dinsdag 7 december 1971 vond in de Kamer van Volksvertegenwoordigers de allereerste vergadering plaats van de Cultuurraad van de Nederlandse Cultuurgemeenschap, de eerste rechtstreekse voorloper van het Vlaams Parlement. Dat is straks vijftig jaar geleden, en dus bestelde het Vlaams Parlement bij het tijdschrift Newsweek een verjaardagsnummer. Zoals dat gaat bij zulke gelegenheden, biedt dat 'huldeboek' een mengeling van applaus voor het eigen huis - een interview met parlementsvoorzitter Liesbeth Homans (N-VA), de voorstelling van een rijtje al dan niet jonge parlementsleden - en foto's, veel foto's.


Gelukkig brengen enkele achtergrondstukken, met op kop een uitvoerig en bijwijlen scherp essay van historicus Bruno De Wever, de nodige historische duiding bij de Vlaamse emancipatie. Dat er in de vroege jaren zeventig een parlement kwam, was al bij al een wonder: amper een kwarteeuw eerder had de Vlaamse gedachte zowat elke legitimiteit verloren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was duidelijk geworden dat de massale Vlaamse collaboratie met nazi-Duitsland andermaal een foute, antidemocratische keuze was. Andermaal, want tijdens de Eerste Wereldoorlog had zich dat fenomeen ook voorgedaan, met het activisme, alleen op kleinere schaal en in een tijd dat het nazisme nog niet bestond.


De geschiedenis is Staf De Clercq welgevallig geweest:

in eigen land is hij nooit gerangschikt onder de grote schurken van zijn tijd.


Bij dat essay prijken ook illustraties uit die tijd. De bekende affiche 'Met Staf De Clercq Vooruit!' - recht de afgrond in, zo zou blijken -, bijvoorbeeld. Of 'Proclamatie van de Leider' (diezelfde Staf De Clercq) uit 1941 in het blad De Nationaal-Socialist. Daarin worden 'alle weerbare mannen van 17 tot 40 jaar' opgeroepen om mee te vechten tegen 'de samenwerking van de oude wereld van het Jodendom, van ploutokratie en Bolsjewisme' in een 'Vlaamsch Vrijwilligers Legioen', dat zou aantreden 'naast onze kameraden in de Wapen-SS'. Zo begon het noodlottige hoofdstuk van de oostfronters.


Soms zit het venijn in de staart. De Standaard wees er al op dat het jubileumtijdschrift aandacht schenkt aan Staf De Clercq en August Borms. Dat waren twee kopstukken van die vermaledijde collaboratie, De Clercq in politiek en Borms in symbolisch opzicht. Hun portretjes staan, een beetje en stoemelings, op de allerlaatste journalistieke pagina van het tijdschrift. Zo kregen Staf De Clercq en August Borms hun plaats in een selectie van 14 Vlaamse koppen 'die de emancipatie van taal en volk vanaf de Belgische onafhankelijkheid tot de Tweede Wereldoorlog hebben vorm gegeven'. Maar klopt dat wel?


Kris Hoflack is als directeur Communicatie, Externe Relaties en Informatie van het Vlaams Parlement nauw betrokken bij het door Newsweek gemaakte tijdschrift. Hij vindt de opname van Staf De Clercq en August Borms niet onlogisch, legt hij uit. 'Ze horen bij de Vlamingen die een rol hebben gespeeld in de Vlaamse emancipatie. Zo'n beweging is nooit een succesverhaal van a tot z. Er zijn altijd mislukkingen bij, en er zijn in de loop van de geschiedenis ook ongelukkige en weinig heilzame keuzes gemaakt. We gaan dat toch niet wegmoffelen? Ik bekijk de aanwezigheid van De Clercq en Borms vanuit dat perspectief: die mannen hebben hun plaats in de geschiedenis van de Vlaamse emancipatie, alleen al omdat het in hun tijd met de Vlaamse Beweging niet de juiste kant uitging.'


Een aanlokkelijk aanbod

Hoewel August Borms (1878-1946) en Staf De Clercq (1884-1942) al sinds hun jonge jaren zogenoemde cultuurflaminganten waren, was de Eerste Wereldoorlog de echte katalysator voor hun politieke optreden. Borms was actief in Antwerpen, terwijl soldaat Staf De Clercq zich vanaf de natte herfst van 1914 achter de IJzer ingroef. Niet alleen het land raakte opgedeeld in een zone die door de Duitsers werd bezet en een Belgisch 'stukje' dat zich manmoedig bleef verzetten, zoals dat heet. De tweedeling trof ook de Vlaamse Beweging. Een gematigde groep rond de Vlaams-katholieke voorman Frans Van Cauwelaert vond dat, zolang de oorlog duurde, de Vlaamse eisen ondergeschikt waren aan de Belgische eenheid. Radicalere Vlamingen vonden dat niet.



August Borms Hij verzinnebeeldde het anti-Belgische Vlaams-nationalisme.

In 1928 werd hij zelfs vanuit de gevangenis in de Kamer verkozen.


Al in november 1914 hoorde Borms volgens zijn biografe Christine Van Everbroeck bij 'kleine, aarzelende groepjes flaminganten' die 'geanimeerde discussies' voerden waarbij al voorzichtig werd afgetast 'aan welke kant de ander staat'. Al snel maakten die eerste activisten 'een duidelijke keuze en plaatsen ze hun liefde voor Vlaanderen boven hun loyauteit voor België'. Borms' goede vriend, de dichter René De Clercq, vatte de geest van die bijeenkomsten in verzen: 'Wie legt het oude België af? / Wie zal het kostbaar kisten? / Wie draagt het naar een rustig graf? / De roemrijke aktivisten!'


De kleine groepjes konden natuurlijk nooit op eigen kracht de Belgische staatsstructuur kraken. Maar de aanwezigheid van Duitse bezetters bood hun een buitenkans. De Duitsers wisten dat, en stemden er hun beleid op af: dat was de zogenoemde Flamenpolitik voor België. August Borms maakte er zonder veel scrupules gebruik van. Omdat hij de financiële middelen niet had om zelf met een dag- of weekblad te starten, ging hij al op 18 februari 1915 (de eerste slagen om de IJzer en Ieper waren nog geen drie maanden voorbij) in op de uitnodiging van een hoge Duitse ambtenaar om na te gaan of het mogelijk was een krant te verwerven waarin hij zijn ideeën kon publiceren. Vier maanden later trok hij de Rubicon over: met financiële hulp van de Duitsers legde hij beslag op de Antwerpse krant Het Vlaamsche Nieuws. Van Everbroeck: 'We kunnen dus zeggen dat August Borms op dat moment zijn eerste daad van collaboratie verricht.'


Germanen onder elkaar

Aan het IJzerfront worstelde een Vlaamsgezinde Belgische soldaat in februari 1915 met soortgelijke gevoelens. 'Sinds enige tijd woelt het mij hier in den kop', schreef Staf De Clercq: ''t Is een ongewilde drang die in mij twijfels opdringt. Zal in latere tijden geen stem een andere klok doen klinken? Wie weet?' Want ook al vocht De Clercq als Belgisch soldaat tegen de Duitse invallers, toch verzuchtte hij voor zichzelf en zijn vrienden: 'Gave God dat het jeugdig bloed van België's kloeke zonen niet ten onnutte zal gestort geweest zijn.' Immers, 'Vlamingen (...) vechten niet enkel, als ieder soldaat, tegen een vijand, maar ze vechten ook als Germaan tegen stamgenoten'. De oorlog was amper begonnen of de grote gedachte was er al uit: het is niet goed dat 'Germanen' elkaar bestrijden.


Ook August Borms' vijand was niet Duitsland maar België. In 1917 stond hij mee aan de wieg van de Raad van Vlaanderen - het allereerste Vlaams parlement, onder controle van, en ook wel ten dienste van, de Duitse bezetter. Er kwam ook een eigen Commissie van Gevolmachtigden (een halfwassen Vlaamse regering), waarin Borms zelf de bevoegdheid Nationaal Verweer had. In de praktijk stelde het allemaal weinig voor, al kondigde de Raad in zijn korte bestaan wel de onafhankelijkheid van Vlaanderen af.


In Newsweek velt Bruno De Wever overigens een beknopt maar vernietigend oordeel over de activiteiten van Borms en consorten. 'Omdat de Raad geen legitimiteit heeft en het activisme wordt uitgespuwd door de bevolking, ontbindt hij zichzelf op bevel van de bezetter. Na een zogenaamde volksraadpleging, die allesbehalve democratisch verloopt, wordt in 1918 een tweede Raad van Vlaanderen opgericht, maar ook dat blijft een machteloos praatkabinet.'


Kepie en hoge laarzen

Na de oorlog werd August Borms voor zijn collaboratie ter dood veroordeeld. Nadat onder meer het Vaticaan tussenbeide was gekomen, werd zijn straf in 1920 omgezet in levenslang. In de gevangenis groeide Borms uit tot een mythe, een icoon van de vastberaden Vlaamse strijder die door de Belgische staat gekneveld werd. Zijn betekenis was vanaf dan louter symbolisch: hij verzinnebeeldde het anti-Belgische Vlaams-nationalisme. In 1928 werd hij zelfs vanuit de gevangenis in een tussentijdse Antwerpse verkiezing met een verpletterende meerderheid in de Kamer verkozen. Omdat hij geen politieke rechten had, kon hij er geen zitting nemen.


Zonder tot de harde kern te behoren van de Vlaamsgezinde Frontbeweging, die de confrontatie met de Belgische legertop niet schuwde, wist Staf De Clercq aan het einde van de oorlog wel wat hem te doen stond. Vanuit zijn frontervaring wilde hij de politiek in - op zijn manier: 'Wij weten dat er zoveel mensen zijn tussen onze vroegere politiekers aan wie de oorlog nog niets geleerd heeft. (...) Die tijd moet voor immer voorbij zijn. Uit onze rangen moet een groepering ontstaan (...) waaruit een macht moet geboren worden die in de bres zal staan om onze belangen te verdedigen en hoog te houden.'


August Borms liet zich inzetten als uithangbord van een misdadig regime

en gebruikte zijn naam om jonge Vlamingen voor het oostfront te mobiliseren.


De Clercq werd al snel een beroepspoliticus. Tussen 1919 en 1932 zat hij in de Kamer voor de Frontpartij. Vanaf 1933, het jaar van Adolf Hitlers machtsovername in Duitsland, werd hem de leiding toevertrouwd van een nieuwe, brede Vlaamse partij, het Vlaams Nationaal Verbod (VNV). Ook het VNV was ontworpen als een autoritaire partij en dat zinde Staf De Clercq wel. Hij werd voortaan aangesproken als Leider. (Bruno De Wever, in zijn biografie van De Clercq: 'Door sommigen werd hij nog enige tijd hardnekkig "voorzitter" genoemd'.) Het had iets potsierlijks, want VNV'ers zouden uiteindelijk overschakelen van een burgertenue naar een soldatesk tenue, waarbij partijleiders een kepie en zelfs hoge laarzen droegen.


Staf De Clercq leidde van bij het begin een partij die af wilde van 'het huidige parlementarisme' en streefde naar een 'organische, democratische, coöperatieve staat' zonder 'kleurpolitieke scheidingen' - versta: de bestaande parlementaire democratie met haar meerpartijenstelsel mocht de vuilnisbak in. Ondanks zijn afkeer van de 'democratische praatbarak' deed het VNV mee aan de parlementsverkiezingen, met nogal wat succes bovendien, en werd De Clercq verkozen. De Belgische staat moest ook 'van binnenuit' bestookt en aangevallen worden.


In de jaren dertig bracht De Clercq het VNV onder invloed van nazi-Duitsland. Hij ontving in het geheim geld en ongetwijfeld ook richtlijnen vanuit Berlijn. Hij bleef de illusie koesteren dat hij het VNV na een Duitse inval een 'Dietse' in plaats van een 'Duitse' koers kon laten volgen. Dat brak hem tijdens de oorlog zuur op. Ook al was het VNV de grootste Vlaamse collaboratiepartij, de Duitsers lieten graag voelen wie de echte macht had. Van zelfstandigheid of zelfbestuur kwam niets terecht. Integendeel, het VNV riskeerde zich almaar verder in de collaboratie met de nazi's, ook al omdat Vlaamse collaborateurs en Duitse bezetters objectieve bondgenoten waren in hun strijd tegen het almaar actievere verzet.


Toen nazi-Duitsland op 22 juni 1941 bekendmaakte dat Operatie Barbarossa was begonnen - de inval in de Sovjet-Unie - repte De Clercq zich om nog diezelfde dag zijn steun uit te spreken aan die antibolsjewistische strijd. Vandaar dat hij jonge Vlamingen opriep om naar het oostfront te trekken: 'Meer dan ooit is het geboden in het licht onzer Germaanse lotsverbondenheid, in Germaanse trouw en met al de middelen waarover wij beschikken, de zegepraal der Duitse wapens te bevorderen.' Meer dan 20.000 Vlamingen meldden zich in de loop van de oorlog aan, vele duizenden zouden niet terugkeren.


Na enige tijd begon het de VNV-top te dagen dat haar macht en invloed tanende was. Ook al was Staf De Clercq in Vlaanderen collaborateur nummer één, hij zou nooit een audiëntie krijgen bij de echte Duitse kopstukken, zoals Hitler of Heinrich Himmler. Op eigen bodem kreeg hij bovendien concurrentie van nog rechts-radicalere Vlaamse organisaties.


Zijn gezondheid ging ook achteruit. In het najaar van 1942 werd zijn slechte hart hem fataal: hij stierf op 22 oktober. Toen de verzamelde VNV-top de volgende ochtend zijn politieke testament opende, bleek dat geen enkele aanwijzing te bevatten over de te volgen koers. Ook de naam van een opvolger had hij niet vermeld. Wist De Clercq nog wel waarheen? Had hij nog iets te vertellen? Hij kreeg een praalgraf op de Kesterheide in Gooik. Na de bevrijding werd dat monument onteerd en verwoest. Het werd gerestaureerd, maar De Clercqs stoffelijk overschot bevindt zich elders.


Cui bono?

Wat rest er nog van Staf De Clercq? Door zijn dood heeft de Belgische staat na de Tweede Wereldoorlog natuurlijk geen proces-De Clercq georganiseerd. Er is nooit een gerechtelijk oordeel over hem uitgesproken. Maar wie nooit veroordeeld (of vrijgesproken) is, is evenmin ooit echt beoordeeld. Hij kan achteraf niet echt gerehabiliteerd worden, voor zover dat nodig of wenselijk zou zijn. Het betekent ook dat De Clercq in de geschiedenis niet echt de plaats heeft kunnen innemen die in andere landen voor soortgelijke leiders werd gereserveerd.


We hebben het niet eens over de echte protagonisten van de nieuwe orde: Führer Adolf Hitler in Duitsland, duce Benito Mussolini in Italië, caudillo Francisco Franco in Spanje. Maar in Nederland weten scholieren wel nog dat Anton Mussert de leider was van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Heel Frankrijk kan le maréchal Philippe Pétain nog altijd duiden als de nummer één van het Vichy-regime. En elke Franstalige Belg heeft wel van Rex-leider Léon Degrelle gehoord. In die zin is de geschiedenis Staf De Clercq welgevallig geweest: in eigen land is hij nooit gerangschikt onder de grote schurken van zijn tijd.



Met Staf De Clercq VOORUIT!

Recht de afgrond in, zo zou blijken. © ADVN, Antwerpen


Dus dringt de vraag zich op: waarom moet het Vlaams Parlement vergeten figuren als Staf De Clercq en August Borms voor de jonge generaties uit de vergetelheid halen en op een bescheiden piëdestal plaatsen? Cui bono?


Hoe bekend Borms in zijn tijd ook was, tijdens de Tweede Wereldoorlog werden hem vooral symbolische opdrachten toevertrouwd. Hij werd voorzitter van de zogenoemde Bormscommissie, die ex-collaborateurs uit de Eerste Wereldoorlog een extra pensioen mocht toekennen. Dat was het. Borms bleef intussen genieten van zijn grote populariteit, ook omdat die hem toeliet te reizen naar Duitsland en er lezingen te houden. Op een van zijn reizen door het Duitse Rijk, in het voorjaar van 1943, bezocht hij zelfs het industriële IG Farben-complex van Auschwitz- Treblinka. Zijn dochter Anita, die hem vergezelde, deed er achteraf enthousiast verslag van in het VNV-vrouwenblad Vrouw en Volk. Het is niet zeker wat Borms van de concentratiekampen heeft gezien, maar het illustreert wel hoe hij als een toeschouwer, zonder veel geweten maar in relatief comfortabele omstandigheden, aankeek tegen de gruwelen van zijn tijd. En hoe hij zich liet inzetten als uithangbord van een misdadig regime. Hij gebruikte zijn naam ook om jonge Vlamingen voor het oostfront te blijven mobiliseren.


Na de Tweede Wereldoorlog kreeg August Borms opnieuw de doodstraf. Dit keer kon hij niet meer rekenen op genade. Op 12 april 1946 werd hij in Etterbeek geëxecuteerd. Over zijn laatste woorden bestaat discussie. Was het 'Leve Vlaanderen! Vuurt!' of 'Dietsland, hoezee!'?


Feit is dat Borms na zijn executie een aantal jaren nog belangrijker is geweest dan hij ervoor was. Hij kon niet meer zelfstandig stappen toen hij op de ochtend van Goede Vrijdag aan de executiepaal werd vastgebonden - dat lichamelijk letsel was het gevolg van een banaal auto-ongeluk maar werd vertaald als 'een kreupele Christus die naar de executiepaal werd gesleurd'. De doodstraf voor de 67-jarige Borms maakte indruk op schrijver Willem Elsschot, vandaar diens invloedrijke 'Bormsgedicht', dat boven op de mythe-Borms nog eens zorgde voor de mythe van de wraakzuchtige Belgische staat. De tekst was, zoals Elsschot dat kon, zakelijk en ingehouden en tegelijk toch ook heftig en pakkend: 'Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend, / maar dat gij Neerlands vaan manmoedig hebt gediend / dát weet ik niettemin zoals 't een ieder weet / die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.'


Meerdere (groot)ouder(s)

Volstaat dat voor eerherstel vandaag? Welke verdienste, van veraf of kortbij, hebben Staf De Clercq en August Borms voor het Vlaams Parlement? Kris Hoflack ontkent formeel dat er enige politieke druk is geweest. 'Geen enkel artikel, geen enkele naam, geen enkele strekking in de berichtgeving is het resultaat van zulke druk.'


De Vlaamse regering heeft anders de schijn niet helemaal mee, na opeenvolgende officiële initiatieven om de 'Vlaamse identiteit' te beklemtonen: van een Vlaamse canon over een Vlaams museum tot een openbare omroep en een cultuursector die het Vlaamse karakter sterker in de verf moeten zetten, net zoals die Vlaamse eigenheid ook meer terug te vinden mag zijn in de eindtermen, enzovoort.


Maar goed, ook met een andere minister-president dan Jan Jambon (N-VA) en een andere parlementsvoorzitter dan Liesbeth Homans zou het Vlaams Parlement dit jaar natuurlijk zijn vijftigste verjaardag gevierd hebben. En het is maar de vraag of een andere meerderheid echt andere klemtonen zou hebben gelegd. Er is namelijk al lang sprake van een soort verenging in de geschiedschrijving van de Vlaamse emancipatie, alsof die maar één ouder zou hebben: de Vlaamse Beweging - en dus het geheel van Vlaams-nationale partijen en (taal)organisaties.


Worden zo de andere (groot)ouder(s) niet vergeten? Is er, in de Vlaamse context, niet te weinig aandacht voor de Vlaamse vleugel van de christendemocratie? De oprichting van de Cultuurraad van de Nederlandse Cultuurgemeenschap was toch het rechtstreekse gevolg van de eerste staatshervorming van 1970, dus die van CVP-premier Gaston Eyskens? De tweede staatshervorming (1980) en de derde (1988), waarbij de gemeenschappen en de gewesten het licht zagen, droegen toch de signatuur van Wilfried Martens en Jean-Luc Dehaene, ook CVP? En de vierde staatshervorming (1993), het zogenoemde Sint-Michielsakkoord, dat leidde tot de eerste volwaardige Vlaamse regering, een volwaardig Vlaams Parlement en voor het eerst onafhankelijke Vlaamse verkiezingen, was toch echt het project van Dehaene?


Nog zo'n vraag: waarom wordt er niet meer aandacht aan besteed dat er in dit land één politieke familie is die sinds 1970 álle staatshervormingen heeft goedgekeurd, en die dus elke stap naar meer regionale autonomie mee onderhandeld en beïnvloed heeft? We hebben het over de socialisten. Tijdens diezelfde vijftig jaar hebben de Vlaams-nationalistische partijen maar twee staatshervormingen gesteund - die van 1988 en 1993.


Was het niet nuttig geweest als het Vlaams Parlement meer aandacht had besteed aan betere beijveraars van de Vlaamse autonomie? Waarom niet Arthur Gilson gedenken, de Franstalige minister die de taalgrens vastlegde en zo ook Vlaanderen zijn grondgebied gaf - ten koste van zijn eigen carrière? Waarom dus de laatste vakjes vrijhouden voor twee radicale, antidemocratische figuren?


Als die twee mannen publieke beelden hadden gekregen, zouden die beelden vandaag worden verwijderd. Waren er straten naar hen vernoemd, dan zouden die namen veranderd worden. Gesteld dat De Clercq en Borms die eer ooit waard waren geweest, natuurlijk. 


Top






Theo Francken


N-VA worstelt met zichzelf na affaire-Kucam: 'Moet Francken dan ontslag nemen als burgemeester?'


Tex Van berlaerKnack



De zwarte bladzijde van de zaak rond Melikan Kucam moet zo snel mogelijk worden omgeslagen,

vinden de N-VA'ers. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. 'Dit is echt wel fout gelopen.'


'Laten we hopen dat er nu geen geheimen meer bovenkomen.' Bezorgd blikt een N-VA-parlementslid vooruit. De zwarte bladzijde van de zaak rond Melikan Kucam moet zo snel mogelijk worden omgeslagen. 'De man is veroordeeld, alles ligt op straat.' Maar de mandataris weet dat dat makkelijker gezegd is dan gedaan. De N-VA en gewezen staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken zullen nog een tijdlang de gevolgen voelen.


De veroordeling door de Antwerpse correctionele rechtbank vorige week is er dan ook naar. Melikan Kucam werd schuldig bevonden aan mensensmokkel, passieve omkoping en het leiden van een criminele organisatie. Het gewezen Mechelse N-VA-gemeenteraadslid krijgt tot acht jaar effectieve gevangenisstraf en een boete van 696.000 euro. Een gevolg van fraude met humanitaire visa voor Assyrische christenen uit het oorlogsgebied in Syrië en Irak. Als vertrouwenspersoon van het kabinet-Francken gaf Kucam lijsten door aan het kabinet met namen die in aanmerking moesten komen voor een visum. Hij vroeg de christenen bedragen van 2500 tot 7500 euro, in ruil voor een plaats op de lijst. Kucam tekende al beroep aan.


Het kabinet van Francken gaat vrijuit. Maar over de politieke verantwoordelijkheid van Theo Francken bestaat geen twijfel. Ook bij hemzelf niet. Mocht hij nog staatssecretaris zijn geweest, dan zou 'ontslag wellicht onvermijdelijk geweest zijn', zei Francken op de radio.



Buitenkansje

Binnen de N-VA willen weinigen reageren, en al zeker niet met naam en toenaam. Een mandataris laat zich ontglippen dat de partij hiervoor een interne strategie heeft opgesteld. De N-VA staat erom bekend een falanx te vormen rond kwetsbare leden. De ernst van de situatie is dan ook tot iedereen doorgedrongen. 'De kloof tussen fans en critici van Theo is duidelijker geworden', zegt een partijtopper. 'Er is geen anti-Theosfeer ontstaan, maar er is hem ongetwijfeld vaker gezegd dat hij toch beter voorzichter was opgetreden.'


Francken beseft dat, en heeft dat intern zo overgebracht. De partijtopper: 'Zijn voluntaristische beleid was volledig in lijn met zijn visie op asiel en migratie. Maar dit is echt wel fout gelopen.'


De partij beseft goed dat de gerechtelijke uitspraak gefundenes Fressen is voor politieke tegenstanders. Dat Open VLD-voorzitter Egbert Lachaert de dag van de uitspraak zelf de televisiestudio's van Terzake opzocht, is daar een voorbeeld van. Lachaerts communicatiedirecteur, Thomas Vanwing, stelde de kwestie via Twitter op scherp: 'Kan de man nog geloofwaardig optreden als woordvoerder rond asiel en migratie?' Ook de SP.A weet dat. Kamerlid Ben Segers deelde dagenlang het campagnefilmpje van de N-VA uit 2014 waarop Kucam pleit voor eerlijke migratie 'zonder achterpoortjes'.


Een N-VA'er zegt het lastig te hebben met de foto's die circuleren van Francken en Kucam op nieuwjaarsrecepties. 'Natuurlijk komt dat aan.' Een topper: 'Het valt te bezien wat de effecten zullen zijn voor Theo. Maar wat kan hij nog doen? Ontslag nemen als burgemeester van Lubbeek?' 





Alicja Gescinska


Hoop is het vlammetje dat ons warm kan houden precies wanneer de dagen het koudst zijn.


Alicja GescinskaDe Morgen



Alicja Gescinska - Beeld Stefaan Temmerman


Alicja Gescinska is een Pools-Belgische filosofe, schrijfster, opinie- en tv-maakster.


2020 was het jaar van de hoop. Dat klinkt ongetwijfeld enigszins eigenaardig; als de contra-intuïtieve hersenkronkel van een filosoof wier taak het is om gangbare opvattingen te betwijfelen en die daarom graag contrair doet. Maar het tegendeel is waar. Een helder begrip van wat hoop is, en een heldere kijk op de maanden die achter ons liggen, bieden ons een beter beeld van de toestand van de wereld en de mensheid.


Het mag duidelijk zijn: 2020 was in vele opzichten een annus horribilis. Op uitzonderlijke schaal hakte een pandemie in op miljarden levens. Mensen werden ziek en stierven. Mensen verloren hun baan en belandden in financiële moeilijkheden. Onze dagelijkse vanzelfsprekendheden werden ons afgenomen. Elementaire vrijheden werden gekortwiekt. Het culturele leven werd lamgelegd. Ondanks hun nabijheid waren dierbaren vele weken en maanden fysiek onbereikbaar. 


En zoals het een annus horribilis betaamt, eindigt 2020 in mineur, met in België een aanhoudende lockdown. Was 2020 een muziekstuk, dan klonk het als Chopins dodenmars of als Leonard Cohen in ‘Famous Blue Raincoat’. Veel somberder en zwaarder wordt het niet.


Dat alles heeft ook op mij betrekking. Ik behoor niet tot de minderheid van mensen voor wie wereldwijde ellende persoonlijke voorspoed betekent. Begin dit jaar verloor ik door het overlijden van de Britse filosoof Roger Scruton een van mijn beste vrienden. Ik zag door corona al mijn lezingen geannuleerd worden. De Maand van de Filosofie, waarvoor ik dit jaar het essay schreef, viel bijna geheel in het water. Ook ik heb in 2020 vaker dan me lief is de tijd gewoon voorbij gewenst. Redenen tot somberheid en pessimisme genoeg. En toch is 2020 voor mij vooral het jaar van de hoop.


Om die paradox te begrijpen, is het goed om te beginnen bij een van de levenswijsheden die Scruton als filosoof en als vriend veelvuldig beklemtoonde: Count your blessings. And when life gets hard, count them louder. Het is een boodschap die hij in de maanden van zijn ziekte – hij stierf aan longkanker – vaak herhaalde. 


Ik kon het vaak flink met hem oneens zijn, maar hierin deelden we dezelfde overtuiging. Dankbaarheid is een belangrijke voorwaarde voor geluk. Dankbaarheid behoedt je voor rancune en ressentiment, je leert vreugde te scheppen en voldoening te vinden in de grote en kleine dingen die wel goed gaan. En je leert er hoopvol door in het leven te staan, precies wanneer life is getting hard.


HOOGTIJDAGEN VAN HET PESSIMISME

Dat het leven in 2020 er niet makkelijker op geworden is, behoeft geen betoog. En wanneer ik de voorbije maanden met schrijvende en filosoferende collega’s praatte over de toestand en de toekomst van de wereld, werd ik enorm getroffen door de somberte van hun verwachtingen. Onlangs had ik het erover met de Duitse filosoof Wolfram Eilenberger. Hij verwacht voor de komende maanden bijzonder veel sociale ontevredenheid en zelfs onlusten. Een winter van onvrede, zo noemde hij het.


Afgelopen zomer had ik een lang gesprek met Geert Mak. Zelden was het contrast zo groot tussen de buitengewoon sympathieke aard van de boodschapper en de buitengewoon sombere aard van de boodschap als tijdens dat gesprek. Een heleboel problemen en uitdagingen hangen als donkere wolken boven Maks toekomstbeeld. 


Hij verwacht dat de sociale, economische naschokken van corona nog tot diep in 2021 hevig voelbaar zullen zijn. Ondertussen verschuiven geopolitieke machtsverhoudingen op zorgwekkende wijze en is het autoritarisme nog altijd aan een opmars bezig. De wereldorde zoals we die de voorbije decennia hebben gekend, komt ten einde. En door corona zijn we bijna uit het oog verloren dat de klimaatcrisis ook volop gaande is en een point of no return niet heel ver weg lijkt. 


Ongelijk kun je mijn over de toekomst filosoferende collega’s moeilijk geven: pessimisme is tegenwoordig misschien wel juist een blijk van grote realiteitszin. In onze wereld sluiten pessimisme en realisme elkaar niet uit, maar in.



HOOGTIJDAGEN VAN DE HOOP

Daarnaast gaat pessimisme hand in hand met hoop. Ook dat klinkt misschien weer paradoxaal en contra-intuïtief, omdat mensen hoopvol zijn vaak met optimisme verwarren. Optimisme is een karaktereigenschap die opveert wanneer de dingen je voor de wind gaan, wanneer verwachtingen positief zijn. Roze is de kleur van de bril waarmee de optimist naar het leven kijkt. Hoop is anders. En juist wanneer er veel redenen tot pessimisme zijn, kan de vlam van de hoop hoog opflakkeren. Hoop is het vlammetje dat ons warm kan houden precies wanneer de dagen het koudst zijn.


Het is pas in totale duisternis dat we ten volle de kracht van een enkele lichtbron kunnen bevatten. Het is pas in uitzonderlijke tijden dat we het uitzonderlijke waartoe de mens in staat is te zien krijgen. In de moeilijkste omstandigheden komt ook het mooiste in de mens naar boven. En dat hebben we in 2020 duidelijk kunnen aanschouwen. Het was een donker jaar vol schittering, met verschillende lichtbronnen van hoop.


De eerste, meest opvallende van die bronnen is onmiskenbaar te vinden in de toewijding waarmee duizenden mensen in de zorg (ook het ondersteunend personeel) het beste van zichzelf hebben gegeven. Die toewijding noopt ons allen tot dankbaarheid en morele bescheidenheid. Ja, iedere dag lezen we ook wel over de kleinmenselijke zelfzuchtigheid die het wint van het collectieve belang en de volksgezondheid, over mensen die de regels aan hun laars lappen, over de politie die seksfeestjes moet stilleggen omdat er te veel mensen op elkaar gepakt zitten – of is dat een typisch Belgisch fenomeen?


Maar dat staat in schril contrast met de solidariteit die zo veel anderen al maanden aan een stuk tentoonspreiden. De menselijkheid van de mensheid is sterker en groter dan zijn kleinmenselijkheid. Ons vermogen tot solidariteit heeft in 2020 zeldzame vormen en proporties aangenomen. 


Dat heeft er ook toe geleid dat inzake wetenschappelijke vooruitgang en ontwikkeling 2020 een hoopvol jaar was. Door eerder als partners dan als concurrenten samen te werken, is de ontwikkeling van een coronavaccin, én ook de ontwikkeling van onze kennis voor een betere behandeling van zieken, in een opvallende snelheid vooruitgegaan. Daardoor gloort in 2021 al de mogelijkheid dat de normaliteit in ons leven enigszins zal terugkeren.



TERUGKEER VAN DE WAARHEID

Die normaliteit is ook in de politiek in 2020 aan haar terugkeer begonnen. De voorbije jaren werden als een ‘post-truth-tijdperk’ bestempeld. En hoewel die term niet onproblematisch is – liegen en feiten verdraaien is immers altijd deel van het publieke en politieke debat geweest – was het gemak waarmee politici hele onwaarheden, halve waarheden en flagrante leugens verkondigden toch vaak bijzonder opvallend en stuitend. 


Er was een zekere ontwaarding van waarheid gaande. Feiten leken er in de besluitvorming en het democratische proces niet zoveel meer toe te doen. Expertise werd met minachting behandeld door mensen die aan de politieke stuurknoppen van de wereld zitten. Maar de coronacrisis heeft onze neus weer op de feiten gedrukt: feiten doen ertoe, expertise doet ertoe.


Zowat alle landen waar populisten die het niet altijd even nauw nemen met de waarheid het voor het zeggen hebben, hebben een erg slecht trackrecord inzake de beheersing van de coronacrisis. Daarvoor wordt een electorale prijs betaald. 


Dat is uiteraard het opvallendst in de VS. Het is goed mogelijk dat zonder corona Trump in januari aan zijn tweede termijn zou kunnen beginnen. Dat de eindtijd is ingezet van het populisme en de polarisering die het ‘post-truth-tijdperk’ hebben gekenmerkt, is te voorbarig en te optimistisch. Maar er is wel gerechtvaardigde hoop. Met Joe Biden verdwijnen de problemen niet uit de VS of van het wereldtoneel. 


Maar er is wel een terugkeer van een zekere normaliteit en respectabiliteit die nodig is om het politieke ambt goed uit te oefenen. Politiek is een nobel ambacht, maar alleen wanneer het nobel wordt beoefend. En wanneer we van politiek een vuil ambacht maken, waarin leugen en niet waarheid, waarin eigenbelang en niet het algemeen belang, de weg wijzen, wordt de democratie uitgehold. 


Democratie kan slechts bestaan bij gratie van het geloof van de burger in de betrouwbaarheid en bekwaamheid van haar politici. Eerbaarheid is daarom misschien wel de belangrijkste karakteristiek van een goed politicus, ongeacht diens positie in het ideologische spectrum.


BRAVE NEW WOMEN

Ook op sociaal vlak zijn er redenen om hoopvol te zijn over de weg die de wereld bewandelt. In de strijd om sociale rechtvaardigheid, gelijkheid en vrijheid geeft de mensheid zich niet zomaar gewonnen, omdat het verlangen ernaar nooit helemaal te doven is. In het voorjaar was de BLM-beweging daar de belangrijkste illustratie van, al lijkt de beweging nu veel minder wind in de zeilen te hebben. Maar het is gemakkelijk om ons blind te staren op het negatieve. Daardoor verliezen we het positieve uit het oog.


Dat treft me bijzonder wanneer ik kijk naar mijn geboorteland. Polen is de voorbije tijd alleen maar op negatieve wijze in het nieuws gekomen, met een regering die allerhande controversiële maatregelen probeert door te voeren die knagen aan de rechtsstaat en de waarden van de liberale democratie. Maar dat is slechts één aspect van een land met vele gezichten. 


Polen wordt vaak ten onrechte op één hoop gegooid met landen als Hongarije en Turkije. Anders dan vaak wordt beweerd, heeft het autoritarisme Polen nog lang niet in een wurggreep. Polen is een land waar het vuur van de vrijheid volop brandt in de harten van talloze mensen. In het bijzonder vrouwen hebben de voorbije maanden het voortouw genomen in het protest tegen al te repressieve maatregelen. Ondanks een ongezond politiek klimaat, is Polen nog steeds een gezonde democratie, met burgers die bewogen worden door een grote burgerzin.


En ook in een buurland van Polen, Wit-Rusland, hebben we het voorbije jaar kunnen zien dat de moed van mensen met een verlangen naar vrijheid ons hoop geeft op een betere toekomst. Wat er in Wit-Rusland de voorbije maanden is gebeurd, is van het lelijkste én van het mooiste dat de mens in zich draagt. De ‘laatste dictatuur van Europa’ is aan het wankelen gebracht. Ondanks de zelfs dodelijke repressie is het verlangen naar vrijheid niet in de kiem te smoren. Ook hier weer zien we dat vele vrouwen het voortouw hebben genomen in het protest. Zekerheid over de uitkomst van dat protest is er niet. Maar wanneer ik mijn blik op Minsk richt, vullen mijn ogen zich met tranen en mijn hart met hoop.


ZUURSTOF VOOR DE ZIEL

Het belang van hoop voor onze condition humaine kan moeilijk worden overschat. De mens is een hoopvol wezen, we leven met onze blik gericht op de zon die opkomt aan de horizon van de toekomst. Die boodschap komt mooi naar voren in het denken van de Franse filosoof en toneelschrijver Gabriel Marcel. Hoop is de motor van onze morele motivatie, zo stelde Marcel. Hoop is geen passief wachten op betere tijden. Hoop is actief streven naar wat beter is. 


Dat leren ons ook de mensen in de zorg, de vrouwen in Polen, de vurige wil van duizenden Wit-Russen. Hoop is voor de ziel wat ademen is voor het lichaam, zo vatte Marcel het mooi samen. Hoop is de levensader van de geest, zuurstof voor de ziel. Zonder hoop verwelken we vanbinnen.


Meer nog dan andere jaren is Kerst 2020 een feest van de hoop, van licht in donkere dagen. Waar de wereld in 2021 heen gaat, kan niemand met zekerheid voorspellen. Maar wie de hoop in zijn hart draagt, weet dat andere en betere tijden niet louter voor ons liggen, maar vooral in ons liggen. 


En wanneer ik – zoals ieder jaar, deze tijd van het jaar – Ella Fitzgerald hoor zingen ‘next year all our troubles will be out of sight’, wil ik dat misschien zelfs tegen beter weten in geloven. In die woorden klinkt niet het suikerzoete gezwijmel van een naïef, blind optimisme. Wel zijn het woorden van iemand die, dankzij en ondanks het leven, hoopvol in het leven probeert te staan. 


Have yourself a merry little Christmas.




Top






Inez Germeys


'Voor jongeren is sociaal contact even nodig als gezond eten'


Inez Germeys  -  De Standaard



Dat het tweede semester in code rood start, is een bittere pil om te slikken.

Het gebrek aan echt contact kan ernstige gevolgen hebben voor de mentale gezondheid van studenten.


Inez Germeys, Tom Beckers, Ine Van Hoyweghen, Karine Verschueren & Patricia Bijttebier

Hoogleraren, verbonden aan de KU Leuven.



Studeren in de bib van de KU Leuven: een eenzame activiteit. Eric Lalmand/ blg


De Vlaamse universiteiten en hogescholen zullen het tweede semester in ‘code rood’ starten. Zo goed als alle lessen zullen online plaatsvinden (DS 9 december). Het doel van die aankondiging was om voor alle betrokkenen duidelijkheid te creëren én perspectief te bieden. Hoewel dat op zich lovens­waardig is, is dat laatste niet goed gelukt. De studenten hebben vooral gemerkt dat degenen die de strategieën bepalen om de coronapandemie in te dijken, weinig rekening houden met hun noden.


Het lijkt wel alsof studenten de enige groep zijn waarover duidelijke beslissingen worden genomen. Die beslistheid en duidelijkheid zien we minder in de maatregelen die onze economie kunnen aantasten, voor groepen met een sterker en groter lobby­netwerk of in de handhaving van regels rond telewerken.


Lang wachten op hulp

Samen met die studenten maken wij ons als docenten en medewerkers van de Vlaamse universiteiten en hogescholen grote zorgen over de impact van deze aanhoudende afstandsmaatregelen op de mentale gezondheid van onze studenten, en bij uitbreiding van alle jongeren in Vlaanderen. Wetenschappelijke studies tonen aan dat sociale interacties voor kinderen, adolescenten en jongvolwassenen noodzakelijk zijn voor een evenwichtige identiteitsontwikkeling en om goede sociale vaardigheden op te bouwen. En sociale vaardigheden én sociale steun dragen bij aan een goede mentale gezondheid. Online contacten zijn geen volwaardige vervanging van echte sociale contacten en een warme omgang met elkaar.


Maak van jonge mensen een prioritaire groep in overwegingen rond eventuele versoepelingen


De adolescentie en jongvolwassenheid zijn cruciale fases waarin (kwetsbare) jongeren (voor het eerst) psychische klachten krijgen. In het algemeen heeft tot 20 procent van de jongeren last van matige tot ernstige psychische klachten. Ook in gewone omstandigheden kampen veel studenten met psychische klachten. Maar de wachttijden voor jongeren met psychische klachten om hulp te krijgen, lopen nu al op tot zes maanden en meer.


Basisbehoefte

Als wetenschappers onderschatten we de ernst van de pandemie zeker niet. We erkennen eveneens het belang van de genomen maatregelen in onze anderhalvemetermaatschappij. Dat neemt niet weg dat wij zeer bezorgd zijn over de mentale gezondheid van de studenten en dat we het gevoel hebben dat zij over het hoofd worden gezien tijdens deze crisis. Tot nu toe hebben de meeste studenten laten zien dat ze veerkrachtig en solidair zijn en flexibel omgaan met de nieuwe uitdagingen. Toch ontnemen de maatregelen hun iets essentieels om uit te kunnen groeien tot evenwichtige volwassenen: sociale interactie. Voor jongeren is dat een basisbehoefte.

We vrezen dat de sociale deprivatie die we – schijnbaar onbezorgd – op grote schaal doorvoeren, mogelijk ernstige gevolgen zal hebben, niet alleen voor hen persoonlijk, maar ook voor onze maatschappij als geheel. In gewone omstandigheden krijgt al een op de vier volwassenen te maken met psychische klachten, die veelal in de adolescentie en jongvolwassenheid ontstaan. Wat zal de impact van het gebrek aan sociaal contact zijn voor hun gezondheid nu en op de lange termijn? Dat negeren heeft mogelijk óók een grote economische kostprijs: psychische klachten vormen de belangrijkste oorzaak van werkonbekwaamheid en veel leed op persoonlijk, relationeel en familiaal vlak.


Uitgerekte veer

Wij voelen ons genoodzaakt om de overheid en de Vlaamse universiteiten te wijzen op hun verantwoordelijkheid en ze te vragen om in de overwegingen rond noodzakelijke maatregelen vanaf nu ook aandacht te hebben voor het herstel van het essentiële sociale weefsel van jongeren, en daarmee voor hun mentale welzijn. Maak van jonge mensen een prioritaire groep in overwegingen rond eventuele versoepelingen.

Voor jongeren is sociale interactie even levensnoodzakelijk als gezond eten of voldoende bewegen. Het is tijd om dat als maatschappij te erkennen. Wij herhalen graag dat we begrijpen dat de situatie op dit moment precair is en weinig opties toelaat, maar willen uitdrukkelijk vragen om het welzijn van jongeren meer mee te nemen in de beslissingen.

De jongeren hebben zich veerkrachtig getoond, laten we voorkomen dat die veerkracht te ver wordt uitgerekt en dat de veer vervormt. Op korte tijd zullen de jongeren er wel bij varen, en op langere tijd is dat – ook economisch – beter voor onze hele maatschappij. Want de kinderen en jongeren van nu zijn onze toekomst. Zij, en wij met hen, rekenen op u.


Initiatiefnemers:

  • Inez Germeys, gewoon hoogleraar Contextuele Psychiatrie, KU Leuven
  • Tom Beckers, gewoon hoogleraar, KU Leuven
  • Ine Van Hoyweghen, hoogleraar, KU Leuven
  • Karine Verschueren, gewoon hoogleraar, KU Leuven, Schoolpsychologie en Ontwikkeling in Context
  • Patricia Bijttebier, gewoon hoogleraar onwikkelingspsycho(patho)logie, KU Leuven School Psychologie en Ontwikkeling in Context


Ondertekend door 250 professoren, hoogleraren, docenten en medewerkers van verschillende universiteiten en hogescholen in Vlaanderen:

  • Alexis Dewaele, hoofddocent, UGent
  • Jozefien De Leersnyder, onderzoeksprofessor Sociale en Culturele Psychologie, KU Leuven, lid van de Jonge Academie
  • Stijn Vanheule, professor psychoanalyse, UGent
  • Chia Longman, hoofddocent, UGent
  • Benedicte Deforche, hoogleraar , UGent en VUB
  • Karen Phalet, hoogleraar sociale psychologie, KU Leuven
  • Omer Van den Bergh, gewoon hoogleraar (em), KU Leuven
  • Erik Myin, gewoon hoogleraar Wijsbegeerte, UAntwerpen
  • Walter Van Herck, hoogleraar, UAntwerpen
  • Wim Beyers, Professor Ontwikkelingspsychologie, UGent
  • Greet Cardon, Professor, UGent
  • Glen Debard, Onderzoeker, Thomas More Kempen
  • Filip Raes, KU Leuven
  • Jasper Feyaerts, Postdoc FWO, UGent/KU Leuven
  • Jos De Backer , Professor, LUCA School of Arts & KU Leuven, OG psychiatrie
  • Gert Verschraegen , Professor Sociologie, UAntwerpen
  • Kurt Beckers, Lector , AP Hogeschool
  • Annelies Geeraerts, lector, AP Hogeschool
  • Maja Christiaens, Lector, Ap hogeschool
  • Patrick Bisschops, Lector lerarenopleidingen, AP Hogeschool
  • Manu Keirse, em. Hoogleraar, KU Leuven
  • Kristof De Witte, Hoogleraar, KU Leuven
  • Hilde Van Esch, arts, KU Leuven
  • Bieke Zaman, Hoofddocent, KU Leuven
  • Gert-Jan Vanaken, Arts-assistent kinderpsychiater, Dr.
  • Sven van Geel, Lector Ergotherapie, AP Hogeschool Antwerpen
  • Pascal Gielen, Hoogleraar, Universiteit Antwerpen
  • Koen Matthijs, Gewoon hoogleraar, KU Leuven
  • Koen Luyckx, KU Leuven
  • An Swillen , Hoogleraar, KU Leuven
  • Karin Hannes, Associate Professor, KU Leuven, faculteit sociale wetenschappen
  • Wouter Keirse, Psychiater (jong)volwassenen en hoodgeneesheer, De Evenaar
  • Willem Lemmens, Gewoon hoogleraar, UAntwerpen
  • Farid Zahnoun, Postdoctoraal onderzoeker/docent wijsbegeerte, UAntwerpen
  • Kristien Hens, UAntwerpen
  • Hedwig Bogaerts, Klinisch psycholoog, Bespreekbaar.be
  • Bouke de Jong, Instituut voor Tropische Geneeskunde
  • Amber De Kock , Doctoranda, UAntwerpen/FWO
  • Brenda Froyen, Lector taal AP Hogeschool, AP Hogeschool Antwerpen
  • Katrien Foubert, Docent en trajectbegeleider studenten, LUCA School of Arts
  • Jessica De Maeyer, Docent, HOGENT
  • Ilse Goethals, Lector onderzoeker, HOGENT
  • Karolien Hobin, Klinisch psychologe, momenteel specialisatie studente in PraxisP, PraxisP
  • Kris Van den Broeck, Professor, Uantwerpen, Leerstoel Public Mental Health
  • Kris Janssens, Professor, Uhasselt
  • Alicia Ramos, PhD student, KU Leuven
  • Hilde Colpin, Gewoon hoogleraar, KU Leuven
  • Veerle Briers, Practicumbegeleider, KU Leuven
  • Katia Levecque, docent, UGent
  • Nina Steenberghs, KU Leuven
  • Fleur van Gils, PhD student, KU Leuven
  • Jill Kries, PhD student, KU Leuven, dept. Neurowetenschappen
  • Dirk Hermans, hoogleraar, KU Leuven
  • Isabel ten Bokkel, KU Leuven
  • Hugh Desmond, Docent, UAntwerpen
  • Frank Baeyens, Hoogleraar Psychologie, KU Leuven
  • Saskia van der Oord, Hoogleraar Klinische Kinderpsychologie, KU Leuven
  • Marlies De Munck, UAntwerpen
  • Pieter Verstraete, Docent Pedagogische wetenschappen, KU Leuven
  • Eva Ceulemans, KU Leuven
  • Batja Mesquita, Professor in de Psychologie, KU Leuven
  • Marian Verhelst, professor, KU Leuven
  • Liesbet Lorent, KU Leuven
  • Karel Arnaut, Hoofddocent, KU Leuven, IMMRC
  • Davy Vancampfort, Prof.dr., KU Leuven, Departement Revalidatiewetenschapen
  • Nathalie Vaes, LUCA School of Arts
  • Heidi Le Maire, Lerarznopleider , AP hogeschool
  • Steven Malliet, Dr., LUCA School of Arts
  • Nele Van Damme, Doctoral student, KULeuven
  • Hans Op de Beeck, Gewoon Hoogleraar, KU Leuven
  • Céline Gillebert, docent, KU Leuven
  • Kobe Desender, Assistant Prof, KU Leuven
  • Ruud van Winkel, Hoogleraar psychiatrie, leerstoelhouder transitiepsychiatrie, KU Leuven
  • Eva Janssens, Docent, Vives
  • Ann Cuypers, Professor, UHasselt
  • Eva Van den Bussche, Professor, KU Leuven
  • Margot Joris, AAP, KU Leuven
  • Caluwaerts Dirk, Lector AP lerarenopleiding Flex, AP hogeschool
  • Karen Vandevyvere, Praktijkassistent , KU Leuven, Psychologie & Pedagogische Wetenschappen
  • Karla Van Leeuwen, Professor, KU Leuven
  • Laura Fluyt, Phd researcher, KU Leuven, Unit Parenting and Special Education
  • Loes Meeussen, Post Doctoraal onderzoeker & Lector Psychologie, KU Leuven & Thomas More
  • Jo van den Hauwe, Opleidingshoofd educatieve bacheloropleidingen kleuter- en lager onderwijs, AP Hogeschool
  • Guido Schepens, Emeritus Gewoon Hoogleraar, KU Leuven
  • Lies Missotten, Klinisch Psycholoog, KU Leuven, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen
  • Robin De Croon, postdoc + ombuds, KU Leuven, Departement Computerwetenschappen
  • Stefan Ramaekers, Hoogleraar, KU Leuven
  • Nathalie Rommel, Hoofddocent , KU Leuven, Faculteit Geneeskunde
  • Benedicte Dubois, diensthoofd neurologie UZ Leuven; academisch coördinator facultaire stages KU Leuven, UZ Leuven en KU Leuven
  • Jasper Van de Vijver, Onderwijsassistent, UAntwerpen
  • Sofie De Backer, Opleidingshoofd Bachelor Pedagogie van het Jonge Kind, Arteveldehogeschool
  • Jan Van Bavel, socioloog, KU Leuven
  • Sofie Prikken, ABAP - PHD student, KU Leuven
  • Leen Verheyen, Praktijkassistent Wijsbegeerte, UAntwerpen
  • Sofie Weyn, Onderzoeker (doctoraatstudent), KU Leuven
  • Nadia Gielen, psycholoog, praktijkassistent, KU Leuven
  • Alain Laurent Verbeke, Gewoon Hoogleraar, advocaat, KU Leuven
  • Astrid Koelman, Docent, AP Hogeschool
  • Erik Lenaerts, Secretaris, KU Leuven
  • Jelle Demeestere, Neuroloog , UZ Leuven/KU Leuven
  • Kaat Wils, Gewoon Hoogleraar, KU Leuven
  • Benedicte Lowyck, Professor, KU Leuven
  • Anja Van Campenhout, specialist kinderorthopedie en revalidatie, UZLeuven, KULeuven
  • Noor Seghers, wetenschappelijk medewerker, KU Leuven, Gezins- en orthopedagogiek
  • Hilde Bastiaens, Hoofddocent, UAntwerpen
  • Bram Vervliet, Hoofddocent, KU Leuven
  • Charlotte Sleurs, Post-doctoraal onderzoeker , KU Leuven
  • Claeys Kristl, Professor, KU Leuven
  • Lieven Menschaert, Docent, Sint Lucas School of Arts
  • koen demyttenaere, hoogleraar psychiatrie, KU Leuven
  • Aram Van Ballaert, Docent LUCA, Luca/Lemmens
  • Ellen Claes, Hoofddocent, KU Leuven Sociale Wetenschappen
  • Maarten Simons, KU Leuven
  • Els Janssens, Praktijkassistente, LUCA School of Arts
  • Sabine Sypré, doctoraatsstudent psychologie, KU Leuven, Faculteit Psychologie, OE Sceno
  • Paul Enzlin, Hoogleraar, KU Leuven, IFSW
  • Griet Cleys, Lerarenopleider aan Luca School of Arts, LUCA School of Arts
  • Joke Torbeyns, KU Leuven
  • Anne-Marie Desmet, Studentenbegeleider, Stuvo Luca School of Arts
  • Femke Vanden Bempt, phd student, KU Leuven
  • Sven Hapers, Praktijklector en werkplekbegeleider, AP Hogeschool (onderwijs en training)
  • Kato Luyckx, Docent lerarenopleiding, AP Hogeschool
  • Veerle Baekelandt, Gewoon hoogleraar, KU Leuven, departement neurowetenschappen
  • Boudewijn Van Houdenhove, em. Prof. dr., KU Leuven, Fac. Geneeskunde
  • Wim Vandenberghe, Hoogleraar Neurologie, UZ Leuven
  • Leen d’Haenens, Gewoon Hoogleraar, KU Leuven
  • Glenn Kiekens , Post-Doctoral Fellow FWO-Vlaanderen, KU Leuven
  • Ginette Lafit, Postdoctoal researcher, KU Leuven
  • Hendrik Opdebeeck, Hoogleraar , Uantwerpen, Centrum voor Ethiek
  • Geert Kestens, Opleidingshoofd Drama LUCA School of Arts, LUCA / KU Leuven
  • Carine D’hont, Bediende, FAMPOP
  • Beckers Silvana, Radiologietechnieker, CVKO
  • Natasja Westerdijk, verpleegkundige mammobiel, UAntwerpen
  • Renata Vanhorenbeeck, docent praktijk in de academische bachelor en master beeldende kunsten, KU Leuven
  • Steven De Vleeschouwer, staflid neurochirurgie, UZ Leuven
  • Kathleen Van Royen, Onderzoeker gezondheidscommunicatie en -bevordering, UAntwerpen
  • Silke Apers, Onderzoekscoördinator, KU Leuven
  • Annelies Aerts, teamcoördinator educatieve bacheloropleiding lager onderwijs, AP Hogeschool
  • Tsakitzidis Giannoula, docent, UAntwerpen
  • Véronique Beelaert, docent, stuvomedewerker, ombudspersoon, LUCA School of Arts
  • Rozan van Klaveren, Lesgever LUCA School of Arts, KU Leuven
  • Patricia De Feyter, Lector lerarenopleiding Educatieve Bachelor Lager Onderwijs, AP Hogeschool
  • Jan Boutmans, Emeritus , KU Leuven, Faculteit Beweging-en Revalidatiewetenschappen
  • Verbruggen Els, LUCA School of Arts
  • Tine Vertommen, Onderzoeker, UAntwerpen
  • Silvie Van den Branden, Uantwerpen, Global Health Institute
  • Tessa Biesemans, KU Leuven
  • Hans Keune, Leerstoel Zorg en Natuurlijke Leefomgeving UAntwerpen, UAntwerpen, vakgroep huisartsgeneeskunde
  • Roy Remmen, Hoogleraar huisartsgeneeskunde, UAntwerpen, Centrum voor Huisartsgeneeskunde
  • Geert Bouckaert, Professor, KU Leuven, Instituut voor de Overheid
  • Jan Ardies, Lector lerarenopleiding, AP Hogeschool Antwerpen
  • Karlijn Hermans, PhD kandidaat Contextuele Psychiatrie, KU Leuven
  • Anke Coomans, Docent - Muziektherapeut, PhD
  • Kok Barbara, Trajenctbegeleider/docent, LUCA School of Arts
  • Silke Vos, Phd Student, KU Leuven
  • Karel Allegaert, professor KU leuven, klinisch onderzoeker , KU Leuven
  • Jelle Husson, Docent, LUCA School of Arts
  • Anne-Mieke Vandamme, Professor, KU Leuven
  • Annegret Van der Aa, Biotech Executive (CSO/CDO), Ermium Therapeutics
  • Griet Galle, deeltijds docent, KU Leuven, Hoger Instituut voor Wijsbegeerte
  • Jo Bervoets, Doctoraal onderzoeker, UAntwerpen
  • Francken, werkplekbegeleider, Potlodenschool
  • Frederic Amant, Onderzoeker, KU Leuven, Gynaecologische Oncologie
  • Stephan Claes, Hoogleraar Psychiatrie, KU Leuven
  • Erik Thys, Psychiater, docent, KU Leuven
  • Karim Zahidi, Docent, U Antwerpen & UGent
  • Martine van Nierop, Labmanager, KU Leuven
  • Colette van Laar, Hoogleraar Sociale en Culturele Psychologie, KU Leuven
  • Gielis Robin, Coördinator Game Design, LUCA School of Arts
  • Gunnar Buyse, UZ Leuven
  • Vera Hoorens, Hoogleraar, KU Leuven
  • Fien Depaepe, KU Leuven
  • Van Guyse Marlies, diensthoofd studieloopbaanbegeleiding , LUCA School of Arts
  • Jourquin Els, Expert-trajectbegeleider , LUCA School of Arts
  • Davinia Verhoeven, Onderzoeksassistent, KU Leuven
  • Kris Cuppens, docent, LUCA Drama
  • Fedoua Lamrani, Onderzoeksondersteuner, KU Leuven, laboratorium voor educatie en samenleving
  • Barbara Vandendriessche, Docent drama, LUCA School of Arts
  • Peter Dieleman, AAP, U Antwerpen, Vakgroep Huisartsgeneeskunde
  • Sophie Ampe, stafmedewerker klinische vaardigheden, U Antwerpen
  • Katelijne Baetens, Huisarts,
  • Lieven Vercauteren, lector AP Hogeschool Antwerpen, AUHA
  • Karin Heyde, psychiater, U Antwerpen
  • Valentijn Prové, Doctoraatsstudent, KU Leuven
  • Julie Segers, PhD-student en Klinisch kinder- en jeugdpsycholoog, KU Leuven
  • Ingrid De Paep, Klinisch Psycholoog
  • Ana Teixeira, Post-doctoral researcher, KU Leuven
  • Ingrid Sanders, Stagecoördinator, AP hogeschool
  • Evelyn De Meyer, Psycholoog, KARUS
  • Sam Vanhuynegem, Lector, AP Hogeschool
  • Luk Van Wuytswinkel, Docent Muziek Luca-Arts, campus Lemmens; Trajectbegeleider Muziektherapie, Luca School of Arts, campus Lemmens
  • Marlies Houben, postdoctoraal onderzoeker, KU Leuven
  • Desloover, klinisch psycholoog, psychotherapeut, Karus, campus Gent
  • Robin Achterhof, PhD student, KU Leuven
  • Roos Euwe, gastdocent LUCA school of arts, LUCA school of arts
  • Jeroen Ooge, KU Leuven
  • Branko Vermote, Assistent, U Gent
  • Els Ortibus, UZ Leuven
  • Sylvie Steenhaut, Opleidingshoofd hoger onderwijs, Vives
  • Katelijne Malomgré, UAntwerpen
  • Evelyne van Aubel, Doctoraal onderzoeker, CCP KU Leuven
  • Inge Tency, Docent en onderzoeker Vroedkunde , Odisee Hogeschool
  • Jan Louis De Bruyn, Gastdocent Ondernemen, LUCA School of Arts
  • Caroline Vergauwe, Kinder- en jeugdpsychiater, gastdocent AP Hogeschool
  • Leentje Vervoort, Universiteit Gent - Radboud Universiteit Nijmegen
  • Yasmine De Meyer, Psychologe
  • Suze Milius, Regisseur, Luca drama
  • Thomas Debaenst, Psycholoog, Psychotherapiepraktijk Oostakker
  • Michaël Bauwens, U Antwerpen
  • Sarah, Lector ergotherapie, AP hogeschool
  • Daphne van den Bogaard, PhD student, U Gent
  • Sabien Van Moorter, trajectbegeleider, LUCA School of Arts
  • Laura Dewitte, postdoctoraal onderzoeker, KU Leuven
  • Bert De Smedt, Professor, KU Leuven
  • Koen Lowet, Gedelegeerd bestuurder, Vlaamse Vereniging van Klinisch Psychologen
  • Sofie Giets, psycholoog, Stuvo LUCA
  • Deswert heidi, psychologe , moeder van 3 studenten
  • Kathleen freson, KU Leuven, Center Molecular and Vascular Biology
  • Kathleen Stifkens, Lector verpleegkunde, Odisee
  • Inge Glazemakers, docent, Universiteit Antwerpen
  • Barbara Brunelli , Klinisch psycholoog
  • Arne Roets, ZAP, UGent
  • Sarina Mary, Adviseur, STUVO LUCA School of Arts
  • Elke Van Damme, Docent hoger onderwijs, ombuds, trajectbegeleider, Luca School of Arts
  • Peter Bogaerts, praktijkassistent, UHasselt
  • Ernst Koster, Hoogleraar , U Gent
  • Bart Boets, Professor Ontwikkelingspsychiatrie, KU Leuven
  • ann covents, pediater, vvk
  • Delphine Jacobs, Kinder- en jeugdpsychiater, Cliniques universitaires Saint-Luc, UCLouvain
  • Koen Vanlede, Kinderarts, AZ Nikolaas
  • Chloë Soens, Klinisch psycholoog, Groepspraktijk psychologen - lid divisie zelfstandig psychologen VVKP
  • Hans Schroots, KU Leuven
  • Schepers Annick, Residentiebegeleider in De Rotonda, VZW De Wissel
  • Sandra Herssens, Consultant
  • Stijn Verhulst, Diensthoofd Kindergeneeskunde, U Antwerpen - Universitair Ziekenhuis Antwerpen
  • Virginie Lauwers, Lector hogeschool - klinisch psycholoog
  • Silke Maes, Teaching Assistent & PhD student, KU Leuven
  • Veronique, Psycholoog, lid VVKP
  • Karen Penxten, Klinisch psycholoog, Praktijk Melius
  • Chloë Finet, postdoctoraal onderzoeker, KU Leuven
  • Olivia Kirtley, Senior Research Fellow, Center for Contextual Psychiatry, KU Leuven
  • Joke Thijs, kinderarts, AZ Nikolaas
  • Jonckheer, Kinderarts, Coordinator Belgian Paediatric COVID-19 Task Force
  • Marc Raes, Kinderarts, Voorzitter Belgische Vereniging Kindergeneeskunde, KinderartsenpraktijkHuis5 & Jessa Ziekenhuis, Hasselt
  • Goedemé Marijke, docent Verpleegkunde, Odisee


Top





Dalia Lama


'Hoe blijf je overeind in een wereld die dol draait?'


© 2017  -  Dalai Laima Tenzin Gyatso  -  Distributed by The New York Times



Wat te doen als je overmand wordt door machteloosheid?

Machteloos ben je niet, zegt de Dalai Lama, want ook één mens kan een verschil maken.

Als individu móét je zelfs het verschil maken, en ja, dat kan nog.


Een barst in een ijsschots op Antarctica bereikte het breekpunt, waarna een gigantische drijvende ijsberg zich afscheurde. Het is een passend beeld voor een wereld onder druk. De politieke temperatuur stijgt in de wereld, de toekomst van de waarheid staat ter discussie en de schaduw van een nucleair conflict hangt over ons. We vroegen de Dalai Lama hoe we daarmee kunnen omgaan.


Dit is zijn antwoord in 2017 vóór het uitbreken van de corona pandemie.



Dit is een tijd van grote onzekerheid en onrust op vele plekken op de planeet. Dat geldt ook voor de houding tegenover anderen bij het streven naar een betere wereld.


Ook al lijkt één individu maar al te onbeduidend om de koers van de mensheid te beïnvloeden, toch zullen onze persoonlijke inspanningen bepalen welke richting het met onze samenleving uit gaat.


We hebben onze toekomst zelf in handen.

Iedereen heeft de mogelijkheid iets positiefs bij te dragen aan de samenleving.


Waar ik ook ga, ik zie me altijd als een van zeven miljard menselijke wezens die vandaag leven. We delen een fundamentele wens: we willen allemaal een gelukkig leven leiden, en dat is ons geboorterecht. Tussen geboorte en dood moeten we elkaar behandelen als broeders en zusters, omdat we die gemeenschappelijkheid delen: een verlangen naar vrede en tevredenheid.


Jammer genoeg hebben we allerlei problemen, die we vaak zelf creëren. Waarom? Omdat we gedreven worden door emoties zoals egoïsme, woede en angst.



Een van de doeltreffendste remedies om met zulke destructieve gedachtepatronen om te gaan, is het cultiveren van een ‘liefdevolle aandacht’ door te denken aan de eenheid van alle zeven miljard mensen op aarde. Als we kijken naar de manieren waarop we allemaal hetzelfde zijn, zullen de schotten tussen ons kleiner worden.


Medelijden verhoogt onze kalmte en ons zelfvertrouwen, en stelt onze wonderlijke menselijke intelligentie in staat ongehinderd te werken. Empathie zit in onze genen. Studies hebben aangetoond dat kinderen van vier maanden het al ervaren. Onderzoek heeft keer op keer uitgewezen dat medelijden leidt tot een succesvol en bevredigend leven. Waarom focussen we dan niet meer op het cultiveren van compassie in ons volwassen leven? Als we boos zijn, is ons oordeel eenzijdig, omdat we niet alle aspecten van de situatie in rekening brengen. Met een kalme geest bereiken we een bredere kijk op de omstandigheden waarmee we geconfronteerd worden.


Er is nog tijd om een betere, gelukkiger wereld te creëren,

maar we mogen niet achteroverleunen en een mirakel verwachten.


De mensheid is rijk in diversiteit, een natuurlijk gevolg van de uitgebreidheid van de wereld, van de variatie van talen en manieren van schrijven, tot onze verschillende maatschappelijke normen en gebruiken. Maar als we te veel nadruk leggen op ras, nationaliteit, geloof, inkomen of onderwijsniveau vergeten we onze vele gelijkenissen. We willen een dak boven ons hoofd en eten in onze maag; we willen ons veilig en beschermd voelen; we willen dat onze kinderen opgroeien en sterk zijn. Terwijl we onze eigen cultuur en identiteit proberen te bewaren, moeten we onthouden dat we één zijn in ons mens-zijn en dat we iedereen een warm hart moeten blijven toedragen.



In de voorbije eeuw was de neiging om problemen op te lossen met machtsmiddelen keer op keer destructief en bestendigde ze het conflict. Als we vrede willen in deze eeuw, dan moeten we de problemen via dialoog en diplomatie oplossen. Omdat onze levens zo verstrengeld zijn, zijn de belangen van de anderen ook de onze. Ik meen dat een houding die verdeeldheid in de hand werkt die belangen ondermijnt.


Onze wederzijdse afhankelijkheid heeft voordelen en valkuilen. We halen voordeel uit de wereldwijde economie en de communicatiemogelijkheden, waardoor we meteen weten wat er in de wereld gebeurt, maar worden ook geconfronteerd met problemen die ons allen bedreigen.


Vooral de klimaatverandering is een uitdaging die ons meer dan ooit dwingt tot een gemeenschappelijke inspanning in het algemeen belang.


Mensen die zich hulpeloos voelen tegenover al dat onoverkomelijk leed moeten beseffen dat we nog vroeg in de 21ste eeuw zijn. Er is nog tijd om een betere, gelukkiger wereld te creëren, maar we mogen niet achteroverleunen en een mirakel verwachten. Allemaal moeten we actie ondernemen, door een zinvol leven te leiden, in dienst van onze medemensen. We moeten anderen zoveel mogelijk helpen, door ons best te doen om niemand schade te berokkenen.


Iets doen aan destructieve emoties, en liefdevolle aandacht beoefenen, is niet iets wat we moeten reserveren voor het komende leven, met de hemel of het nirwana in het achterhoofd. Het is iets wat we hier en nu moeten doen. Ik ben ervan overtuigd dat we gelukkiger mensen, gelukkiger gemeenschappen en een gelukkiger mensheid kunnen worden als we een warm hart ontwikkelen dat het beste in onszelf bovenhaalt.



© 2017  -  Dalai Laima Tenzin Gyatso  -  Distributed by The New York Times



Top





Erik Van Der Paal en vrienden


'Een groepsportret'


Walter Pauli & Ewald Pironet  - Knack



N-VA schepen voor Stadsontwikkeling Rob Van de Velde (rechts) buigt voor Erik Van Der Paal (links). © Apache


Wie is die Erik Van der Paal, die erin slaagt al dat schoon volk samen te krijgen op een feestje voor zijn 45e verjaardag in het Antwerpse restaurant 't Fornuis?


Zeker voor Erik Van der Paal gaat het gezegde op: 'hij is de zoon van zijn vader.' Die vader Rudi Van der Paal (1925-2010) was medeoprichter en financier van de Volksunie en bestuurder/commissaris van het Algemeen-Nederlands Zangverbond (ANZ). Hij was een belangrijke fondsenwerver, eerst voor de Volksunie, later voor het Vlaams Blok en de N-VA. Bij zijn overlijden in 2010 omschreef Gazet van Antwerpen hem als 'een éminence grise en bruggenbouwer van het Vlaams-nationalisme'. Het artikel over Rudi Van der Paal in de Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging werd geschreven door ene Bart De Wever. Uit genegenheid voor vader Van der Paal zou De Wever zich ook het lot aantrekken van zoon Erik, die zich voor zijn verslaving al door dezelfde medische groep heeft laten behandelen als de Antwerpse N-VA-schepen Ludo Van Campenhout.


Het artikel over Rudi Van der Paal in de Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging

werd geschreven door ene Bart De Wever.


Vader Rudi Van der Paal was projectontwikkelaar en vastgoedmakelaar. Hij specialiseerde zich in de verkoop in Spanje en op Sardinië en werd zelfs 'de koning van Sardinië' genoemd. Bij die vastgoedinvesteringen werd al eens gebruikgemaakt van zwart geld. In 1970 werd Rudi Van der Paal voor de correctionele rechtbank gedaagd wegens investeren van zwart geld in het buitenland. Hij werd bij verstek veroordeeld tot vijf jaar gevangenis, maar later vrijgesproken. Daarop trok hij zich terug uit de publieke belangstelling. Nog één keer verscheen hij in de media: in december 2006 was hij samen met Filip Dewinter, Bart De Wever en Jean-Marie Dedecker prominent aanwezig in Bye Bye Belgium, de nepnieuwsuitzending van de RTBF over de splitsing van België.


Erik Van der Paal stapte in de voetsporen van zijn vader. Niet alleen in de vastgoedwereld maar ook achter de schermen van de politiek. Zo was hij in de eerste helft van de jaren negentig raadgever van Vlaams Blokker Gerolf Annemans, voor wie hij campagnes mee hielp opzetten. Later zou hij goede maatjes worden met politici van vrijwel alle gezindten, zoals blijkt uit zijn professionele activiteiten. Als journalist Ludwig Verduyn voor de site De Rijke Belgen de handel en wandel van Van der Paal junior uitpluist, vat hij die zo samen: 'vastgoed, groot geld, fraude, corruptie en veel politiek. En dat allemaal in en rond Antwerpen.'


Markt van de publieke opdrachten

Interessant is bijvoorbeeld de episode met het Antwerpse bouwbedrijf Merckx, dat hij in 1999 overnam. In 2006 werden Pierre Chevalier en Luc Van den Bossche bestuurder bij Merckx Holding. De eerste was ooit staatssecretaris voor Open VLD, maar werd op een zijspoor gezet toen uitlekte dat hij bestuurder was bij de groep van de omstreden Belgisch-Congolese financier George Forrest. Luc Van den Bossche, oud-minister van de Vlaamse socialisten, was op dat moment gedelegeerd bestuurder van de luchthaven van Zaventem. Zij konden de markt van de publieke opdrachten openen voor Van der Paal.


Ook Jan Van Wallendael, broer van de inmiddels overleden socialistische politicus Tuur Van Wallendael en een bekend figuur in het Antwerpse, werd bestuurder bij Merckx. Toen de socialistische mutualiteit in Antwerpen een nieuw hoofdkwartier bouwde, ging de opdracht naar Erik Van der Paal en naar Eric Verbeeck van Interbuild. In 2008 brak evenwel de financiële crisis uit en ging bouwbedrijf Merckx failliet.


Dan treden Luc Van den Bossche en de Nederlandse ondernemer Marc Schaling op de voorgrond. Zij kennen elkaar van bij Optima, de vermogensplanner annex vastgoedverkoper rond Jeroen Piqueur in Gent, waar Van den Bossche een leidinggevende rol speelde. De vastgoedwereld is een kleine wereld. Van den Bossche zou Schaling in contact brengen met Ogeo, het pensioenfonds van de intercommunale Publifin, dat onder controle staat van de PS. Ogeo en Schaling richten samen vastgoedpromotor SFI op, dat later wordt herdoopt tot Land Invest Group. Erik Van der Paal wordt er adviseur en kan er zijn netwerk aanspreken.


Op het verjaardagsfeestje van Van der Paal in 't Fornuis maakte niet alleen

het bijna voltallige schepencollege van Antwerpen zijn opwachting,

er waren ook enkele andere opmerkelijke gasten.


Luc Van den Bossche wordt bestuurder bij Land Invest Group, samen met Geert Versnick. Beiden zullen ook bestuurder worden van Optima. Land Invest Group bouwt zes appartementsblokken aan het Antwerpse Kattendijkdok. Ogeo Fund zorgt voor het geld, Optima Financial Planners zal de afgewerkte appartementen aan de man brengen. Pittig detail: Van der Paal zocht niet alleen in Vlaams-nationalistische kringen maar ook onder Antwerpse socialisten naar go-betweens tussen de Scheldestad en het Luikse pensioenfonds Ogeo - en ook dat gebeurde weleens tijdens etentjes in 't Fornuis.


Op het verjaardagsfeestje van Van der Paal in 't Fornuis maakte niet alleen het bijna voltallige schepencollege van Antwerpen zijn opwachting, er waren ook enkele andere opmerkelijke gasten. Zoals Luc Joris, ooit vertrouweling van PS-voorzitter Elio Di Rupo. Hij vertegenwoordigde de Franstalige socialisten lange tijd bij de NMBS, de Waalse regionale investeringsmaatschappij SRIW en FN Herstal. Die mandaten legde hij in maart 2015 neer, nadat was uitgelekt dat hij met het Luxemburgse financiële consultancybedrijfje Bremco Management de Belgische fiscus probeerde te omzeilen.


Een andere opvallende aanwezige was Jean-Claude Fontinoy, vertrouweling van MR-vicepremier Didier Reynders. Fontinoy wordt 'de Raspoetin van de Wetstraat' genoemd, 'trop gentil pour être honnête'. Hij begon als ingenieur bij de NMBS en was er ook actief bij de socialistische vakbond. Toen de jonge Reynders daar in de jaren tachtig voorzitter werd, klikte het tussen die twee. Fontinoy zou daarna assistent worden van Reynders en toen die minister van Financiën werd, volgde Fontinoy alle dossiers over de Regie der Gebouwen op. Fontinoy werd NMBS-voorzitter en was er betrokken bij alle belangrijke vastgoeddeals en aanbestedingen.


Fontinoy en Luc Joris delen hun interesse voor vastgoed. Joris was bijvoorbeeld nauw betrokken bij de oplevering van het nieuwe station van Bergen. Het was ook Fontinoy die in 2010 het geheime etentje fixte tussen De Wever, Didier Reynders en Louis Michel (MR) in het Brusselse sterrenrestaurant Bruneau, na de federale verkiezingen waarbij de N-VA een klinkende overwinning had behaald.


Lees ook: Bart De Wever en de Antwerpse politieke zeden: 'Hij is zijn zuiverheid kwijt'


Lees ook: Rechtbank oordeelt over klacht Fornuisfilmpje


Lees ook: Apache wint rechtszaak over Fornuisfilmpje


Top





Rob Riemen


'Hoe kan het dat liberalisme nu juist de angst voor de vrijheid versterkt?'


Rob Riemen - Directeur van het Nexus Instituut


Knack



Rob Riemen


'Het Amerikaanse liberalisme is weg, door toedoen van rechts én links,' zegt Rob Riemen, directeur van het Nederlandse Nexus Instituut deze week in Knack. In deze bijdrage, naar aanleiding van de Nexus-conferentie Age of anxiety komende zaterdag, analyseert Riemen ons tijdperk van angst.


Je hoeft geen psycholoog te zijn om te weten dat angst de dominante mense­lijke emotie is, en je hoeft ook geen historicus te zijn om te beseffen dat er nooit een tijdperk is geweest waarin mensen zonder vrees hebben geleefd. Altijd was er wel de vrees voor het lot, de komst van de barbaren, honger, armoede, de hel en de eeuwige angst voor de dood. En toch vat in 1947 de dichter W.H. Auden de twintigste-eeuwse tijdgeest perfect samen als hij zijn grootste prozagedicht publiceert met als titel: The Age of Anxiety. Precies een jaar later schrijft Albert Camus een kort essay onder dezelfde titel: Le siècle de la peur, welke hij begint met de opmerking: 'De zeventiende eeuw was het tijdperk van de wiskunde, de achttiende die van de natuurwetenschappen, de negentiende die van de biologie, maar de twintigste eeuw is de eeuw van de angst.'


Voor Auden en Camus onderscheidt hun tijdperk van de angst zich van voorafgaande tijdperken doordat er in hun tijd na twee wereldoorlogen iets fundamenteels vernietigd is: de waarde van de mens; de menselijkheid zelf, het vertrouwen in de mensheid. Het menselijk individu is oog in oog komen te staan met de naaktheid van het menselijk bestaan, zijn verlatenheid en leegte. Eeuwenoude tradities zijn gebroken en niets lijkt er nog te zijn waar men enig houvast aan kan ontlenen om, voorbij de slagen van het lot, het leven enige zin te geven. Het menselijk bestaan is absurd geworden. Dat is ook de stelling die Camus in 1941 verdedigt met zijn essay over Le mythe de Sisyphe waarin hij onomwonden stelt: 'De filosofie heeft maar één werkelijk serieus probleem: de zelfmoord. Het oordeel of het leven al dan niet waard is geleefd te worden, houdt het antwoord in op de belangrijkste vraag die de filosofie stelt.'


Dat er een tijdperk van de angst zou aanbreken waarin de geestelijke waarden en betekenis van het menselijk bestaan verloren zouden gaan, was al decennia eerder door Nietzsche aangekondigd met zijn voorspelling over de komst van het nihilisme, en nog voor hem ook al door de Deense denker Søren Kierkegaard. In 1844 publiceert hij zijn verhandeling Het begrip angst, in 1848 De ziekte tot de dood en in die jaren maakt hij de aantekening: 'Het is mij te moede als een arme huurder, die een kamertje heeft gehuurd onder de dakspanten van een geweldig gebouw, waaraan steeds verder wordt gebouwd en dat steeds verder wordt verfraaid, terwijl hij tot zijn ontzetting meent te bespeuren dat de fundamenten het begeven.'


De essentie van het mens-zijn is zoek, wat overblijft is een bestaan, een existentie die wordt overspoeld door de gewaarwording van het eindeloze niets: er is geen zin, er is geen betekenis, je bent helemaal vrij -- maar wat moet je met die vrijheid?


De Eerste Wereldoorlog is het begin van het tijdperk van de angst. De daarop volgende roaring twenties trachten met veel kabaal de demonen van de angst te bezweren, maar in feite zijn zij niets anders dan een maskerade voor wat de schrijver en filosoof Hermann Broch typeerde als de 'vrolijke Apocalyps', omdat hij de nieuwe werkelijkheid wel onder ogen wilde zien. Er ontstaat een nieuwe kunststroming, het Expressionisme, dat in al zijn facetten de nu alles overheersende angst wil tonen. De nieuwe filosofie van Jaspers, Heidegger en Sartre, het existentialisme, is in aansluiting op het denken van Kierkegaard de filosofie van deze angst; de ervaring dat ieder individu even vrij als eenzaam is en in die verlatenheid op zoek moet naar zijn eigen zelf en de zin van zijn bestaan.


Nu had wederom Nietzsche al voorspeld dat je een Übermensch moet zijn voor deze bovenmenselijke taak om zelf nog enige betekenis te vinden in een wereld die absurd is en een bestaan dat nooit zonder tragiek is. Nietzsche voorzag ook al dat het 'gewone volk' (academici en gegoede burgerij voorop), voorbij alle ratio en vol ressentiment om wat hen ontnomen is, of dreigt ontnomen te worden, zich zullen vastklampen aan de vermeende zekerheden waar zij hun identiteit aan ontlenen. Een angstcultuur wordt zo politiek. Een van de eersten die daarvan de psychologie analyseert is Wilhelm Reich met zijn in 1933 gepubliceerde Die Massenpsychologie des Faschismus, een boek dat in nazi-Duitsland onmiddellijk verboden wordt. Reich toont aan dat er helemaal geen idee achter het fascisme schuilt (de idee dat dat wel zo is, is een misverstand dat tot op de dag van vandaag in de academische wereld bestaat), en dat het fascisme niets anders is dan 'de georganiseerde politieke expressie van de karakterstructuur van de gemiddelde mens die verlangt naar autoriteit, op wil gaan in de massa, niet zelf wil denken, laat staan eigen verantwoordelijkheid accepteert'. Een andere oud-leerling van Freud, Erich Fromm, vat in 1941 de psychologie van het fascisme samen in één zin: angst voor de vrijheid.


'Na een Tweede Wereldoorlog is de angst alleen maar groter geworden'


Na een Tweede Wereldoorlog is de angst niet alleen niet verdwenen, ze is alleen maar groter geworden. De Koude Oorlog wakkert de vrees voor een nucleaire holocaust aan. De grootste angst echter manifesteert zich in het zich afsluiten voor, het niet willen weten van angst en onzekerheden door zich over te geven aan geesteloosheid, want angst kan alleen bestaan bij wie zich bewust is van zichzelf en de wereld. 


Kierkegaard, de filosofische grootvader van het existentialisme, is de eerste die dit maatschappelijk verschijnsel constateert: 'Er is in de geesteloosheid geen angst, daarvoor is ze te tevreden en te geestloos. [...] Door het zien van de meeste mensen om zich heen, door het druk te krijgen met allerhande wereldse aangelegenheden, door te gaan begrijpen hoe het er aan toegaat in de wereld, vergeet zo'n mens zichzelf, vergeet hoe hij, in goddelijk opzicht, heet. Zo durft hij niet langer op zichzelf te vertrouwen, vindt het gewaagd zichzelf te zijn, vindt het veel gemakkelijker en veiliger te zijn zoals de anderen, een na-aper te worden, nummer te worden, mee opgenomen in de massa. [...] Ze gebruiken hun talenten, verzamelen geld, doen wereldse zaken, maken slimme berekeningen, etc. etc., worden misschien vermeld in geschiedenisboeken, maar zichzelf zijn ze niet. Ze hebben, naar de geest beschouwd, geen zelf, geen zelf waarvoor ze alles kunnen wagen, geen zelf voor God -- hoe zelfzuchtig ze verder ook mogen zijn.'


Maar, waarschuwt Kierkegaard: 'Hoewel er nu in de geesteloosheid geen angst is, omdat met de geest ook de angst is uitgesloten, is de angst er toch, alleen wacht ze.' De angst wacht, verborgen voor het bewustzijn. Maar zodra dit individu op een of andere wijze met een crisis wordt geconfronteerd die zijn vermeende zekerheden aantast, dan zal die weggestopte angst als in een explosie zich manifesteren. Depressies, paniek, ressentiment, gevoelens van onmacht of agressie, kunnen dan algauw mateloos zijn.


In de tweede helft van de twintigste eeuw, een honderd jaar na het werk van Kierkegaard, wordt dit fenomeen van de geesteloosheid die de angst moet buitensluiten ook waargenomen door psychologen als Rollo May, Erich Fromm, Ronald Laing en filosofen als Herbert Marcuse en Alan Watts.


Wat na de verschrikkingen en vernietiging van twee wereldoorlogen een 'gezonde samenleving' (Erich Fromm) had moeten worden met individuen die juist hun geest willen ontwikkelen, zichzelf durven zijn, weloverwogen eigen keuzes maken, medemensen en natuur liefhebben, en hun creatieve vermogens gebruiken om hun bestaan betekenisvol en hun samenleving harmonieus te laten zijn, is niet zo. 'Tot nu toe hebben we gefaald', zo constateert Fromm in 1955. Hij en de anderen zien dat mensen vooral bang zijn zichzelf te zijn en zich eerder gedragen als zich almaar aanpassende robots dan als zelfstandige mensen. Hun eigenwaarde wordt niet bepaald door wie men is, maar door wat men heeft in termen van succes en sociaal prestige. De persoonlijke waarde is een marktwaarde geworden; de eigenwaarde meer gerelateerd aan hoeveel je verdient dan aan je vermogen om lief te hebben, te denken en creatief te zijn. De korte route naar dit succes is de aanpassing aan 'wat men vindt', en de eigen leegte -- en de daarmee gepaard gaande angst -- zo goed mogelijk te negeren met behulp van consumptie en entertainment. Totdat dat niet meer kan, en de angst als een tikkende tijdbom explodeert.


Tegelijkertijd ontstaat er in diezelfde tijd een tegenbeweging van een tegencultuur. Het is een cultuur van protest; de revolte van jongeren, de beatgeneration die zich gedragen weten door een levensgevoel dat zich verzet tegen de bestaande sociale normen en autoriteiten, en tegen de bestaande geesteloosheid, en tegen de bestaande politiek en economie. Het is een levenswijze welke de filosofie van het existentialisme verwelkomt om de eigen angst niet langer te ontkennen maar juist te benoemen, en zo ernaar streeft zo authentiek mogelijk zichzelf te zijn. Onvermijdelijk gaat dat ook gepaard met het cultiveren van een narcisme en hedonisme (Christopher Lasch).


Het protest tegen de maatschappij komt onder meer tot uiting in films als Invasion of the Body Snatchers uit 1956, naar het gelijknamige sciencefiction-verhaal van Jack Finney dat een jaar eerder verscheen. In het verhaal wordt planeet Aarde overmeesterd door buitenaardse wezens die van slapende mensen lichaam en brein overnemen. Deze nieuwe wezens in de gedaante van een mens zijn niets anders dan lege hulsels; poppen zonder enige emotie en eigen persoonlijkheid. De film is zo populair dat er in 1978 en 1993 nieuwe versies van worden uitgebracht.


Het meest luide protest -- letterlijk en figuurlijk -- tegen het tijdperk van de angst klinkt in de wereld van de rockmuziek. Pete Seeger en Bob Dylan worden de troubadours van de beatgeneration; The Doors, Pink Floyd en de Patti Smith Group laten zich eind jaren zestig, begin jaren zeventig met hun tegengeluid horen. Het sentiment in die tijd wordt op prachtige wijze vertolkt in 1979 door Elvis Costello met de song van Nick Lowe Peace, Love and Understanding, met daarin de strofes:


As I walk through

This wicked world

Searchin' for light in the darkness of insanity

I ask myself

Is all hope lost?

Is there only pain and hatred, and misery?

[...]

And as I walked on

Through troubled times

My spirit gets so downhearted sometimes

So where are the strong

And who are the trusted?

And where is the harmony?

Sweet harmony


In 1981 verenigen David Bowie en Queen hun creatieve krachten en compo­neren gezamenlijk een lied dat tijdloos zal worden, omdat het op een briljante wijze de tijdgeest van het tijdperk van de angst verklankt: Under Pressure. Terwijl David Bowie en Freddy Mercury zingen: It's the terror of knowing / What this world is about [...] Insanity laughs under pressure we're cracking, toont de begeleidende videobeelden van een geestloze massa, explosies, ineenstortende gebouwen en bruggen, gehypnotiseerde individuen, armoede, werkloosheid, protesten, wandelende skeletten en angstaanjagende wezens. In klank, woord en beeld: dit is het tijdperk van de angst!


Apocalypse now? Causes of anxiety in our age.

Zoals de periode tussen de twee wereldoorlogen het interbellum wordt genoemd, zo mogen we de periode tussen 9 november 1989 en 15 september 2008 het interanxietas noemen. Op de eerste datum valt de Berlijnse Muur en komt er een einde aan de Koude Oorlog en het communisme in Europa. Nagenoeg de gehele westerse wereld raakt ervan overtuigd dat vanaf nu voor de gehele wereld de toekomst aan het liberalisme, kapitalisme en de democratie zal zijn. Er volgt een economische bloeiperiode, tot aan die tweede datum: 15 september 2008. Op die dag moet de Lehman Brothers Bank met een belegd vermogen van ca. 600 miljard dollar zijn faillissement aanvragen. Het is het begin van het einde van het globalisme, het einde van een blind vertrouwen in de financiële machten, en het markeert de opkomst van wat het 'populisme' is gaan heten. Een kleine twintig jaar beleefde het Westen een soort van reprise van de roaring twenties, leek de angst verdwenen -- totdat de paniek uitbreekt en een nieuw tijdperk van de angst aanbreekt.


De laatste stelling wordt overigens niet door iedereen gedeeld. Het meest prominent is president Donald Trump. Op de jaarlijkse bijeenkomst in Davos van alle machtigen, rijken en allen die daar graag bij willen horen, houdt op 21 januari 2020 president Trump zijn gewillige gehoor voor dat er helemaal geen nieuw tijdperk van de angst is. Integendeel:


'America is thriving, America is flourishing, and yes, America is winning again like never before. [...] This is not a time for pessimism; this is a time for optimism. Fear and doubt is not a good thought process because this is a time for tremendous hope and joy and optimistic action. But to embrace the possibilities of tomorrow, we must reject the perennial prophets of doom and their predictions of the Apocalypse.'


De vermaarde Amerikaanse wetenschapper Steven Pinker, een man die in bijna alles de tegenpool van Trump is, is het in dit opzicht helemaal met zijn president eens. In zijn boek Enlightenment Now (2018) trekt ook Pinker ten strijde tegen alle 'prophets of doom', omdat in zoveel opzichten (armoede, honger, ziekten, oorlogsgeweld) het nooit zo goed is gegaan. Pinker is ervan overtuigd dat met 'science, technology and money' de mensheid alle toekomstige uitdagingen aankan.


Overal waar men zich bezighoudt met innovatie, Sillicon Valley voorop, is de overtuiging van Pinker gemeengoed: mens en wereld zijn in elk opzicht maakbaar en er kan geen probleem zijn waar -- in ieder geval op termijn -- wetenschap en technologie dankzij beschikbare middelen geen oplossing voor zullen bieden. Echter, precies één dag na de lofzang van president Trump op Amerika en de ondernemende geest vol optimisme, maakt het internationaal geres­pecteerde Bulletin of the Atomic Scientists van onder andere dertien Nobelprijswinnaars bekend dat zij hun Doomsday Clock hebben vooruit gezet naar 100 seconden voor middernacht. Op deze wijze geven zij uiting aan hoe acuut de dreiging is van een nucleaire holocaust en een klimaatcatastrofe. Als de mensheid niets verandert wacht er een apocalyps en wel zonder het vooruitzicht van een nieuw Jeruzalem, zoals in het laatste Bijbelboek.


Exact zeven weken later maakt de directeur-generaal van de World Health Organization, Dr. Tedros Adhanom Ghebreyesus, melding van het feit dat met de verspreiding van het nieuwe coronavirus, dat de ziekte covid-19 veroorzaakt, er nu sprake is van een pandemie. En het is net alsof toch nog onverwacht nu al apocalyptische tijden aanbreken: de mensheid, geconfron­teerd met een onzichtbare, dodelijke vijand, in de greep van een doodsangst.


En er waren al zo veel rode lichten die dit nieuwe tijdperk van de angst kenmerken. Door technologische ontwikkelingen zal er geen enkele vorm van privacy - een elementair gegeven van vrijheid - blijven bestaan en hebben al dan niet onzichtbare machten een volledige controle over ons leven. Algoritmen bepalen (beter: manipuleren) de informatie die we krijgen en een nieuwe generatie robots kan voor massale werkloosheid zorgen. De dystopie van de film The Matrix (1999), die niet veel verschilt van Invasion of the Body Snatchers met als schrikbeeld dat mensen hun eigen persoonlijkheid kwijtraken, is geleidelijk aan steeds meer science en steeds minder fiction. Angstverschijnselen als depressie, burn-out en stress nemen epidemische vormen aan. Jaarlijks overlijden in een 'vreedzaam land' als de VS 50.000 mensen door wapengeweld, sterven er elke dag 177 mensen aan een overdosis en is suïcide de tweede doodsoorzaak onder jongeren.


Het is geen toeval dat veertig jaren na dato Francis Ford Coppola opnieuw zijn film Apocalypse Now uitbrengt en Sam Mendes furore maakt met zijn even aangrijpende film 1917. Beide films verbeelden op een briljante wijze de waanzin en de angst.


In zijn klassieker The Meaning of Anxiety (1950) waarschuwt de psycho­loog Rollo May om signalen die de angst afgeeft altijd serieus te nemen en nooit te negeren en weg te stoppen. Alleen zo kunnen de oorzaken worden gevonden en op hun realiteitswaarde worden getoetst, opdat we de angst kunnen overwinnen en de bestaande bedreigingen ongedaan maken.


'Ooit waren mensen slaaf, nu worden ze ongemerkt robots'


Is technologie, net als de doos van Pandora, een bedreiging en oorzaak van angst? Heidegger meende van wel. Voor hem kan er geen twijfel bestaan dat als het filosofische denken plaats moet maken voor het berekenende technologische denken, technologie onze wereld zal vernietigen. Ooit waren mensen slaaf, nu worden ze ongemerkt robots en gereduceerd tot een functie van de technologie. Het ontembare verlangen om de natuur de baas te worden en de obsessie met economisch gewin zullen de natuur kapot maken. Zie de atoombom; zie de klimaatcrisis, zie de Matrix. Maar als dit alles zo is, is het dan onvermijdelijk of is er wel een denkbaar alternatief? Zo ja, wat dan?


Niet lang na de Eerste Wereldoorlog, waarmee het eerste tijdperk van de angst begint, is er in 1929 in Davos een beroemd geworden filosofische discussie tussen de toen nog jonge Heidegger en de al oude joodse filosoof Ernst Cassirer als onderdeel van de Davoser Hochschulkurse in het statige Grand Hotel Belvédère over de aloude vraag: Wat is de mens? De inzet van het duel is niets minder dan wat Kierkegaard nog als een vermoeden uitsprak: heeft ons wereldbeeld, ons Europese beschavingsideaal waaraan wij de waarden ontlenen die het leven zin geven en waardoor wij met elkaar in vrijheid kunnen samen-leven, heeft dat nog een fundament of is dat weg en zal zo ook ons beschavingsideaal verdwijnen?


Heidegger die met zijn in 1927 gepubliceerde Sein und Zeit voor tal van intellectuelen de moderne filosoof bij uitstek is, stelt in navolging van Nietzsche:


'Nee, er is geen fundament! Wat als fundament moet doorgaan - de tradi­tionele metafysica met haar transcendente waarden - dat is schijn. Er is slechts dat naakte bestaan, mensen zijn gedoemd tot vrijheid en zullen de moed moeten opbrengen om hun angst te omhelzen en meer authentiek te zijn.'


'Ja,' antwoordt Cassirer, 'er is wel een fundament, er moet ook een funda­ment zijn, en dat is wat kunst, cultuur, Bildung ons bieden. Daar vinden we de geestelijke waarden en zo ons vermogen om ons zelf te overwinnen opdat we meer zijn dan wat we ook zijn: dierlijke wezens. Zonder dit metafysisch-culturele fundament kunnen we niet vrij zijn en zal een liberale democratie ook niet kunnen blijven bestaan.'


Cassirer laat er hoffelijk maar duidelijk geen misverstand over bestaan dat de filosofie van zijn hooggeleerde opponent altijd zal leiden tot fatalisme, irrationalisme en een gevaarlijke politieke mystiek kan oproepen. Echter, in de ogen van de aanwezigen onder wie Emmanuel Levinas, verliest Cassirer het debat. De oude Jood is niet van deze tijd. Heeft de Eerste Wereldoorlog niet onomstotelijk het gelijk van Heidegger aangetoond? Er zijn geen essen­ties, er is alleen dat naakte bestaan en de angst, het niets, en onze vrijheid.


Alle filosofie heeft politieke consequenties, want uiteindelijk is politiek niets anders dan de maatschappelijke weergave van de wereld van de ideeën. Zo is het een maatschappelijk feit geworden dat het hedendaagse liberalisme zonder het metafysisch fundament dat Cassirer verdedigde, geërodeerd is tot niets meer dan de politieke verdediging van mensenrechten en de economie van de vrije markt.



Nancy Pelosi en Joe Biden


Kan de liberale democratie zoals wij die na de Tweede Wereldoorlog in het Westen zijn gaan koesteren, blijven bestaan indien de liberale instituties die het fundament van onze democratie zijn, zelf geen fundament meer hebben? Dit omdat het bestaan van absolute morele en geestelijke waarden wordt ontkent en de vraag naar de zin van het leven als maatschappelijk irrelevant wordt beschouwd want een individuele aangelegenheid? Alle politieke ontwikkelingen in dit nieuwe tijdperk van de angst wijzen op een negatief antwoord. Want wat is de reden dat in steeds meer landen massaal de voorkeur wordt gegeven aan 'de sterke man' en 'eigen volk eerst'? Welke angst drijft deze mensen? Vanwaar de weerzin tegen het bestaande liberalisme?


Twee prominente liberale politici in de VS, Joe Biden en Nancy Pelosi, zijn beiden van mening dat, had Donald Trump in november 2020 opnieuw de presidentsverkiezingen gewonnen, dat het karakter van Amerika voorgoed zou hebben veranderd. Van de leidende liberale democratie zal, zo vrezen zij, Amerika de leidende antiliberale democratische natie worden. En als dat zo is, wat zijn daarvan dan de geopolitieke gevolgen? Zal de 'eigen volk eerst'-politiek de angst voor 'the clash of civilisations' aanwakkeren, of zal het juist de angstgevoelens bij de eigen bevolking wegnemen en meer gemeenschapszin stichten? Uiteraard met uitsluiting van allen die niet tot die gemeenschap kunnen worden gerekend. En hoe kan het dat het liberalisme, ooit een bron van hoop en vrijheid, nu bij een groot deel van de massa juist de angst voor de vrijheid versterkt?


Met het kapitalisme is iets soortgelijks aan de hand. Tot aan de grote recessie van 2008 werd het geglobaliseerde kapitalisme algemeen geaccepteerd als het enige economische model dat de welvaart van de volkeren dient en alle mensen van armoede zal verlossen. Steeds minder mensen zijn daar nu nog van overtuigd. Bij hen overheerst de angst dat het 'Wall Street-kapitalisme' als de dominante economische ideologie alleen maar de sociale ongelijk­heid, de economische onzekerheid en de klimaatcrisis zal vergroten. En dat altijd weer gevolgd door nog meer ressentiment, nog meer xenofobie, nog meer angst en wanhoop. Maar wat is het alternatief dat zowel welvaart als welzijn voor iedereen mogelijk maakt, en welke politiek is bij machte dat te realiseren?


De generatie millennials lijkt het meest kwetsbaar te zijn voor de angsten die ons tijdperk teisteren. Zij althans zijn zich van hun eigen angsten bewust, in tegenstelling tot degenen die Kierkegaard omschreef als 'succesvolle, aangepaste zelfzuchtigen die hun angsten diep hebben weggeborgen'.


Opgegroeid met de fantasiewereld van de Disney-films en het mantra Hakuna Matata, en tot de jaren des onderscheids komend met The Matrix, komen zij juist 'Under Pressure' als we worden geconfronteerd met wat Queen en Bowie zingen:


It's the terror of knowing / what the world is about / watching some good friends / screaming: let me out!


Wat Hermann Hesse in 1927 in zijn roman Steppenwolf schreef, geldt in hoge mate ook voor de millennials: 'Er zijn tijden waarin de gehele generatie klem raakt tussen twee tijden, twee wijzen van leven, met als gevolg dat voor hen het vermogen zichzelf te begrijpen, de bestaande moraal, geborgenheid en onschuld verloren gaan.'


De wereld waarin zij opgroeien is bureaucratisch, technocratisch en amoreel. Ze worden geconfronteerd met studieschulden, onbetaalbare woningen, constante stress om te presteren en vaak genoeg zich te moeten aanpassen aan de uniformiteit van een geestloze organisatie. De sociale media (een perfecte contradictio in terminis) heeft de angst niet genoeg ge-liked te worden opgeroepen. Met de klimaatveranderingen op komst ziet het er eerder naar uit dat hun 'sunny bright future' er een zal zijn van een genade­loos brandende zon in de woestijn. En met Elvis Costello zullen zij terecht zich de vraag stellen: 'So where are the strong? And who are the trusted?', omdat ze maar al te goed beseffen dat het tijdperk van de angst waarin zij moeten leven, het gevolg is van zowel de besluiten als de besluiteloosheid van de bestaande elites. Waarom hebben de elites, die met de kennis van twee wereldoorlogen zoveel beter hadden moeten weten, in plaats van de oorzaken van de angst weg te nemen, blind voor de gevolgen, die alleen maar laten bestaan?


Ook al is dit dan ook het tijdperk van de selfies, de belangrijkste vraag die zij dagelijks in hun eigen spiegel zien, is de vraag naar hun eigen identiteit: Wie ben ik? Wanneer ben ik mezelf? Wat zal nu mijn leven zinvol maken?


De waarden, tradities en politieke ideologieën die hun ouders en groot­ouders nog vormden, bestaan niet meer. Zij zijn te zeer gecorrumpeerd en ongeloofwaardig geworden. Is het dan toch het door Nietzsche voorspelde nihilisme de oorzaak dat op de meest existentiële vragen, de noodkreet van het menselijk hart, zoveel jongeren in plaats van een antwoord depressies krijgen, en zichzelf of anderen gaan doden?


Apocalyps, afgeleid van het Griekse woord apokalypsis, betekent open­baring. Wat openbaren de angsten opgeroepen door de pandemie van het coronavirus over ons menselijk wezen en ons wereldbeeld?


Amor mundi. How to end the age of anxiety?

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, in de winters van 1915/16 en 1916/17, verzorgde prof. dr. Sigmund Freud op zaterdagavonden aan de universiteit van Wenen zijn openbare colleges Inleiding in de psychoanalyse. Algauw worden deze lezingen van de grondlegger van een geheel nieuwe wetenschap enorm populair. Het is voor iedereen een zware tijd en de behoefte aan inzicht in wie de mens is en waar de mens toe in staat is, is groter dan ooit. En Freud is de geboren docent. Hij spreekt rustig, zijn betoog is helder, en hij laat geen facet van de menselijke psyche onbesproken.


In zijn negende college over 'droomcensuur' -- het feit dat we zelfs in onze dromen onze meest aanstootgevende verlangens kunnen verdringen -- gaat hij ook nader in op de illusie als zouden de meeste mensen deugen. Wat Freud betreft is dat gebeuzel alleen serieus genomen door naïevelingen die zich hebben bekwaamd in de kop in het zand te steken. Freud:


'Misschien [...] trekt u zich terug op het argument dat het toch onwaarschijnlijk is dat men het kwaad in de menselijke constitutie zo grote plaats moet toekennen. Maar geven uw eigen ervaringen u het recht om dat te zeggen? [...] Weet u niet dat alle transgressies en uitspattingen waarover wij 's nachts dromen, elke dag opnieuw door wakkere mensen werkelijk als misdrijven worden begaan? En wendt u het oog nu af van het individuele, om het op de grote oorlog te richten die nog steeds Europa verwoestend in de greep heeft, denkt u eens aan de extreme bruutheid, wreedheid en leugenachtigheid die thans in de beschaafde wereld opgang mogen maken? Gelooft u echt dat zo een handvol gewetenloze strebers en verleiders gelukt zou zijn al deze boze geesten te ontketenen, als de miljoenen volgelingen niet medeschuldig waren?'


Het kwaad bestaat, wil Freud maar duidelijk maken, en de angst voor het kwaad is meer dan gerechtvaardigd. De vraag is alleen hoe daarmee om te gaan.


Een jaar later in het volgende wintersemester verzorgt Freud twee colleges over angst, want: 'Het staat vast dat het angstprobleem een knoop­punt is waarin de meest uiteenlopende en gewichtige vragen samenkomen, een raadsel waarvan de oplossing overvloedig licht zou moeten werpen op ons gehele zielenleven.' En met ons zielenleven, zo mogen we toevoegen, ook een licht op de wereld waarin wij leven, want uiteindelijk zijn wij met elkaar die wereld.


De angst in het tijdperk van de angst is de angst voor het bestaan: de vrees voor het niets; de idee dat je zelf niets voorstelt; dat deze wereld je niets te bieden heeft of juist dat je bestaan bedreigt wordt door alle kwade krachten in de wereld.


Dit tijdperk van de angst zal echter alleen ten einde komen indien we de wereld weer kunnen liefhebben: amor mundi. Dat zal echter alleen geschieden als we eerst weer ons zelf leren kennen en een zin in ons bestaan ontdekken. Alleen dan zal de chaos te vermijden zijn van een maatschappij vol van losse individuen, zonder een gemeenschappelijk moreel fundament, regelmatig overspoeld door angstaanvallen. De paradox, aldus zowel Freud als Kierkegaard, is dat je daarom juist de angst niet mag negeren. Je moet je er niet door laten beheersen, maar je mag het ook niet negeren. Je moet de angst in je greep zien te krijgen door er de confrontatie mee aan te gaan.


Ons tijdperk van de angst kenmerkt zich echter onder meer door massale ontkenning van de angst; het escapisme in materieel succes, het opgaan in de massa, amusement, drugs, lawaai... Heidegger drukt het nog pregnanter uit: 'De grootste angst is de angst voor het denken'. Denken, zelfbewustzijn is altijd je ook bewust zijn van je angsten, onzekerheden, de dood. En zoals Tolstoj de brave bureaucraat Ivan Iljitsj laat ontdekken: pas op zijn sterfbed, zo onverwacht getroffen door kanker, realiseert hij zich dat, omdat hij zich altijd braaf heeft aangepast aan wat familie en collega's van hem verwachtten, omdat hij altijd gericht was op de volgende carrièrestap en het nooit een probleem vond om te leven zoals het hoort, namelijk aangenaam en correct, dat om dit alles zijn hele leven niets anders is geweest dan een reusachtige leugen waarin alles wat zogenaamd belangrijk is, niet echt blijkt te zijn. Te veel krachten in de politiek, media en commercie hebben onmiskenbaar een groot belang bij de instandhouding van deze gedachteloze, geestloze massamaatschappij. Dus hoe kan de ontkenning van de angst ongedaan worden gemaakt opdat de angst echt overwonnen kan worden?


'Waaraan ontleent dit bestaan zijn waarde?'


Freud detecteert nog een gevaar waardoor de angst verborgen blijft en zo nooit overwonnen kan worden: religie. Religie is voor Freud niets anders dan de presentatie van een illusie, een relict uit de kindertijd van de mens­heid zonder enig waarheidsgehalte. Überhaupt moet Freud niets hebben van wereldbeschouwingen. Of ze nu religieus, filosofisch of politiek gekleurd zijn, je wordt er niets wijzer van. Wat hem betreft is het hebben van een wereldbeschouwing te vergelijken met: 'Als de wandelaar zingt in het donker, loochent hij dat hij bang is, maar hij ziet er geen zier helderder om.' Volgens Freud kan alleen de wetenschap waarheid bieden. Al is die waarheid over jezelf en je bestaan soms pijnlijk en biedt ze nooit troost, het is de enige echte kennis die mensen de kracht kan geven niet onder hun angsten te blijven lijden en zelf iets van hun leven te maken. Dat Carl Jung, ooit zijn meest geliefde discipel, zijn eigen psychologie wel weer gaat verbinden met godsbeelden en zo in de ogen van Freud zijn psychoanalyse reduceert tot een soort van semi-religieuze therapie, acht Freud onvergeeflijk. Psychotherapie is wat Freud betreft sowieso een handeling die te vaak en te veel het narcisme bij patiënten activeert, of ze blij maakt met het 'ik ben OK, jij bent OK', in plaats van ze de waarheid te vertellen.


Niet bang zijn, de confrontatie met de angst aangaan, weten dat je over­geleverd bent aan de totale vrijheid, want er bestaan geen richtinggevende essenties, dat is de filosofie van het existentialisme dat in de twintigste eeuw, het eerste tijdperk van de angst, furore maakt. Maar waaraan ontleent dit bestaan dan zijn waarde? Als die er niet is, waarom zou je dan blijven leven en geen suïcide plegen? En hoe komt het dat twee van de beroemdste existentialistische filosofen, Heidegger en Sartre, beiden niet de verleiding konden weerstaan om zelf aanhanger te worden van totalitaire politiek, respectievelijk nazisme en stalinisme? Twee politieke religies geboren uit de angst voor de vrijheid!


Misschien valt er meer te leren van de beatgeneration die in de tweede helft van de twintigste eeuw op hun eigen wijze het tijdperk van de angst wilde bestrijden.


Allereerst door creativiteit. Zij lieten een nieuwe cultuur bloeien vol van poëzie, muziek, schilderkunst, films, literatuur. De kunsten als de beste wijze om een betekenisvol iets te scheppen en alle mogelijkheden ver voorbij het bestaande te verkennen. Onze maatschappij (en daarmee ons onderwijs) hecht echter meer aan innovatie dan aan creatie, meer aan economie dan aan cultuur, meer aan kunstmatige intelligentie dan aan het leven van de geest.


Ten tweede door liefde. Het is geen toeval dat het refrein van Elvis Costello's lied is: 'What's so funny about peace, love and understanding?' En het is evenmin toeval dat in de laatste strofe van Under Pressure wordt gezongen:


Can't we give ourselves one more chance?

Why can't we give love one more chance?

Why can't we give love give love give love?

Give love give love give love give love give love

Cause love is such an old fashioned word

And love dares you to care

For people on the edge of the night

And love dares you to change our way

Of caring about ourselves

This is our last dance


Tja, waarom niet? Waarom lijkt het vermogen om lief te hebben en zo de angst uit te bannen als een soort van alchemie die helaas maar weinigen echt weten te beoefenen? Is het de angst die het onmogelijk maakt?


Ten slotte, en niet verrassend ondanks de tegenwerpingen van Freud, is er een ware opleving van spiritualiteit bij deze beatgeneration. Het boek The Courage to Be van de theoloog Paul Tillich werd vrijwel onmiddellijk na publicatie in 1955 een klassieker. Tillich beschrijft het tijdperk van de angst; bespreekt de relevantie van de existentialistische filosofie en alle nieuwe kunst om mensen de ogen te openen voor de werkelijkheid waarin zij leven, en hij betoogt dat de voornaamste oorzaak van de twintigste-eeuwse angst de alom ervaren betekenisloosheid is en dat is niets anders dan het gevolg van de dood van God de eeuw daarvoor... Deze God, zo vervolgt hij, is niets anders dan een bij conservatieven geliefd godsbeeld van de Autoritaire Alwetende Almachtige Tovenaar -- die steeds minder zijn toverkunsten laat zien. De angst, aldus Tillich, kan alleen overwonnen worden als iedereen weer moed heeft, dat wil zeggen, durft te vertrouwen dat er een transcendente morele macht is waarvoor wij de moed moeten hebben die op aarde werkelijkheid te laten zijn.

Dat was ook de boodschap, precies een jaar eerder, van een dominee die tot een van de helden van de twintigste eeuw mag worden gerekend: Dr. Martin Luther King. Op 28 februari 1954 houdt hij een preek in Detroit en daarin vertelt hij het volgende:


'I want you to think with me this morning from the subject: rediscovering lost values. Rediscovering lost values. There is something wrong with our world, something fundamentally and basically wrong. [...] The trouble isn't so much that we don't know enough. The trouble isn't so much that our scientific genius lags behind, but our moral genius lags behind.


The great problem facing modern man is that, that the means by which we live, have outdistanced the spiritual ends for which we live. So we find ourselves caught in a messed-up world. The problem with man himself and man's soul. We haven't learned how to be just and honest and kind and true and loving. And that's the basis of our problem. [...]


This is a moral universe. It hinges on moral foundations. If we are to make of this a better world, we've got to go back and rediscover that precious value that we've left behind. All reality has spiritual control. In other words, we've to go back and rediscover the principle that there is a God behind the process.'


Maar kan geloof, eenmaal verloren, ooit weer herwonnen worden? In onze seculiere wereld zullen we veel ontvankelijker zijn voor de raad van de zoon van een dominee, Kierkegaard, die ons voorhoudt: 'Men meent dat de wereld een republiek nodig heeft en men meent een nieuwe maatschappelijke orde nodig te hebben, en een nieuwe religie. Maar niemand bedenkt dat juist deze door veel kennis in de war gebrachte wereld een Socrates nodig heeft.'


Dat zal zeker zo zijn. Maar waar is die nieuwe Socrates? En hoeveel invloed kan hij of zij hebben als de oude Socrates dankzij het cultureel analfabetisme al nauwelijks meer wordt gekend?


In ons pogen dit tijdperk van de angst te beëindigen voordat het te laat is, is het wellicht het meest praktisch om te beginnen met gehoor te geven aan de raad welke een groot staatsman gaf in de donkerste dagen van het eerste tijdperk van de angst. Op 4 maart 1933 houdt president Franklin D. Roosevelt zijn eerste inaugurele rede welke hij begint met de even eenvoudige als wijze raad: 'The only thing we have to fear is... fear itself.'


Dit zou een begin kunnen zijn deze wereld weer lief te hebben door ons te verzetten tegen alle politiek en machten die ons alleen maar bang willen maken. En vervolgens kunnen we dan die grote vragen stellen: Wie ben ik? Wat maakt mijn leven de moeite van het leven waard? Hoe maken we de bedreigingen ongedaan en overwinnen we de angst van dit tijdperk?


'Op eenvoudige vragen bestaan geen eenvoudige antwoorden', schreef Albert Camus al in Le mythe de Sisyphe, zijn eigen zoektocht naar de zin van het leven. Maar dat mag geen reden zijn om al deze vragen niet te stellen. Want al wordt het leven er dan moeilijker door, het wordt er ook betekenisvoller door. En is dat niet de eerste stap naar een nieuw tijdperk zonder angst?


Top





Waarom Jan Jambon als leider een risicopatiënt is


Een analyse van Bart Eeckhout


De Morgen



Vlaams minister-president Jan Jambon op de extra ministerraad van dinsdag.

Beeld Belga


Ook in deze dramatische tweede coronagolf slaan de regionale ­regeringen een belabberd figuur.

In Vlaanderen wordt dat voor de leidende partij N-VA stilaan een flink probleem,

schrijft hoofdredacteur Bart Eeckhout in zijn blik op de politieke week.


Een mens zou het haast vergeten, maar op een bepaald moment is de binnenlandse aanpak van het coronavirus wel degelijk succesvol geweest. Dat gebeurde toen, eind juli, een lichte lockdown een vroege tweede opstoot van het virus in Antwerpen en omgeving vrij snel de kop in kon drukken. De lof voor het nemen van die zwaarwichtige beslissing komt Antwerps gouverneur Cathy Berx (CD&V) toe. De ingreep pakte goed uit. Ze was dan ook snel, kordaat en geografisch gericht.


Helaas trokken politiek én een ruim deel van het publiek er de verkeerde conclusie uit. Want, zo luidde het, als het in Antwerpen uiteindelijk allemaal wel meeviel, waarom zijn dan al die noodgrepen nodig? Dat juist dankzij de noodgrepen een grotere ramp vermeden werd, bleef buiten beeld. Ziedaar de ‘preventieparadox’: wie tijdig handelt, neemt zo de noodzaak weg waarom er tijdig gehandeld dient te worden.


Het is die verraderlijke preventie­paradox die de vorige federale regering ertoe verleidde de beschermingsregels te vlot te versoepelen. Niet alleen de regering-Wilmès faalde. In juli drongen Franstalige politici stoer aan op kordaat ingrijpen in de besmettingshaard Antwerpen. Toen de cijfers aan het eind van de zomer eerst in Brussel en later ook in Luik diep in het rood gingen, werd er niet meer gepiept. De kans om opnieuw gericht in te grijpen werd glansrijk gemist.


Dus ja, de N-VA heeft op dit punt gelijk: de Brusselse en Franstalige regeringen dragen een zeer zware verantwoordelijkheid. Tegelijk ligt hier ook de coronaknoop waar de N-VA zelf mee worstelt. De Vlaamse regering doet het geen greintje beter.


Juist de leidende N-VA is telkens weer de rem op doortastend beleid. Voor een Vlaams-nationalistische partij is dat een ronduit gênante vertoning. Juist nu een regionale regering haar meerwaarde zou kunnen bewijzen, blijkt ze nog zwakker voor de dag te komen dan de Belgische overheid. Als resultaat van vijftig jaar streven naar autonomie is dat beschamend.


De brand­metafoor van minister-president Jan Jambon is pijnlijk illustratief. Liever dan met voorzienig beleid politiek en moreel leiderschap te tonen, eiste de minister-president het recht op om even passief te mogen reageren als de anderen.


Steeds meer blijkt Jan Jambon als regeringsleider een risicopatiënt. In de Wetstraat wordt hij geprezen om zijn collegiale aanpak, maar de voorbeelden stapelen zich op van de gevaren met hem in de cockpit. Het grootste probleem lijkt de, wel ja, grote mond te zijn, die hem ertoe verleidt telkens weer uitspraken te doen die in het ­beste geval ‘ongelukkig’ zijn en soms simpelweg onwaar.


UITSCHUIVERS

Het lijstje incidenten loopt aardig op. Van de onbestaande ‘dansende moslims’ en het onbestaande schriftje met geheime afspraken over een grote staatshervorming gaat het naar minachting voor het Vlaams Parlement in deze regeerperiode: “De cijfers liggen op mijn bureau, maar ik ga ze niet geven.” Zelfs deze week miste Jambon de kans om zijn jammerlijke ‘brand’-uitspraak terug te trekken. Een nieuwe uitschuiver op de radio volgde: “Het is ofwel te laat, ofwel te vroeg. Het is altijd iets.”


Gebrek aan bestuurskracht, zoals in de zaak-Chovanec, doet de kritiek nog feller oplaaien. Zelfs de Vlaams-nationale nieuwssite Doorbraak ruikt onraad. In een scherp commentaarstuk maakte Doorbraak eind augustus al melding van interne onvrede over Jambon. “Zijn eerste aanwerving was zijn oude kok van op Binnenlandse Zaken”, schrijft de hoofdredacteur. “Andere Vlaamse cabinetards ergeren zich dood aan de bourgondische cultuur ‘met een ander werk­ethos dan we op het Vlaamse niveau gewoon zijn’.” Jan Jambon komt zelf uit de Vlaamse beweging.


De kans dat N-VA-voorzitter Bart De Wever boegbeeld Jambon vervangt (door zichzelf) lijkt vrijwel onbestaand. De afgang zou totaal zijn. Ook voor De Wever zelf, die in de verkiezingscampagne plechtig beloofde dat hij minister-president zou worden als het kon... en daar vervolgens aan verzaakte.


In de aanpak van de coronacrisis zou een positiewissel weinig uitmaken. Bart De Wever steekt inmiddels wel de pluim van de Antwerpse lockdown op de eigen hoed, in feite is hij een frisse tegenstander van de voorzichtige coronalijn. Telkens weer daalt het crisisbesef te laat in bij de N-VA-top. Het lijkt wel de Brusselse regering.


“Niet te begrijpen”, noemde De Wever nog maar twee weken geleden de beslissing om de restaurants te sluiten. Het was een echo van wat Vlaams minister Zuhal Demir eerder in ware oppositiestijl had getweet, en van wat de brede partijtop later suggereerde:

N-VA wilde de horeca wel openhouden, maar het mocht niet van de Open Vld van premier De Croo.


Hier komt het coronaprobleem van de N-VA bloot te liggen. Er is een denkfout, intussen door zowat elke econoom bevestigd: je spaart de economie niet door te lang te wachten met doortastende maatregelen. Integendeel, dat een nog zoveel schadelijkere lockdown steeds onvermijdelijker wordt, is het rechtstreekse gevolg van de aarzeling.


BELGISCHE EENHEID

Nog altijd denkt de N-VA daarnaast dat ze succesjes kan boeken door vanuit de regering permanent campagne te voeren, ook tegen de eigen coalitiepartners. Met de horeca­stand­punten werd Open Vld geviseerd, zoals overigens Vlaams Belang na de eerste golf ook al deed met een fake-news­campagne tegen De Croo. De boemerang keerde snel terug. Op dit cruciale moment, waarop het hele gezondheidssysteem op inklappen staat, kan het landsbestuur dit soort tactieken er even niet bij hebben.


Voor de N-VA is dat mogelijk een existentieel probleem. Meewerken aan Belgische eenheid, voor een Vlaams-nationalistische partij ligt dat lastig. Ook dat is niet nieuw. Na de aanslagen van maart 2016 stuurde toenmalig minister-president Geert Bourgeois zijn kat naar het nationale herdenkings­moment van alle regeringen. Bourgeois hield liever een eigen herdenking. De uitnodiging voor de nationale bijeenkomst was zogezegd verloren gegaan in de post.


Top





Hoe politici én experts moesten buigen voor de feiten


Een essay van Joël De Ceulaer


Joël De Ceulaer - De Morgen



In het voorjaar moesten experts zoals Erika Vlieghe en Marc Van Ranst elke dag tekst en uitleg geven,

omdat ministers dat niet wilden of durfden. Jan Jambon, en enkele andere politici met hem,

leken niet te begrijpen wat er aan de hand was.

Beeld DM


En zo kan er weer een hardnekkig cliché in de vuilnisemmer: het idee dat politici alleen maar op de korte termijn kunnen en willen denken, omdat ze constant bezig zijn met de volgende verkiezingen, en zelden met de volgende decennia – laat staan eeuwen. Het is een argument dat in het klimaatdebat soms opduikt. De democratie is niet geschikt om de catastrofe af te wenden die in de loop van deze eeuw misschien op ons afkomt.


Zou kunnen. Maar de coronacrisis bewijst dat politici zelfs op de ultrakórte termijn niet in staat zijn om een catastrofe af te wenden. Wat velen vrezen in het klimaatdebat, geldt met stellige zekerheid in het coronadebat: gepaste maatregelen komen altijd te laat. Wie dat nu nog betwist, heeft niet goed opgelet. Waar wekenlang voor werd gewaarschuwd, is werkelijkheid geworden: de tweede golf is erger dan de eerste. De ezel heeft zich niet alleen aan dezelfde steen gestoten, hij heeft dat zelfs met meer overgave gedaan.


Een eerste, simpele verklaring voor dit rampzalige beleid klinkt verwaand en ongepast, maar is daarom niet minder correct. Veel van onze beleidsmakers zijn wetenschappelijk ongeletterd. Concreet, in dit geval: ze missen de intellectuele verbeeldingskracht om in een heel zachtjes stijgende curve alvast de voorbode van een nieuwe explosie te zien. Ze begrijpen niet écht dat en hoe een exponentiële curve plots kan escaleren. Gevraagd waarom hij niet strenger optrad, antwoordde Vlaams minister-president Jan Jambon onlangs dat hij toch ook het verkeer niet stillegt om alle verkeersongevallen te vermijden. Sommige van zijn adviseurs vinden dat misschien een slimme opmerking, maar de vergelijking gaat totaal niet op. Verkeersongevallen zijn niet besmettelijk. Mochten ze dat ineens wel worden, en bijvoorbeeld om de twee weken verdubbelen in aantal, dan zou een tijdelijke lockdown van het autoverkeer een buitengewoon goed idee zijn.


Afgelopen zondag, in De zevende dag, maakte Jambon een vergelijking die zo mogelijk getuigde van nog minder inzicht in de situatie. Op de vraag of Vlaanderen geen strengere maatregelen moest nemen, zoals Brussel en Wallonië dat al hadden gedaan, reageerde hij lichtjes gepikeerd met de opmerking dat hij zijn huis toch ook niet begint te blussen vóór het in brand staat. Dat was niet alleen een foute voorstelling van de feiten – want Vlaanderen stond vorige zondag alláng in brand –, het was ook nog eens een verkeerde redenering. Bij een brand kun je nooit te vroeg blussen. Als de friteuse in brand staat, is het beter om de vlammen meteen al te doven, voor de keuken, de woonkamer en een minuut later de rest van het huis in lichterlaaie staat. Jambon verloor kostbare tijd.


Pas dinsdagavond, onder grote druk van de gouverneurs en omdat het dak van het huis begon te kraken onder het sloopwerk van de vlammen, zou hij naar de spuit grijpen. Alleen bleek het uiteindelijk een waterpistool. Een onmiddellijke lockdown was toen al aan de orde.


GEZOCHT: KIEZERS

Omdat het nu eenmaal de waarheid is, getuigt het niet van oneerbiedigheid te zeggen dat minister-president Jambon, en sommige andere politici met hem, gewoon niet leken te begrijpen wat er aan de hand was. Dat is, tragisch genoeg, uiteraard geoorloofd in een democratie. Het is een van de vele gebreken van ons systeem, dat – zoals Churchill wist – het minst slechte is om een land te besturen. In een democratie hoef je als politicus niet slim of wetenschappelijk geletterd te zijn. In een democratie bestuur je bij de gratie van een meerderheid van de verkozenen des volks. En verkozen raken vergt retorisch talent, overtuigingskracht en eventueel wat charisma – ja, ook intelligentie kan helpen, maar is geen must. Verkiezingen zijn een populariteitstoets, geen academisch examen.


Daarin schuilt meteen de tweede verklaring voor het gefaalde coronabeleid: electorale behaagzucht. Dat gold voor de nalatige reacties van de vorige federale regering, dat gold voor het wekenlange gesukkel in Brussel, dat geldt ook voor de opstelling van de N-VA in deze kwestie: Jambon, maar ook zijn partijgenoot en Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts, hebben er alles aan gedaan om de ‘hardwerkende Vlaming’ toch maar niet te ontrieven. Dat is, laten we daar niet flauw over doen, óók een van de redenen waarom Weyts de scholen volledig wilde openhouden, ook al was in de draaiboeken voorzien dat de tweede en derde graad van het secundair onderwijs bij Code Oranje en Code Rood zouden overschakelen naar deeltijds afstandsonderwijs. Als kinderen de hele dag thuis zijn, ontstaat bij sommige ouders een opvangprobleem en lopen ze bij andere ouders, die thuis kunnen werken, een beetje in de weg. Scholen zijn er voor het welzijn van de kinderen, maar in deze crisis ook voor het comfort van ouders en economie. Minister van Onderwijs Ben Weyts weigerde de herfstvakantie te vervroegen, omdat zulks allemaal “niet in een vingerknip” kan worden geregeld. Maar ziekenhuizen worden wel verondersteld om in een vingerknip averij te voorkomen.


Hoe dramatisch ook, het blijven, voor alle duidelijkheid, politieke keuzes die perfect legitiem kunnen zijn. De burger die nu woedend en wanhopig is, kan – als hij tegen die tijd nog leeft – zijn of haar afkeuring over vier jaar laten blijken in het stemhokje. Maar tot die tijd nemen alle regeringen, gesteund door een meerderheid in hun parlementen, de beslissingen die zij geschikt en noodzakelijk achten. Zo werkt de democratie. Virologen en epidemiologen mogen het met die beslissingen oneens zijn, maar ze moeten hun plaats kennen. De wetenschappers kunnen slechts adviseren, het is de politiek die beslist. Al moest de politiek deze week buigen voor de harde feiten.


GEZOCHT: WAARHEID

Voor wie zowel de democratie als de wetenschap genegen is, zijn het barre maar ook boeiende tijden. De relatie tussen politici en experts heeft de voorbije maanden zowat alle stadia doorlopen – van veel te innige verstrengeling tot regelrechte botsing. De recente kanteling in die relatie is in dat opzicht veelzeggend: bij het begin van de crisis verscholen politici zich achter de experts, vervolgens werden die experts door politici opzijgezet, vandaag hangt het af van politicus tot politicus. Op het federale niveau is het duidelijk dat minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke de experts volgt – hij snapt wat er aan de hand is. Op Vlaams niveau hebben experts nog lang gebotst met het beleid: zo lieten infectiologe Erika Vlieghe en viroloog Marc Van Ranst na het optreden van Jambon in De zevende dag meteen verstaan dat het huis wel degelijk brandde.


Het goede nieuws is dat zowel Vandenbroucke als Weyts zelf naar de tv-studio’s trekken om hun beleid te verdedigen. Dat hoort zo en verdient respect. Niemand wil terug naar het voorjaar, toen journaals en duidingsprogramma’s elke dag Van Ranst of een van zijn collega’s moesten uitnodigen voor wat tekst en uitleg, omdat de bevoegde ministers niet wilden of durfden komen. Dat was zeer ongezond, omdat het wetenschappers in een rol duwde die niet de hunne is. Met als triest dieptepunt: de saga van de mondmaskers, die volgens experts weinig of geen nut hadden, en een vals gevoel van veiligheid boden. Een leugentje om bestwil, weten we nu, dat werd geïnspireerd door het nijpende tekort. Men wilde te allen prijze een stormloop op de medische mondmaskers voorkomen, omdat de zorg dan in grote problemen zou zijn gekomen. Terwijl men perfect meteen het gebruik van sjaal, bandana of stoffen masker had kunnen aanbevelen.


Over die mondmaskers zijn al veel krantenpagina’s gevuld, maar het is een kwestie die nog lang zal nazinderen. Dat politici de waarheid soms in de gewenste richting kneden, is bekend. Bij democratie hoort demagogie. Dat is ingecalculeerd, daar zal geen enkele kiezer van schrikken. Maar in de wetenschap is dat geheel uit den boze. Wetenschappers worden geacht altijd naar eer en geweten de waarheid te spreken. Dat is hun missie in het leven: de grenzeloze onwetendheid die zich als een oceaan voor ons uitstrekt, om het met Isaac Newton te zeggen, millimeter per millimeter droogleggen en zo steeds meer inzicht te verkrijgen in de werking van de werkelijkheid. En dat inzicht op een correcte en integere manier delen met de samenleving, die hen daarvoor betaalt.


Dat experts dinsdag toch de Vlaamse regering verdedigden – Marc Van Ranst op VTM en Geert Molenberghs op de VRT –, hoewel ze vast óók vonden dat het te weinig en te laat was, deed even denken aan de politiek-wetenschappelijke verstrengeling van het voorjaar. Maar ook de experts moesten snel buigen voor de feiten.


HET DOEL EN DE WEG

Wat voor corona geldt, geldt uiteraard voor heel wat andere thema’s. Neem nog eens het klimaat. Ook daarover liggen wetenschap en politiek vaak op ramkoers. Alleen wordt de juiste aard van die botsing soms verkeerd begrepen. Het is niet zo – wat je vaak leest – dat klimaatwetenschappers precies weten wat het beleid moet doen om het klimaat te redden. Het is te zeggen: ze weten dat in grote lijnen, maar niet in detail. Ze kennen een deel van de waarheid, maar dat wil niet zeggen dat het beleid geen keuzes heeft.



Federaal minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke volgde meteen de experts – hij snapt wat er gaande is.

Beeld Belga


Concreet. Wetenschappers weten dat het klimaat opwarmt en dat de menselijke uitstoot van broeikasgassen daarvoor verantwoordelijk is. Dat is de wetenschappelijke waarheid zoals die vandaag bekend is. Het is een consensus onder duizenden onderzoekers. Ja, er bestaan nog dissidenten. Maar die mogen we niet meer ernstig nemen. Voor de leek, ook voor andere wetenschappers die buiten het bewuste vakgebied staan, is het aangewezen om die consensus te volgen. Dat heeft filosoof Maarten Boudry onlangs helder uitgelegd in zijn eerste college in het kader van de leerstoel Etienne Vermeersch aan de UGent. In een opiniestuk op Knack.be noteerde hij het als volgt: ‘Als kritische leek kun je best wat kaf van het koren scheiden, als je logisch nadenkt en goede bronnen gebruikt. Maar wanneer experts een brede consensus bereiken binnen hun eigen domein, moet je al van erg ver komen om daar tegen op te tornen, en blijf je als collega uit een ander vakgebied beter zeer terughoudend.’


The science is settled, zoals dat heet. De vraag is nu: kunnen klimaatwetenschappers een rol spelen bij het bepalen van het beleid? Ja, maar in beperkte mate. Ze kunnen het grote, uiteindelijke doel formuleren, maar niet noodzakelijk de weg ernaartoe. Het grote doel is helder: als onze uitstoot het probleem veroorzaakt en we het probleem graag willen oplossen, zullen we minder broeikasgassen moeten uitstoten of de broeikasgassen uit de atmosfeer halen. Maar daarmee is de kous niet af. De vraag is: hóé gaan we dat doen? Er is de weg van de ecologisten, die willen dat we het met minder leren doen, inclusief een economische krimp, en dat we de harmonie van mens en natuur herstellen. En er is de weg van de ecomodernisten, die juist geloven dat alleen meer welvaart en innovatie ons kan redden, en die willen dat de mens zich ‘ontkoppelt’ van de natuur, door veel minder beslag te leggen op de beperkte ruimte die de planeet te bieden heeft.


Een belangrijke twistappel in dit debat is die over kernenergie. Doordat ecologisten het klimaat willen redden én van oudsher tegen kernenergie zijn, verkeren sommigen in de overtuiging dat kerncentrales broeikasgassen uitstoten. Wat uiteraard niet klopt. Het is haast omgekeerd: bij de sluiting van de kerncentrales hoort de bouw van gascentrales, als back-up voor de wisselvalligheid van hernieuwbare energie. En gascentrales stoten wél CO2 uit. Die keuze is politiek en dus verdedigbaar.


Het zijn niet de klimatologen die als het ware kunnen bewijzen dat we per se kerncentrales moeten inzetten.


Klimaatexperts vertellen ons het probleem, de oorzaak en de finale remedie. De weg daarnaartoe is politiek. Ziedaar de kloof tussen wetenschap en democratie. Om het met filosoof Patrick Loobuyck te zeggen, ook op Knack.be: ‘Politieke keuzes zijn niet neutraal en volgen nooit zomaar uit de wetenschappelijke feiten. Wetenschappers kunnen alleen de mogelijkheden zichtbaar maken en informeren over de gevolgen van keuzes.’


Dat betekent dat politici wetenschappelijke adviezen ook in de wind kunnen slaan. En wachten tot het huis in brand staat alvorens te blussen. In de hoop dat de kiezer daar op dit moment toch niet van wakker ligt. Of – zie: electorale behaagzucht – uit vrees dat de noodzakelijke maatregelen de kiezer, welja, zullen ontrieven. Om het met een bekende oneliner van Bruno Tobback te zeggen: soms weten politici perfect wat ze moeten doen, maar weten ze niet meer hoe ze daarna ooit nog verkozen moeten raken.


EVEN GEEN SAMENLEVING

Terug naar het vreselijke virus. Het wetenschappelijke en politieke debat daarover is tegelijk complexer én eenvoudiger dan dat over het klimaat. Het is complexer omdat Sars-Cov-2 een nieuw virus is dat wetenschappers de voorbije maanden in sneltempo hebben moeten bestuderen en ontcijferen. Voor twijfel en onzekerheid kwam steeds meer inzicht in de plaats. Wetenschappelijke vooruitgang is in hoge mate het elimineren van onbekenden. Stap voor stap, stukje bij beetje. In normale omstandigheden gaat dat relatief langzaam en bedachtzaam. Nu moest het allemaal razendsnel gebeuren. Heel wat wetenschappelijke papers werden al publiek gemaakt vóór ze aan de noodzakelijke peerreview waren onderworpen – in de wetenschap oordelen je peers, je gelijken, of je artikel volgens de regels van de kunst is tot stand gekomen.


De onbekenden zijn nog altijd talrijk. Covid-19 is dodelijker dan de seizoensgriep, dat weten we zeker. Mondmaskers helpen, dat wisten we eigenlijk allang, maar nu handelen we er ook naar. Over de belangrijkste wegen waarlangs het virus wordt doorgegeven, bestaat nog discussie. Maar ook daar evolueren de geesten. Zo lijken niet alleen spuug en druppeltjes van de medemens te vermijden, maar ook de adem. Het wordt gaandeweg steeds duidelijker dat het virus airborne is, zoals dat heet. Het hangt in de lucht. In een slecht geventileerde ruimte waar mensen urenlang zitten te ademen, helpt het niet om afstand te houden. Zeker niet als zich in die ruimte iemand bevindt die erg veel virus uitstoot, misschien zonder het te weten, bij gebrek aan symptomen.


Dat maakt het debat complexer dan dat over het klimaat. The science is not settled yet. Er zijn nog altijd onbekenden en onzekerheden. Maar wat simpeler is dan bij het klimaat, is het advies dat virologen kunnen geven. De klimaatwetenschapper kan het debat tussen ecologisme en ecomodernisme niet beslechten. Dat is aan de politiek. Virologen kunnen daarentegen wel met zekerheid zeggen wat we moeten doen om de verspreiding van het virus een halt toe te roepen: fysiek zo veel mogelijk uit elkaars buurt blijven. Dan kan het virus niet van de ene naar de andere springen. Opgelost. En wat de wetenschappelijke onbekenden in het verhaal betreft, heeft deze crisis ons ook iets cruciaals geleerd: het is meestal beter om veilig te spelen en uit te gaan van het worstcasescenario. Weet je nog niet of het virus wordt verspreid door patiënten zonder symptomen? Ga daar dan toch alvast maar van uit. Weet je nog niet zeker of het virus in de lucht blijft hangen? Ga daar dan toch alvast maar van uit. Maak een slimme risicoanalyse en kies het zekere voor het onzekere. Neem maatregelen waar je later geen spijt van kunt krijgen.


Bij een lockdown wordt de ‘samenleving’ even opgeschort. Dat is keihard en staat haaks op de menselijke natuur, maar is wel goed om de verdere verspreiding van het virus af te remmen: als we elkaar niet ontmoeten, kunnen we elkaar niet besmetten. Wie niet besmet raakt, wordt niet ziek. Wie niet ziek wordt, hoeft niet naar het ziekenhuis en kan ook niet aan Covid-19 overlijden. Experts waren er dit voorjaar snel in geslaagd politici daarvan te overtuigen, en zo geschiedde. Tot het weer fout liep.


SCHOLEN EN CIJFERS

De voorjaarslockdown werkte, maar veroorzaakte ook veel nevenschade – voor kinderen die achterstand opliepen of thuis in gevaar kwamen, voor mensen die hun job verloren, voor ondernemers die hun levenswerk zagen kapseizen. De maatschappelijke druk om snel weer te versoepelen – van winkels tot horeca en uitgebreide persoonlijke ‘bubbels’ – werd deze zomer zo groot dat onze politici zich niet meer achter de virologen verstopten, maar hen opzijduwden. De klus leek geklaard, het advies om tussen elke versoepeling twee weken te wachten – om de effecten ervan te kunnen zien in de cijfers – werd in de wind geslagen. Gaandeweg werd de weigering om nog naar ‘de experts’ te luisteren als zo schofferend ervaren dat die experts een ‘zwijgstaking’ organiseerden – onder het motto: als politici niet luisteren, dan moeten ze het ook zélf uitleggen.


Bij het aantreden van de nieuwe federale regering werd het respect voor de experts in ere hersteld, maar met de Vlaamse regering bleven de spanningen zich opstapelen. In het zogenoemde overlegcomité verzette Jan Jambon zich tegen de sluiting van de horeca, die Frank Vandenbroucke en premier Alexander De Croo er toch doorduwden. De opening van de scholen, een Vlaamse bevoegdheid, werd doorgevoerd onder voorbehoud van een eventuele overschakeling naar Code Oranje of Rood, waarbij de hogere graden in het secundair deeltijds afstandsonderwijs zouden krijgen. Over de prioriteit van onderwijs, boven alle andere sectoren in de samenleving, was iedereen het wel eens – inclusief de experts, die ons verzekerden dat scholen niet ‘de motor’ van deze epidemie zijn, zoals dat bij de seizoensgriep juist wel het geval is.


Toch bestaat er nog altijd geen internationale consensus over de rol van kinderen. Zeker kinderen ouder dan 12 zouden het virus wellicht even vlot oppikken en doorgeven als volwassenen – maar dan meestal zonder symptomen, wat het probleem in hoge mate onzichtbaar maakt. Nu de herfstvakantie wordt verlengd, onder zware druk van nieuwe cijfers die de virologen hebben aangereikt, rijst de vraag of we niet een beetje té hard werden gerustgesteld over dat onderwijs. Hebben experts de rol van kinderen een klein beetje geminimaliseerd, omdat het onderwijs nu eenmaal te belangrijk is? Als dat ooit aan het licht komt, zou dat het vertrouwen in onze experts – na de gemasseerde communicatie over mondmaskers – een nieuwe knauw geven.



Geert Meyfroidt was de man die Vlaanderen wees op een artikel in ‘The Lancet’ over de impact van het openen van scholen.

Beeld VTM NIEUWS


Zo is het buitengewoon zorgwekkend dat intensivist Geert Meyfroidt de man moest zijn die Vlaanderen – afgelopen maandag in De afspraak – wees op een artikel in The Lancet, gebaseerd op gegevens uit 131 landen, waaruit blijkt dat de impact van het openen van scholen op de zogenoemde R-waarde ‘significant’ is.


Wie op Twitter een paar degelijke internationale experts volgt, kende die studie al enkele dagen. Wie naar Hans-Willem Snoeck, immunoloog aan de Columbia University in New York, had geluisterd, rook ook allang onraad. Het moet een les zijn voor de media: kijk wat vaker naar internationale experts. Luister niet alleen naar de viroloog onder uw kerktoren. De wetenschap kent, net zoals een virus, geen landsgrenzen.


Even zorgwekkend is het dat scholen zogezegd eerst ‘geen rol’ spelen – ja, dat kinderen zelfs ‘veiliger’ zouden zijn in de school dan daarbuiten – maar dat nu ineens die langere herfstvakantie zal helpen om de transmissieketen te doorbreken. Begrijpe wie kan.


Nu de crisis volkomen onbeheersbaar is geworden, valt te hopen dat de waarheid over alle adviezen en beslissingen ooit aan het licht komt. Wij hebben het recht te weten wie op welk moment welke inschatting heeft gemaakt. Voor sommige wetenschappers zal dat confronterend zijn. Voor sommige journalisten, die misschien te vaak te snel het officiële verhaal hebben geloofd, evenzeer. Voor sommige politici kan het de weg naar de uitgang betekenen – de kans dat N-VA-voorzitter Bart De Wever zijn minister-president Jan Jambon een nieuwe ambtstermijn gunt als dat in 2024 mogelijk is, smelt weg als sneeuw naast een brandend huis.


HET GEDRAG VAN BETON

Een paar losse bedenkingen tot slot. De ene wetenschapstak is de andere niet. Als de overheid een brug bouwt en een ingenieursbureau de opdracht geeft om berekeningen te maken over draagkracht, constructie en materialen – dan wordt het resultaat zelden in twijfel getrokken en al helemaal niet bediscussieerd in tv-studio’s. Tenzij de brug instort vanwege een menselijke fout, maar dat gebeurt niet vaak. Aan het andere eind van de cijfermatige zekerheid staat onder meer de criminologie – het is veel makkelijker om berekeningen te maken voor een brug dan om een efficiënt strafbeleid met de kleinste kans op recidive uit te stippelen. En dat komt niet doordat ingenieurs slimmer zijn dan criminologen, maar doordat het gedrag van beton veel gemakkelijker te beschrijven en voorspellen is dan het gedrag van mensen.


Bij het bestrijden van een pandemie – zoveel is ook wel duidelijk – hebben we niet alleen virologen nodig, maar ook psychologen en pedagogen en economen. Het is één ding om te willen dat mensen elkaar niet meer ontmoeten, het is iets anders om hen daarvan te overtuigen. Met de dooddoener ‘gezond verstand’ lossen we dat vraagstuk zeker niet op – al zal de discussie onder psychologen hierover groter zijn dan die onder virologen over het virus. Ook duidelijk is dat er meer aandacht moet komen voor de zwakkeren onder ons, die het zwaarste te lijden hebben tijdens een lockdown. Alleen: het is even helder dat vroeger ingrijpen véél leed had voorkomen. Ook dat is iets wat brandweerlui beter weten dan politici: hoe langer je wacht met blussen, hoe groter de schade. Ook de nevenschade.


Vandaag kraken onze ziekenhuizen. Dat is het gevolg van politieke keuzes.


Top





N-VA schuift ‘huisideoloog’ Joren Vermeersch aan de kant

‘Er is maar één ideoloog in de partij’


N-VA heeft haar ‘huisideoloog’ Joren Vermeersch op een zijspoor geplaatst. Door het aangekondigde vertrek van Jean-Marie Dedecker belandt hij echter straks gewoon in het parlement. Intussen is hij aan de slag bij oud-staatssecretaris Theo Francken.


Stavros Kelepouris en Roel Wauters - De Morgen



Beeld Damon De Backer


“Ik lijd aan een parlementaire depressie.” Kamerlid Jean-Marie Dedecker is het beu. “Als volksvertegenwoordiger in de meerderheid ben je klapvee voor de regering. En in de oppositie plas je tegen de wind in en heb je niks te zeggen.” In een interview met Krant van West-Vlaanderen kondigt Dedecker een vroegtijdige exit uit het parlement aan, al ligt de datum nog niet vast.


Zijn opvolger staat al klaar: Joren Vermeersch. Afgelopen zomer werd hij binnengehaald op de studiedienst van N-VA, in de media liet hij zich omschrijven als de nieuwe ‘huisideoloog’. Lang heeft die samenwerking niet geduurd. Officieel staat Vermeersch nog onder contract, maar in de feiten is hij al sinds september op een zijspoor beland, bevestigen meerdere bronnen. 


Het plan dat hij de plaats zou innemen van Dedecker lag al langer klaar. Nog voor de verkiezingen van 2019 vernam De Morgen dat Dedecker niet van zin was een eventueel parlementair mandaat volledig uit te zitten. In ruil voor het lijstduwerschap eiste hij van N-VA dat zijn poulain en voormalig medewerker Joren Vermeersch als eerste opvolger op de lijst zou staan. 


ERGERNIS BINNEN PARTIJTOP

Vermeersch wordt straks dus meteen opgevist in het parlement, al ontkent Dedecker dat zijn nakende exit in verband staat met het feit dat Vermeersch opzijgeschoven is. Vermeersch zelf wil over de hele zaak niks kwijt. “Ik heb instructie gekregen om geen verklaringen af te leggen”, zegt hij aan de telefoon. “Ik ben nog steeds ideologisch adviseur, ik ben niet ontslagen.”


Binnen de partijtop was ergernis ontstaan over het label van ‘partij-ideoloog’ dat Vermeersch zich liet welgevallen. “Toen dat zo in de media verscheen, is er wel even gezegd: oeioei, zo gaan we toch niet beginnen? Er is maar één ideoloog in de partij, en dat is Bart De Wever”, zegt een betrokkene.


Ook de columns die hij sinds deze zomer schreef voor De Standaard vielen in slechte aarde. Bronnen binnen de partij omschrijven Vermeersch als ‘vrijdenker’, maar ook ‘scherpslijper’: hij provoceert graag, formuleert ideeën op en over het randje, maar spreekt niet namens de partij. Door de sirenenzang van de media was hij een uithangbord geworden dat de partij niet van hem wou maken. “Joren was een dankbare schietschijf geworden”, klinkt het bij een zwaargewicht.


Vermeersch werd daarom op het matje geroepen en voor de keuze geplaatst: stoppen met zijn columns en publieke optredens of zijn job op de studiedienst behouden. Vermeersch weigerde in te binden, waarna de absolute partijtop hem aan de kant schoof. 


MEDEWERKER THEO FRANCKEN

In afwachting van zijn parlementair mandaat heeft Vermeersch elders onderdak gevonden. Hij is inhoudelijk medewerker van Kamerlid en ex-staatssecretaris Theo Francken. De twee kennen elkaar. Vermeersch schreef samen met Francken verschillende boeken over migratie en was in het verleden al zijn medewerker.


Omdat hij nog steeds betaald wordt door de partij en niet officieel als medewerker is aangesteld, heeft Vermeersch weliswaar geen bureau in de Kamer. Dedecker: “Hij werkt dus maar op mijn bureau, het asielcentrum van de vrijdenkers.”


Het opzijschuiven van Vermeersch is tekenend voor de interne strijd over de lijn die de partij moet aanhouden. Profileert de partij zich als centrumpartij om het electoraat van CD&V en Open Vld in te palmen? Of moet N-VA meer op rechts de grenzen aftasten om kiezers van Vlaams Belang te overtuigen? Nu de partij federaal in de oppositie beland is, wil ze zich duidelijk onderscheiden van het geroep van Vlaams Belang en PVDA – maar tegelijk wil ze wel fors oppositie voeren. N-VA worstelt met de zoektocht naar het juiste evenwicht. Vermeersch behoort duidelijk tot de rechtsere strekking. Ideologisch valt hij te situeren in het kamp van Francken, Dedecker, maar ook andere parlementsleden zoals Koen Metsu. 


Top





Opvolging Dedecker legt sluimerend conflict bij N-VA bloot


Jean-Marie Dedecker ruimt in de Kamer plaats voor zijn poulain Joren Vermeersch, adviseur ideologie bij de N-VA. Voor vrijbuiter Vermeersch, die ook dicht bij Theo Francken staat, was op het partijhoofdkwartier geen toekomst meer.


Matthias Verbergt - De Standaard



‘Als parlementslid ben ik niet meer gelukkig. De verplaatsing naar Brussel is een belasting geworden. (...) Het is een nutteloze stiel geworden. (...) Er wordt toch geen rekening gehouden met de stem van de kiezer. Het is bijna een straf om parlementslid te zijn. Ik ben ontgoocheld in onze democratie.’ In een interview met de Krant van West-Vlaanderen oordeelt Kamerlid Jean-Marie Dedecker andermaal vernietigend over de politiek.


In één adem bekrachtigt de 68-jarige Dedecker wat al even gefluisterd maar niet bevestigd werd: dat hij vroegtijdig plaats ruimt voor zijn poulain Joren Vermeersch (39). De eerste opvolgersplaats voor de huidige adviseur ideologie bij de N-VA was Dedeckers eis toen hij bij de verkiezingen in 2019 door de partijtop gevraagd werd om als onafhankelijke de West-Vlaamse Kamerlijst te duwen. Die zet, tegen de wil van een deel van de partij in, moest onder meer Vlaams Belang afhouden.



Joren Vermeersch. Foto: Brecht Van Maele


De wissel is nog niet voor meteen. Eerst wil Dedecker nog contacten opbouwen met de ministers uit de nieuwe regering, in het belang van zijn gemeente Middelkerke. Die korte afstand tot de macht ‘is nog het enige voordeel aan ­Brussel’, zegt Dedecker aan De Standaard. ‘We bouwen aan een nieuw casino en gemeentehuis en een vernieuwde zeedijk, we leggen wegen aan.’ En in 2022 organiseert Middelkerke het BK veldrijden. Dat wil Dedecker laten doorgaan op militair domein.


‘Nieuwe partijideoloog’

Voor Vermeersch gebeurt de opvolging wel best zo snel mogelijk. Zijn positie op het partijhoofdkwartier van de N-VA is immers erg precair, vernam De Standaard. Vermeersch werd in augustus adviseur ideologie bij de studiedienst van de N-VA, op aansturen van kopstuk Theo Francken. Vermeersch was jarenlang parlementair en later kabinetsmedewerker van Francken, met wie hij samen twee boeken over migratie schreef. Francken had Vermeersch op zijn beurt in 2010 weggeplukt bij zijn goede vriend Jean-Marie Dedecker.


Afgelopen zomer werd Vermeersch in verschillende uitgebreide interviews, waaronder in De Standaard, aangekondigd als de nieuwe ideoloog van de partij. Hoewel Vermeersch telkens benadrukte in eigen naam te spreken, begon de relatie met de partijtop zo meteen onder een slecht gesternte. ‘Onze enige partijideoloog is Bart De Wever’, zegt een partijkopstuk.


In september werd Vermeersch vaste columnist van deze krant, zonder dat hij daarvoor het formele fiat van de partij had gekregen. Zijn columns zouden als het partijstandpunt overkomen, vreesde de N-VA. Bij de strak geleide partij wordt van elke mandataris overleg verwacht over de inhoud van externe communicatie. ‘Parlements­leden klaagden dat hun opiniestukken wel via het hoofdkwartier moesten passeren, en die van een medewerker van de studiedienst niet’, zegt een N-VA’er.


Je job of je column

Volgens onze informatie liet Piet De Zaeger, algemeen directeur van de N-VA, Vermeersch de keuze: zijn job op het partijhoofdkwartier of zijn column in deze krant. De liberale vrijbuiter in Vermeersch botste met de centralistische partij en Vermeersch bond niet in. De jurist en historicus kan altijd terug naar zijn vroegere job bij de Raad voor Vreemde­lingenbetwistingen. Hoewel Vermeersch formeel zijn titel behield, werd hij naar de Kamerfractie gestuurd.


Daar werkt Vermeersch nu voor Dedecker en Francken, die hem zijn blijven steunen. ‘Joren werkt op mijn bureau’, zegt Dedecker. ‘Bij de studiedienst van de N-VA durven ze hem niet te ontslaan, uit vrees voor imagoschade. Ze hebben hem wel verboden om nog interviews te geven. En hij was niet welkom bij de overige medewerkers van de N-VA-Kamerfractie.’


Dat laatste wordt bij de fractie ontkend. Francken en ook Vermeersch zelf weigerden commentaar te geven en de partijwoordvoerders van de N-VA waren niet ­bereikbaar voor een reactie.


‘Door koppigheid aan beide kanten is het conflict met de partijtop nog steeds niet uitgepraat’, zegt een ingewijde. De partij zou nog steeds aan een regeling werken. Door de aankondiging van het nationaal politiek pensioen van Dedecker is er nu een oplossing in zicht, al heeft zijn beslissing niets met de situatie van Vermeersch te maken, verzekert Dedecker.


In elk geval krijgt de rechterflank van de partij, vertegenwoordigd door Francken, er binnen afzienbare tijd in de Kamer een dichte medestander bij. Vermeersch vindt dat de N-VA nog sterker moet inzetten op het thema migratie, een strategie waarover discussie bestaat binnen de partij.


In interviews spreekt Vermeersch over de ‘positieve kanten’ van de kolonisatie, de ‘morele ­superioriteit van de westerse beschaving’ en het christendom als ‘de grootste emancipatiemachine in de geschiedenis van Europa’. Met het vertrek van de onafhankelijke Dedecker krijgt de N-VA er dan wel een Kamerzetel bij, de geest en ook het rebelse karakter van Dedecker zijn daarmee niet weg.


Top





Waarom Groen niet voor Kristof Calvo koos

(en hij dat had kunnen zien aankomen)


Dat Groen-kopstuk Kristof Calvo toch geen minister werd, lijkt minder de afrekening met één persoon dan het voorlopig eindpunt van een malaise die Groen al anderhalf jaar verdeelt en binnenskamers kon houden. Tot nu.


Walter Pauli en Simon Demeulemeester  - Knack



Van links naar rechts: Tinne Van der Straeten, Meyrem Almaci, Kristof Calvo, Björn Rzoska, Petra De Sutter, Filip Watteeuw.


'Ik smeek jullie', zo kruidt Kristof Calvo een van zijn vele interventies in de nacht van 30 september op 1 oktober. De ochtend begint haast te gloren in Hotel NH Gent Belfort, en na de leden van de parlementaire fracties van Groen gaan ook de afgevaardigden van de Politieke Raad (het hoogste beslissingsorgaan in de partij, bestaande uit geëngageerde vrijwilligers) na urenlang debatteren de laatste rechte lijn in voor de aanwijzing van de ministers van Groen in de regering-De Croo.


De regeringsdeelname heeft uren daarvoor al 'groen licht' gekregen van het partijcongres. Maar daarna is het echte drama pas begonnen: de bevoegde Groen-instanties moeten nog de ministers aanwijzen. De hele avond - correctie: de hele nacht lang - hebben vier kandidaten de partijinstanties van Groen proberen te overtuigen om voor hen te kiezen. Federaal fractieleider Kristof Calvo heeft gevochten voor wat hij waard is.


Meer dan de anderen nog probeert hij in die ultieme stemtest de achterban ervan te overtuigen dat hij de meest geschikte, of in elk geval een noodzakelijke naam is als minister. En daarvoor gooit hij alle argumenten in de strijd, ook emotionele. In talloze discussies op en naast het podium en in en buiten de zaal gebruikt hij argumenten als: 'De hele pers noemt mij als minister. Jullie kunnen dit niet maken.' Als de leden van de Politieke Raad de verschillende kandidaten uiteindelijk vragen wat ze zullen doen als ze niet gekozen zouden worden, zeggen drie van de vier dat ze zullen verder werken zoals ze al doen. Kristof Calvo niet: 'Dit stelt heel mijn politieke leven ter discussie.'


Het baat niet. Calvo moet de kelk tot de bodem ledigen. Nadat hij er eerst niet in is geslaagd om een meerderheid van zijn collega's uit de parlementaire fracties achter zijn kandidatuur te scharen (hij blijft steken op 12 van de 25 stemmen), haalt hij ook geen meerderheid bij de leden van de Politieke Raad van Groen, dat zijn het vijftigtal afgevaardigden van the rank and file van Groen. Die stemming is naar verluidt erg nipt. Calvo's medestanders verwijten hun partijgenoten woordelijk 'een politiek moord'. Meyrem Almaci is voor hen kop van Jut. Maar ook Niel Staes, de voorzitter van de Politieke Raad, krijgt de wind van voren. Een aanwezige: 'De sfeer was geladen. Voor het eerst in bijna twintig jaar krijgt Groen weer federale ministers. Wat een feest had moeten zijn, is uitgedraaid op een nachtelijke vergadering die is geëindigd in een bedrukte stemming. Toen wist ik: dit wordt heavy shit.'


De hele pers noemt mij als minister. Jullie kunnen dit niet maken.

Kristof Calvo


Inderdaad belandt Groen in het oog van een storm die nog niet is gaan liggen. Het narratief van het drama wordt in de eerste dagen van oktober geschreven. Kristof Calvo geeft in een aantal persinterventies zelf de aanzetten tot de belangrijkste verhaallijnen. Hij mag dan het pleit verloren hebben voor zijn eigen partijinstanties, hij haalt de dag erop meteen een klinkende overwinning in de publieke opinie. Op donderdag 1 oktober komen de Kamerleden samen, wegens corona bij grote uitzondering in het Europees Parlement, voor het investituurdebat van de regering-De Croo. Daar sprak Kristof Calvo als fractieleider van de ecologisten zijn steun uit voor het Vivaldi-project en de groene ministers. Hij deed dat in een zorgvuldig opgebouwde toespraak. 'Het was niet mijn ambitie om hier te staan', stak hij emotioneel, zelfs ietwat dramatisch van wal. Vanuit dat dieptepunt - even houdt de Kamer de adem in: Calvo zou deze tribune toch niet gebruiken om zijn exit aan te kondigen? - klimt hij omhoog. Zijn vurige pleidooi werd beloond met een minutenlange staande ovatie van de meerderheidspartijen. Theo Francken (N-VA) noemde zijn ergste tegenstander 'een groot politicus'.


Vervolgens is het niet moeilijk voor Wetstraatjournalisten om het hele scenario te reconstrueren: partijvoorzitter Meyrem Almaci en goudhaantje Kristof Calvo konden al langer niet door één deur. Almaci gebruikte het advies van een door haarzelf aangesteld trio (dat haar zou adviseren om kandidaat-ministers voor te dragen aan de partij) om Calvo als minister te liquideren en zo de meest bekende en populaire groene politicus van het land zijn verdiende en alom verwachte promotie door de neus te boren. Het klinkt allemaal hoogst plausibel.


Maar wat is er écht gebeurd tijdens 'de nacht van Calvo'? Waarom stemde Groen haar goudhaantje weg? En dat niet één, maar twee keer? Waarom werden Europarlementslid Petra De Sutter en Kamerlid Tinne Vanderstraeten voorgesteld? Waarom liet Almaci zich adviseren door een trio? Knack zocht en vond antwoorden op een aantal nog niet gestelde vragen.


Clanoorlog

Wat vorige week gebeurde, is niet uit de lucht komen vallen. Het conflict heeft wortels die al meer dan een jaar oud zijn. Een kopstuk zucht: 'Het probleem zit veel dieper dan het op het eerste gezicht lijkt. Dit gaat niet om Calvo, maar om Groen. Al meer dan een jaar ettert een persoonlijk conflict tussen voorzitter Almaci en Kamerfractieleider Calvo. Tot nu toe heeft Groen dat conflict eigenlijk zo goed als helemaal kunnen afschermen van de buitenwereld.' Dat klopt. Almaci en Calvo waren de twee kopstukken tijdens de verkiezingscampagne van 2019. Als journalisten al eens berichten van interne wrijvingen konden opvangen, dan eerder van andere kopstuken versus dat duo, omdat ze al te veel in de schaduw ervan moesten blijven. Toch hadden en hebben Almaci en Calvo allebei hun clan. Partijwoordvoerder Jonas Dutordoir was de persoonlijke spion van Calvo, ook al was hij officieel de rechterhand van Meryem. Maar dat bleef onopgemerkt voor veel journalisten: Dutordoir werd gezien als de brutale schildwacht van de voorzitter en de partij, altijd op zijn hoede in een als vijandig opgevatte mediatieke omgeving. Niets was minder waar. Almaci leunde na een tijd volledig op communicatieadviseur, Pieterjan Desmet, niet te verwarren met VRT-journalist Pieter-Jan De Smedt. Een betrokkene: 'Intern was afgesproken dat Almaci het eerste boegbeeld zou zijn. Dat kon natuurlijk niet voor Calvo, dus hij probeerde altijd in plaats van Almaci tv en andere media te halen.'


Dat wekte toen al onrust op onder partijgenoten. Niet dat er geen politieke tegenstellingen kunnen bestaan binnen één partij. Die bestonden ook in de 'grote jaren', begin deze eeuw. Toen heette Groen nog Agalev, haalde de partij 13 procent bij de verkiezingen en maakte ze deel uit van de eerste paars-groene regeringen-Verhofstadt (federaal) en -Dewael (Vlaams). Ook toen was er al een verschil in visie en aanpak tussen electoraal boegbeeld en Vlaams topminister Mieke Vogels en partijsecretaris (toen zei men vooral niet 'voorzitter') Jos Geysels. Geysels herinnert zich de ploegopstelling van toen nog goed: 'Men sprak van de schone en het beest, men zag dat de meer emotionele en meer rationele aanpak elkaar aanvulden.' Ook andere kopstukken als Vera Dua of Magda Aelvoet legden eigen accenten. Die diversiteit maakte Agalev vooral sterker.



Kristof Calvo (Groen) © Isopix


Dat zou ook nu kunnen bij Groen. Toch zolang de meningsverschillen vooral politiek blijven. Als ze persoonlijk worden en uitgroeien tot vetes, kan dat een partij ernstige schade toebrengen - dat bewezen Wilfried Martens en Leo Tindemans bij de CVP, Guy Verhofstadt en Karel De Gucht bij de liberalen, Filip Dewinter en Frank Vanhecke bij het Vlaams Belang, enzovoort. Iedereen is het erover eens dat er wel wat verschillen zijn bij Groen. Zo heeft Vlaams fractieleider Björn Rzoska deels Vlaams-nationale roots en pleitte hij al voor coalitievorming met de N-VA. Kristof Calvo is dan weer 'de liberale groene' en gaat ver mee in het recente liberale verhaal om bevoegdheden te herfederaliseren. Maar dergelijke politieke verschillen hebben de voorbije maanden niet meegespeeld in wat er bij Groen is gebeurd. Integendeel, bij gebrek aan echt intern politiek debat werd de toon bepaald door verschillen in karakter en botsende ambities. In zo'n klimaat halen ego's de bovenhand.


Naakte cijfers

Dat liep dus fout. En al bij de lijstvorming. De Antwerpse Kamerlijst werd aangevoerd door Kamerfractieleider Kristof Calvo, en níét door voorzitter Meyrem Almaci. Almaci trok in dezelfde provincie de Vlaamse lijst. De officiële uitleg was dat op die manier de kopstukken optimaal werden verspreid over betere verkiezingen. Een andere uitleg was dat Almaci en Calvo elkaar niet meer voor de voeten wilden lopen. Die onderliggende rivaliteit zorgde ervoor dat men zich vooral concentreerde op de mediatieke kant van de zaak, minder op de inhoudelijke. Bitter klinkt het bij de groene achterban: 'Onze studiedienst had tijdens de campagne weinig om handen. Normaal zou die juist dan overuren moeten draaien.' Het gebrek aan inhoudelijke backing sloeg Calvo als een boomerang in de nek toen hij op het VRT-programma De afspraak op vrijdag met de mond vol tanden zat toen De Standaard-journalist Bart Brinckman en moderator Ivan De Vadder hem voor de voeten wierpen hoeveel het afschaffen van de salariswagens de betrokken werknemers wel zou kosten. Die vraag lag zo voor de hand dat Calvo het antwoord in de drie landstalen had moeten kunnen opdreunen, onderwijl een achterwaartse salto makend. Zijn gestamel werd de blunder die Groen de hele campagne zou achtervolgen.


Verkiezingsdag 26 mei 2019 laat dan ook sporen na bij vele groene parlementsleden en partijmedewerkers. In het zog van de klimaatmarsen had Groen zich rijk gerekend door (aanvankelijk zeer) positieve peilingen: vijftien procent was een verhoopte target, en Almaci had haar partij al uitgeroepen tot de nieuwe 'marktleider van links'. Op verkiezingsdag is dat niet gebeurd. De uitslag van de Kamerverkiezing is ontnuchterend.


Vijftien procent blijkt een verre wensdroom. Het 'glazen plafond' van tien procent wordt weliswaar doorbroken bij de Vlaamse en vooral de Europese verkiezingen (daar haalt Groen meer dan 12 procent, met - niet onbelangrijk - Petra De Sutter als boegbeeld), maar bij de Kamerverkiezingen wordt de vreugde voor de winst van twee zetels overstemd door de teleurstelling voor de lage score van 9,7 procent. Hoezeer Almaci zowel de buitenwereld als de achterban probeert te overtuigen van het tegendeel, in de geesten is Groen een verliezer. Het doet intern vragen rijzen, zegt een parlementslid. 'Dat je een overwinningsnederlaag naar de buitenwereld verkoopt als een overwinning, tot daar aan toe. Maar dat je dat intern óók doet, dat is niet gezond.'


Briljant

In het anderhalve jaar tussen de verkiezingen van 26 mei 2019 en de aantrede van de regering-De Croo op 1 oktober 2020, loopt bij Groen veel mis. Meyrem Almaci is kandidaat om zichzelf op te volgen als partijvoorzitter, maar ze krijgt Vlaams fractieleider Björn Rzoska als uitdager. Uiteindelijk moet Rzoska pas in de tweede ronde de duimen leggen voor Almaci, die ook dan niet verder komt dan 53 procent van de aanwezige stemmen - volgens een bron in de partij scheelde het amper 25 stemmen. Rzoska wordt her en der de morele winnaar genoemd. De Standaard geeft als commentaar: 'Almaci kan niet om Rzoska heen.'


In werkelijkheid is net het omgekeerde gebeurd. Een ander parlementslid: 'Meyrem heeft persoonlijk rondgebeld naar parlementsleden met de vraag om Björn als Vlaams fractieleider te dumpen, idem met Kristof in de Kamer. Dat is niet gelukt. Je kunt je indenken welk kwaad bloed dat heeft gezet.' Er komt klad in het voorzitterschap. Een belangrijk partijlid: 'Het is alsof de combinatie van de slechte verkiezingen - jawel, dat waren ze - en de nipte zege bij de voorzittersverkiezingen de energie uit Almaci heeft gezogen. In elk geval: ze is er niet meer in geslaagd om Groen op de radar te zetten.' Een andere groene: 'Een sterke voorzitter kan inhoudelijke verschillen overbruggen en met elkaar verbinden. Meyrem deed het tegendeel: de verschillen uitdiepen en versterken.' Ook Kristof Calvo doet zijn duit in het zakje. In De Morgen suggereert hij dat Groen zich beter zou omvormen naar een partij naar Nederlands model - daar is de partijvoorzitter een eerder administratieve functie, en is de fractieleider in de (Tweede) Kamer ook de politieke leider. Een voormalig parlementslid: 'Almaci heeft dat gelezen als een scud in haar richting.'


De verdeeldheid van Groen komt één keer openlijk naar buiten. Vlaams Parlementslid Elisabeth Meuleman steekt op 9 maart haar nek uit met een vrije tribune in De Morgen, getiteld: 'Waarom we nood hebben aan meer Freya's'. Meuleman grijpt het politieke afscheid van Freya Piryns - nog een Antwerps kopstuk dat volgens ingewijden door Almaci is buitengewerkt - aan om een scherpe analyse te maken. 'Groen mag niet drammerig zijn.' Wie Almaci ooit interviewde, kan er niet anders dan een vingerwijzing in zien naar de voorzitster. Maar die kritiek kan evengoed op Calvo slaan.


In de partij valt te horen dat die opinie het begin zou zijn voor een interne denkoefening. Een week later wordt die hoop samen met het land lamgelegd. Één lichtpuntje in de corona-epidemie: ze zorgt ervoor dat er geen interesse is bij de Wetstraatpers voor strubbelingen bij Groen. Hetzelfde gebeurt met het boekje dat Almaci in de zomer uitbrengt met dan nog Europees Parlementslid Petra De Sutter, De goede kant op? Kansen na corona. Groenen die het lazen, vonden het 'best interessante vakantielectuur'. Maar ook zij geven toe: het heeft zelfs geen rimpeling veroorzaakt.


Calvo grijpt corona aan om zijn eigen optreden te evalueren. Hij leest ook hoe de pers hem neerzet: als een eeuwig enfant terrible van Groen. Wie op zijn 33e nog een 'enfant' is, heeft een probleem. Onder meer in Knack kondigt hij de nieuwe 'Kristof 2.0' aan: 'Ik ben niet de boze oppositieleider.' Dat Calvo zichzelf een nieuw imago aanmeet, gaat niet ongemerkt voorbij. Een partijgenoot die hem al jaren kent: 'Kristof is briljant. Hij denkt twee keer zo snel als de gemiddelde verkozene van Groen. Eerder dan wie ook wist hij dat hij tijd moest kopen om van imago te veranderen. En dus eiste hij dat Groen voor de duur van de regeringsvorming - maanden dus - haar kop zou houden en zou zwijgen. Groen moest kleur-, smaak- en geurloos worden, de meest gewillige regeringspartner die het land in decennia heeft gezien. Dat heette dan "ons verantwoordelijk opstellen". Kristof kan tellen: hij wist toen al dat hij kans maakte om de eerste groene vicepremier te worden in een nieuwe federale regering. En dus heeft hij de hele partij de prijs laten betalen voor zijn eigen ambitie.' Een ander kopstuk van groen: 'Calvo heeft ooit zelfs het beeld gebruikt dat hij maandenlang "door de woestijn is gegaan". Laten we zeggen dat hij door een zandbak is gestapt.'



© Belga


Niet alleen Kristof Calvo heeft ambitie. Vanaf de verkiezingen heeft Groen mee aan de kar geduwd, voor zover dat kon, aan een of andere Vivaldi-coalitie. En wie in de regering zit, krijgt ministers. Om die te benoemen, bestaan bij Groen aparte regels. Jos Geysels is de enige voorganger van Almaci die ooit voor dat 'probleem' stond. Geysels: 'Het uitgangspunt bij Groen is duidelijk. Één: de voorzitter beslist niet alleen over de nieuwe ministers. Twee: na brede interne inspraak moeten de partijinstanties zich uitspreken over de namen.' Wat Almaci doet - en wat haar vandaag bakken kritiek oplevert - is eigenlijk niet anders dan wat Geysels voorschrijft. Zij oordeelt niet alleen, maar organiseert de inspraakronde. Zij doet dat door een driemanschap aan te stellen dat de opdracht krijgt om de groene achterban te polsen over de kandidaat-ministers. Het drietal is vrij logisch samengesteld. Één 'nationale mandataris' - dus op dat moment de enig beschikbare minister: de Brusselse Elke Van den Brandt. Één lokaal mandataris: David Dessers, in Leuven de eerste schepen in het 'progressieve' college van Mohamed Ridouani (SP.A). En één vrijwilliger: de Antwerpenaar Niel Staes, de voorzitter van het partijbestuur van Groen. Dat triumviraat valt niet niet weg te zetten als Almaci-getrouwen. Zo was Van den Brandt in 2014, overigens samen met running mate Wouter De Vriendt (een absolute Calvo-getrouwe), al kandidaat om partijvoorzitter te worden. Zij moest toen met 40 procent de duimen leggen tégen de winnaar, Meyrem Almaci.


Maar er is méér aan de hand. Een goede bron: 'Aan deze aanwijzing zit een kant die nog niet is gezien door het brede publiek. Waarom koos Almaci ervoor om een trio de lijst kandidaten te laten opstellen? Omdat zij dat zelf niet kon doen. En waarom niet? Omdat zij zélf ambitie had voor het ministerschap. Maar zij wilde niet in een Wouter Beke-scenario terechtkomen, waarbij zij zichzelf moest aanwijzen en bijgevolg Kristof Calvo moest uitschakelen. Dat zou uitgelegd zijn als een ranzige vorm van rancune. Dus koos zij voor het trio.'


Brede steun

De drie gaan aan het werk. Ze spreken met meer dan honderd partijgenoten. De antwoorden zijn op zijn minst verrassend. Eén mandataris blijkt in alle provincies, bij alle verkozenen en bij alle militanten en vrijwilligers brede steun te genieten: Petra De Sutter. De meeste leden van Groen hebben namelijk zelf goed begrepen dat de verkiezingen niet goed waren. Het is een zware misrekening van Meyrem Almaci geweest om daar niet opener over te communiceren, en niet duidelijker een nieuwe koers voor te stellen. Tegelijk waren de meeste leden van Groen het beu om voortdurend in allerlei boksmatches betrokken te worden. Dat is het stille maar duidelijke verwijt aan Calvo: zijn springerige, gelijkhebberige stijl heeft hen uiteindelijk geen voordeel opgeleverd. Neem daarbij de coronatijden en de keuze lijkt logisch voor Petra De Sutter, een politica die rust en degelijkheid uitstraalt. Een profiel waar, geheel onafhankelijk van Groen, inmiddels ook al de SP.A (met Frank Vandenbroucke) en Open VLD (met Alexander De Croo) voor gekozen hebben. Uit de bevraging van het trio blijkt dus al weken vóór de concrete invulling van de ministerposten en de bevoegdheden, dat er er voor de Groene basis maar één valabele vicepremier was: Petra De Sutter. Die keuze heeft consequenties.


Bijvoorbeeld: exit Kristof Calvo. Het pijnlijke is dat Calvo de 'concurrentie' van De Sutter zelfs niet heeft zien aankomen. Een partijgenoot: 'Achteraf gezien spoort dat met zijn karakter. Hoe vaak zou hij niet tegen partijleden over zichzelf gezegd hebben dat hij "een ploegspeler" is, om er desgevraagd in één adem aan toe te voegen, "en daarom ben ik de enige logische vicepremier." Dat idee zit al een tijd ingeslepen in zijn brein, zodat hij elke andere kandidaat voor die functie als een soort usurpator ziet: iemand die onterecht de functie gaat bezetten waarop hij als van nature recht heeft.'


Uit de consultatieronde blijkt grote waardering voor Calvo bij de groene achterban - een voormalig lid van het partijbestuur noemt hem samen met Petra De Sutter en Stefaan Van Hecke 'een van de meest bekwame groenen'. Maar die ziet hem op dit moment liever niet als minister. In voetbaltermen: het is vandaag niet de tijd van dribbelaars en spitsen, die voortdurend hun eigen kans gaan omdat dat nu eenmaal sterker is dan henzelf. Vandaag is het een tijd voor spelverdelers en werkpaarden.


Politieke bonus

Er is nog een ander slachtoffer dan Kristof Calvo. Namelijk Meyrem Almaci zelf. Ook zij ziet zichzelf als vicepremier. De brede voorkeur van de partijleden voor Petra De Sutter fnuikt haar eigen kandidatuur: exit Almaci. Er zijn nog groenen die zich ministeriabel achten. Knack verneemt dat het triumviraat uiteindelijk een lijstje van negen namen heeft van prominente Groenleden die graag minister zouden worden, zeker als het hen wordt gevraagd. Daarop staan namen als de Gentse schepen Filip Watteeuw, maar die dringt niet aan op zijn kandidatuur, en de Vlaamse fractieleider Björn Rzoska. Die blijft wel tot het laatste moment kandidaat.


Natuurlijk zou Groen meer dan één minister of regeringslid mogen aanwijzen. Maar de invulling van die tweede naam laten de meeste groenen desgevraagd liever afhangen van de bevoegdheden die de onderhandelaars kunnen meepikken. Omdat iedereen al vermoedt dat Klimaat of Energie tot het pakket voor Groen zal behoren, valt voortdurend de naam van Tinne Van der Straeten. Die was in 2019 opnieuw verkozen in de Kamer, nadat ze een tijd de politiek had ingeruild voor een advocatenkantoor dat zich specialiseert in klimaat- en energierecht. Pittig detail: als het trio Van der Straeten op een bepaald moment inlicht over het feit dat ze kans maakt, antwoordt zij: 'Ja, maar eigenlijk liefst in combinatie met Kristof Calvo.' Van der Straeten en Calvo zijn allerbeste maatjes. Er vallen nog namen. Stel dat Groen Ontwikkelingssamenwerking zou krijgen, dan zou Wouter De Vriendt, voorzitter van de bijzondere Congocommissie, de eerste keuze zijn. Voor Justitie zou het oerdegelijke Oost-Vlaamse Kamerlid Stefaan Van Hecke onmogelijk te passeren zijn.


Voorlopige conclusie van het trio: de eventuele vicepremier - de excellentie die in de regering zijn of haar partijlijn bewaakt - heet in elk geval Petra De Sutter. Voor de functie van vakminister heeft Tinne Van der Straeten dan weer de beste papieren.


Fast forward naar de laatste dagen van de regeringsonderhandelingen, einde september. Ineens is het allemaal erg kort dag. Jos Geysels: 'Dat is het grote verschil tussen mijn opdracht in 1999 en die van het trio vandaag: ik kon mijn consultatieronde in alle rust organiseren, zij stonden onder geweldige tijdsdruk.' Het is niet de bedoeling dat het trio de naam van de kandidaat-ministers bekendmaakt, dat voorstel moet eigenlijk van de partijvoorzitter komen. Maar omdat het fiat voor de regeringsvorming en de bevoegdheidsverdeling bijna samenvallen, wordt de keuze uitgesteld tot het laatste weekend van september, luttele dagen voor de ministers op 1 oktober hun eed zullen afleggen. Pas dan wordt duidelijk dat Groen met 'grote waarschijnlijkheid' - géén zekerheid - Energie krijgt.


Het is een bijzonder koude douche voor Almaci als zij verneemt dat zij níét in aanmerking komt. Zij zegt niet meteen toe om De Sutter en Van der Straeten voor te dragen. Knack verneemt dat namens het trio Elke Van den Brandt tijdens datzelfde weekend een telefonisch onderhoud heeft met Kristof Calvo. Die valt uit de lucht als hij verneemt dat zijn kansen gering zijn om te worden voorgedragen als vicepremier en dus als minister. Het gesprek eindigt hoogst emotioneel - de kans dat Calvo er zich nadien niets van zou herinneren, is dus onbestaande. Toch rept hij over dat gesprek achteraf met geen woord, niet tegen zijn vrienden bij Groen en zeker niet in de publieke opinie.


Speelpleintjesgesprek

Kort voordien - volgens onze bronnen: minder dan 24 uur voor de aanvang van het partijcongres - laat Meyrem Almaci telefonisch weten aan het trio dat zij niet zal afwijken van de suggestie van het trio en De Sutter en Van der Straeten inderdaad zal voorstellen als kandidaat-ministers. Organisatorisch wordt alles in Gent in orde gebracht: eerst zal een partijcongres in het Kinepoliscomplex het regeerakkoord goedkeuren, nadien zullen - zoals statutair bepaald - een meerderheid van de parlementaire fracties en de Politieke Raad moeten instemmen met de namen van de ministers. Dat wordt dus een stemming. Die vindt plaats in Hotel NH Belfort, ook in Gent.


Op dezelfde woensdagavond dat Groen het regeerakkoord moet goedkeuren én nadien de twee regeringsleden moet aanwijzen, heeft het trio nog altijd geen definitief 'ja' van de twee kandidaten die Almaci diezelfde avond als minister zal voorstellen. De tijd tikt: het is nagelbijten. In de vooravond arriveert Petra De Sutter als eerste bij het trio. Ze gaat akkoord, ongeveer op het moment dat men verneemt welke bevoegdheden Groen uiteindelijk 'maar' krijgt: Energie en Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven. De Sutter heeft niet verwacht dat ze die laatste zou krijgen, en zet zich apart aan een tafeltje, waar ze koortsachtig begint te bestuderen wat in het regeerakkoord in godsnaam staat over overheidsbedrijven en ambtenarenzaken.


Van der Straeten laat op zich wachten: zij zit met een taxi vast in de drukke Gentse spits - ook met het groene circulatieplan blijft dat de harde realiteit. Ook voor haar zijn de bevoegdheden geen cadeau, want wat is Energie waard als een rouwdouwer als Vincent Van Quickenborne (Open VLD) bevoegd is voor de Noordzee, en dus mee beslist over de bouw van nieuwe windparken op zee? Maar Van der Straeten aanvaardt en lost daarmee automatisch de eis om samen met 'maatje' Kristof Calvo een ministerieel duo te vormen - toppolitiek is geen stiel voor tere zielen.


In diezelfde hectische uren heeft Elke Van den Brandt het bewuste 'speelpleintjegesprek' met Kristof Calvo. Daar en dan pas heeft Van den Brandt hem inderdaad het definitieve verdict gemeld. Kristof Calvo zou zichzelf niet zijn als hij zich bij negatief nieuws zou neerleggen, al wist hij al uit het telefonische contact van de zondag ervoor dat dit wellicht zijn lot zou zijn. Dat Petra De Sutter door bijna heel Groen als 'de natuurlijke nummer één' naar voren wordt geschoven, lijkt bij hem niet binnen te komen. Een partijlid: 'Ik hoor vaak in de partij: "Je zegt het Kristof wel, maar het dringt niet tot hem door. Hij rationaliseert alles weg wat niet in zijn kraam past."'


Het relaas van de volgende uren is grotendeels bekend. Het congres steunt met een royale 98 procent het Vivaldi-regeerakkoord. Alle toppers - inclusief Kristof Calvo - verdedigen het met vuur. En toch zakt de sfeer onder het vriespunt. In de coulissen zwelt de grote ontevredenheid over de bevoegdheden, door voorzitter Almaci en politiek directeur Bogdan Vanden Berghe onderhandeld, aan tot woede. Een belangrijk parlementslid heeft het over 'veel onbegrip en onvrede' om de schaarse bevoegdheden: 'Die zijn werkelijk om bij te huilen. Bevoegdheden zijn de podia waarop je je verhaal kunt brengen naar kiezers. Energie is goed, maar te weinig, en Ambtenarenzaken en Overheidsgebouwen zijn shitbevoegdheden. Ik kan alleen maar constateren dat wij ons hebben laten rollen. Dit slepen we mee tot het einde van de legislatuur.'


Wonden

In die sfeer moeten de ministers nog gekozen worden. Almaci is kandidaat af, Rzoska houdt vol - hij zal dat doen tot bij het ochtendgloren en de allerlaatste besprekingen. Hij wil verbinden, zo laat hij de zaal weten. Het is voor hem het consequent doortrekken van het engagement dat hij aangegaan was toen hij vorig jaar kandidaat-voorzitter werd, en hij bijna de helft van de Groenleden meekreeg. Maar tegen het ticket De Sutter/Van der Straeten kan niemand op. Rzoska niet en ook Calvo niet, ook al haalt die laatste de hele nacht lang, voor en achter de schermen, alle mogelijke argumenten - zakelijke, politieke, emotionele - uit de kast. In de vroege ochtenduren dringt hij aan om de bijeenkomst op te schorten: 'Om half vijf zo'n beslissing nemen, dat is niet meer ernstig.' Bij de partijleiding weet men ook wel dat Calvo in principe gelijk heeft. Maar iedereen beseft ook dat ingaan op die vraag gelijkstaat aan een ultiem media-offensief van Kristof Calvo, de volgende ochtend al, om de stemming alsnog te beïnvloeden.


Het gebeuren slaat wonden. Tussen de fracties, bijvoorbeeld. Op de Oost-Vlaamse Evita Willaert na steunen de meeste federale fractieleden hun fractieleider; Wouter De Vriendt en een bijwijlen hartstochtelijke Jessica Soors op kop. Op onderwijsspecialist Elisabeth Meuleman na krijgt Meyrem Almaci solide steun van zo goed als de voltallige Vlaamse fractie. De tweespalt zindert de dag erna na op sociale media en in off the record-gesprekken. De kritiek op de procedure gaat hand in hand met de bitterheid dat het níét Kristof Calvo werd en vooral: de manier waarop. Zeker in de eerste uren en dagen na de 'nacht van Gent' blijft de groep rond Kristof Calvo herhalen dat Almaci het trio heeft gebruikt om 'Kristof politiek dood te maken'. Een parlementslid: 'Al in het begin van de avond heeft ze hem "niet verbindend" genoemd, en eraan toegevoegd dat hij "te veel tegenwind kreeg van de leden". Dat is een bom droppen. Een voorzitter moet op zulke verscheurende momenten evenwicht brengen, moderator zijn.' Ook Niel Staes, met het dubbele petje van voorzitter van de Politieke Raad en deel van het trio, zet bij deze groep kwaad bloed: 'Hij dreigt er op een bepaald moment mee dat hij, en ook Almaci, zullen opstappen mocht Kristof minister worden.'


Een aantal parlementsleden blijft dus vinden dat Calvo onrecht is aangedaan: 'Het is altijd Kristof geweest die heeft gevochten, die bruggen sloeg naar andere partijen, die dag en nacht onderhandelde, die inhoudelijk veel werk heeft gedaan, zelf fiches heeft geschreven. Oké, je kunt je de vraag stellen of hij minister moet zijn en ja, hij ligt bij de publieke opinie niet goed door die verkiezingsnederlaag. Velen begrijpen dat Petra beter was. Maar de manier waarop dit is afgehandeld, is ontoelaatbaar.'


Toch moet ook Calvo in eigen boezem kijken, vinden andere partijgenoten: 'Als Kristof toch de knapste politicus is, als hij toch "de bekendste kop" is, de man die het gemakkelijkst toegang krijgt tot de media, hoe komt het dan dat hij er niet in slaagt om de vrijwilligers van Groen daarvan te overtuigen en te doen wat zo logisch zou moeten zijn: hem plebisciteren als minister? Gaat Kristof Calvo echt blijven vertellen, of gelooft hij dat zelf, dat dit alles alléén maar het gevolg is van een machinatie van het kamp-Almaci?'


Anderen zijn nog strenger: 'Keer op keer toont Kristof Calvo gebrek aan leiderschap, en haalt zijn ego het op de collectiviteit. Als hij écht begaan zou zijn met het welzijn van Groen, waarom is hij dan het weekend na het congres zijn kritiek gaan herhalen in de De Zevende Dag, in plaats van er bij de VRT op aan te dringen om zijn zo goede vriendin Tinne Van der Straeten uit te nodigen?'


Dienstmaagd

Tegelijk is er niet één Groen-lid dat af wil van Calvo. Niemand die het zo kernachtig uitdrukte als Jos Geysels: 'Kristof heeft nog een belangrijke rol te spelen in onze partij, en we hopen nog lang op hem te kunnen rekenen. Alleen nú even niet als minister.' Het zou ideaal zijn, vinden niet weinig partijgenoten, mocht Calvo de komende jaren doen wat hij deed tijdens het parlementaire investituurdebat. Een parlementslid: 'Kristof heeft een beetje het licht gezien, hij wil geen oppositie meer, hij wil dat dit project echt slaagt. Hij zou daar perfect kunnen aan meehelpen door als fractieleider de regering af te schermen.'


Vraag is natuurlijk of hij ook zal renderen als fractieleider in de meerderheid. Zulke fractieleiders zijn dienstmaagd en wapenschild tegelijk van de ministers. Ze moeten slechte compromissen binnen de regering zonder verpinken in het parlement en in de buitenwereld kunnen verdedigen. Kristof Calvo is een aanvaller, een vedette, geen dienstmaagd, geen voorstopper die ballen wegkopt. Vandaar dat vele groenen rekening houden met de mogelijkheid dat Calvo wel eens naar Mechelen zou kunnen verkassen om daar schepen te worden, en zo zichzelf in oktober 2024 te lanceren als de nieuwe burgemeester. 'Dat zou een nieuw, positief en ambitieus project zijn dat bij zijn allure past.'


Anderen houden rekening met nog een ander scenario: dat hij zijn rol gaat spelen in een front tegen Meyrem Almaci. Want meer nog dan Calvo, die is gaan lopen met de goodwill die in Vlaanderen de underdog vaak te beurt valt, staat Almaci er écht slecht voor. Door haar zinnen te zetten op een ministerschap, heeft ze voor zichzelf aangegeven dat ze mentaal afscheid heeft genomen van een toch al kwakkelende tweede termijn als voorzitter. 'Ik ben geen Meyrem-hater, maar het is beter dat ze een stap opzijzet', zegt een parlementslid. 'Als we moeten begrijpen en aanvaarden dat Kristof geen minister moest worden, dan moeten we ook zo eerlijk zijn om toe te geven dat er voor Meyrem geen rol meer is op de eerste lijn.'


Eén zaak staat vast: er zál bij Groen gepraat worden over een andere partijleiding. In Knack heeft de Gentse schepen Filip Watteeuw zich al opgeworpen als kandidaat-bemiddelaar. Dezelfde Watteeuw die ook al op het lijstje van het trio stond van kandidaat-ministers, zonder daarvoor tot het uiterste te willen gaan. Maar wat geldt voor Almaci, gaat ook op voor Watteeuw: op een of andere manier heeft hij discreet aangegeven dat hij misschien wat uitgekeken is op zijn huidige job en daarom uitkijkt naar iets nieuws - in zijn geval: naar een belangrijk nationaal mandaat. De ministerposten zijn ingevuld voor de rest van de legislatuur. Blijft over, toch in het geval Meyrem Almaci haar mandaat vacant zou stellen: het voorzitterschap.


Top





Bart De Wever krijgt concurrentie?


Een spannend hoofdstuk begint in de Wetstraat: Bart De Wever krijgt concurrentie.


Joël De Ceulaer  - De Morgen



Conner Rousseau, Alexander De Croo en Tom Van Grieken hijgen in de nek van Bart De Wever.

Beeld DM


Ruim vijftien jaar domineerde hij het debat. Lang lag het staatsmanschap binnen hand­bereik. Maar het ontglipte hem op het nippertje. Of liet hij het bewust liggen? In elk geval begint voor N-VA-voorzitter Bart De Wever, en voor de Belgische politiek, een nieuw en spannend hoofdstuk.


Weinig mensen lijken sterker van elkaar te verschillen dan Bart De Wever en Albert II, respectievelijk N-VA-vorst en voormalig koning der Belgen. Hun visie op het vaderland, om maar iets te noemen, is niet compatibel. Toch hebben ze meer met elkaar gemeen dan men zou denken: zo hebben ze qua probleem­oplossend vermogen de voorbije maanden allebei een reusachtige flater geslagen.


Hoe het Albert II verging, was deze week groot nieuws. Met Hare Koninklijke Hoogheid Delphine van Saksen-Coburg heeft hij er een volwaardige dochter bij gekregen – aan wie hij straks dus ook een deel van zijn erfenis zal moeten nalaten. Dat had hij liever niet zien gebeuren, maar het is zijn eigen verantwoordelijkheid.


In de vele interviews die ze gaf, legde Delphine uit dat dit hele verhaal voor haar ook gewoon had kunnen worden afgesloten met een oprechte, empathische erkenning. Maar toen de uitslag van het DNA-onderzoek bekend raakte, vertoonde Albert II geen spatje menselijkheid en verklaarde hij nooit het gevoel te hebben gehad dat Delphine zijn dochter is. En dat, aldus Delphine, voelde aan als “verraad”, als “een mes in de rug”.


En dus besloot ze “all the way” te gaan – tot en met titel en erfenis. Die symboliek is moordend voor Albert II.


Iets vergelijkbaars overkwam Bart De Wever. Toen hij eind juli in Terzake uitlegde dat hij samen met PS-kopman Paul Magnette alvast een bubbel van vijf had gevormd en nog welgeteld één liberale partij nodig had om een regering te vormen, gaf hij ook geen blijk van overdreven veel empathie jegens Open Vld-voorzitter Egbert Lachaert. De liberale onderhandelingsnota noemde De Wever “een sprookje”, en dat Lachaert zijn Franstalige zusterpartij niet wilde dumpen om een bubbel van zes te vormen, was volgens de N-VA-voorzitter “crimineel onverantwoordelijk”.


Hoe dat afliep, is bekend. Lachaert voelde zich, zo zei hij vorig weekend in deze krant, “vernederd” en besloot om het gas­pedaal richting Vivaldi “all the way” in te duwen. Het resultaat is moordend voor De Wever. Vriend en vijand zijn het erover eens dat hij zijn afspraak met de geschiedenis heeft gemist. “De Wever is compleet respectloos met ons omgegaan”, zei Lachaert nog in De Morgen. “Hij heeft historisch geblunderd. Al de rest zijn flauwe excuses.”


HET VUILE WERK

Merkwaardig genoeg was het De Wever zelf die het mes nog wat in de wonde draaide. In Het Nieuwsblad gaf hij toe dat hij die uitspraak in Terzake beter niet had gedaan. Maar hij voegde eraan toe dat zijn PS-collega daarop had aangestuurd. “Magnette zoekt altijd een Vlaming om zijn vuile werk te doen. Maar achteraf krijg je wel het deksel op de neus.” Daarmee zondigt De Wever tegen een leefregel die een ware conservatieve denker in acht moet nemen: nooit de verantwoordelijkheid voor de eigen daden ontvluchten, nooit iemand anders de schuld geven als je een kans niet gegrepen hebt.


De vraag is ook of die uitleg wel klopt: laat een door de wol geverfd politiek beest als De Wever zich dááraan vangen? Het mag worden betwijfeld, ook al omdat hij in dat interview met Het Nieuwsblad evenzeer de blunder van maart toegaf. Toen had hij, na een fameuze elleboog­shake met Magnette om een corona­regering te vormen, voor de camera op de stoep voor zijn huis openlijk gesolliciteerd naar het premierschap: “Dat bleek een tactische fout. Dat had ik niet mogen doen.”


Niemand heeft de voorbije vijftien jaar zo hard gewogen op de politiek en het debat als Bart De Wever. Hij creëerde, welhaast vanuit het niets, de grootste partij van het land. Hij verloste Vlaanderen een tijdlang van de dominantie van het ranzige Vlaams Belang. Hij veroverde Antwerpen, Vlaanderen en vier jaar lang zelfs België. Zijn strategisch inzicht en retorisch vermogen dwingen ontzag af. En toch laat diezelfde man zich in enkele maanden tijd tot twee keer toe het staatsmanschap door de vingers glippen. Dat roept vragen op. Mogen we dat nog wel pech noemen? Of was dat juist het plan, en gokte De Wever stiekem op nieuwe verkiezingen? In het fameuze Terzake-interview zei hij over het liberale verlanglijstje dat het oogde als een “verkiezingsprogramma”, en dus “500 dagen te laat” kwam of, zo voegde hij daaraan toe, “een paar maanden te vroeg”.


Het belangrijkste kantelpunt in de loopbaan van de machtigste politicus van de voorbije jaren ligt al wat langer achter ons. Bijna twee jaar, om precies te zijn. Van corona was nog geen sprake – migratie was hét politieke thema. En dus besloot N-VA om zich in de toenmalige federale regering – de zogenoemde Zweedse coalitie, met liberalen, N-VA en CD&V – te verzetten tegen het Marrakech­pact, een tekst van de Verenigde Naties over migratie. Dat verzet leidde vrij snel tot het vertrek van N-VA uit de regering-Michel, die daarna vervelde tot de regering-Wilmès en tot een week geleden bleef besturen – met alle gevolgen van dien voor de corona­crisis, maar dat is een ánder verhaal.



Het is een gevaarlijke verschuiving in het discours van De Wever.

Vroeger was België ‘de optelsom van twee democratieën’, nu is het al ‘geen democratie’ meer.

Beeld Photo News


In de politieke biografie van De Wever is Marrakech de eerste blunder van formaat. Zijn hoop ging immers niet in vervulling: er kwamen niet onmiddellijk nieuwe verkiezingen, een meerderheid in de Kamer besloot om te wachten tot de geplande datum in mei – en toen bleek dat de gok helemáál mislukt was, want de N-VA kon niet scoren met de harde migratielijn. Dat deed Vlaams Belang, na dertig jaar nog altijd de eerste eigenaar van dat thema. N-VA verloor op zondag 26 mei 2019 twintig procent van haar stemmen.


Communicatief, en qua spinner van de media, toonde De Wever zich wel meteen op zijn best, door het eigen verlies aan Vlaams Belang listig te vermommen als een versterking van de Vlaamse rechterzijde. Dat discours heeft hij aangehouden tot bij de vorming van Vivaldi: als hij zegt dat geen enkel ander land in de hele wereld wordt bestuurd zónder de twee grootste partijen in de coalitie, werpt hij zich eigenlijk op als de woordvoerder van een virtueel Vlaams-nationalistisch kartel.


Het is een hypothese die de voorbije maanden niet aan bod kwam, maar het valt niet uit te sluiten dat de recente fouten van Bart De Wever – zeker het openlijke schofferen van de liberalen – dezelfde oorsprong hebben als de Marrakech­flater: de hoop op nieuwe verkiezingen die Vlaams Belang en N-VA een grote meerderheid in Vlaanderen zouden bezorgen. Misschien speelde die gok mee op de achtergrond en rekende N-VA bij nieuwe verkiezingen op een verdere afkalving van de drie traditionele partijen en de groei van hun virtuele kartel met Vlaams Belang, desnoods met nog een béétje stemmenverlies voor N-VA zelf daarbij ingecalculeerd.


De overtuiging dat we bij het ontslag van de regering-Wilmès sowieso nieuwe verkiezingen zouden krijgen, leefde ook bij veel politieke commentatoren. Wie had op deze nieuwe federale regering nog geld ingezet? De hoop leek wel vervlogen, een nieuwe afstraffing van de klassieke partijen lag in het vooruitzicht. Maar dat pakte dus anders uit.


EEN WILDE RIVIER

Met de Vivaldi-coalitie onder de liberale leiding van Alexander De Croo ligt het politieke landschap in België ineens in een andere plooi. Nauwelijks drie dagen na de eedaflegging stond er zelfs al een nieuw, helder en krachtig corona­beleid op poten. In maart was het nog de grote droom van Bart De Wever om deze crisis zelf te kunnen managen, vandaag zit zijn partij in de federale oppositie, naast het Vlaams Belang. Zal dat virtuele Vlaams-nationalistische kartel in die federale Kamer kunnen groeien? Misschien. Maar nieuwe verkiezingen zouden met dat plan in het achterhoofd beter geweest zijn dan een nieuwe regering zonder N-VA. De Wever beseft dat zelf ook: zijn partij zit “in de piepzak”.


Wat nu gezongen? Het favoriete beeld van De Wever is nu dat van de rivier. Zijn partij is als een rivier met twee oevers, legt hij tegenwoordig graag uit. Op de ene oever bevinden zich kiezers van de systeempartijen, die de federale teugels in handen hebben, en die, aldus De Wever, “geen extremistische toestanden, geen antivreemdelingenpolitiek en geen racisme” willen. Op de andere oever staan de kiezers van Vlaams Belang – en ook van PVDA, de “antisysteempartijen”. De stroom tussen die twee oevers moet Bart De Wever, die in november voor de vijfde keer zichzelf opvolgt aan het hoofd van zijn partij, de komende jaren zo breed mogelijk proberen te maken.


Dat houdt risico’s in. Hoe bewaak je de bedding van je rivier op de oever waar rijkelijk met bagger wordt gespoten? Dat VB-mandatarissen racistische en degoutante tweets en uitspraken zullen blijven lanceren – van Dries Van Langenhove tot Bart Claes – lijdt geen enkele twijfel. Het is niet omdat de voorzitter zo’n afgeborstelde figuur lijkt, dat de partij in de kern veranderd is. Voor N-VA is dat een netelig probleem: hoe bekamp je een anti­migratie­partij als de verkiezingen in 2019 hebben geleerd dat je de strijd op dat thema niet kunt winnen, zeker niet als Theo Francken en een aantal andere mandatarissen regelmatig zelf eens over de zogenaamde Chinese Muur springen en een tweetje versturen of uitspraak doen die niet zou misstaan bij de collega’s van Vlaams Belang.


N-VA is al lang een gespleten partij. Er is de harde vleugel die wordt vertegenwoordigd door Francken. Er is de, numeriek veel talrijkere, gematigde vleugel die veeleer wordt vertegenwoordigd door mensen zoals Valerie Van Peel. Alleen De Wever kan die twee flanken met elkaar verzoenen. Jan Peu­mans, oud-voorzitter van het Vlaams Parlement, zei het deze week nog in Humo: “Als De Wever stopt als voorzitter, krijg je een splitsing van de partij. Bij de N-VA is niet iedereen fan van Theo Francken, hoor. Als De Wever weg is, zal hij zich nog meer manifesteren, zelfs als iemand anders voorzitter wordt. En wanneer er in 2024 uitzicht komt op een regering met Vlaams Belang, zit het spel op de wagen. Veel partijgenoten zullen zich afkeren van de partij.”


AFREKENING

De kwestie wordt nog complexer dan dat. Die Chinese Muur, waarvan De Wever vindt dat hij tussen N-VA en VB moet blijven staan, wordt aan beide kanten een tikje gesloopt. Er is nog maar zelden de aandacht op gevestigd, maar Vlaams Belang doet onder leiding van Tom Van Grieken grote inspanningen om zich uit het cordon sanitaire te bevrijden. Dat kan door dat virtuele kartel met N-VA volop te omarmen.


Op zondag 27 september, toen de Heizelvlakte zich uit protest tegen Vivaldi vulde met Vlaamse strijdvlaggen, deed Van Grieken via levende straalverbinding een buitengewoon interessante uitspraak in De zevende dag. Het was geen pure VB-betoging, zei Van Grieken. Het was een beweging, een signaal van de Vlamingen die het niet pikken dat ze steeds rechtser stemmen, maar toch een linkse regering krijgen – de Vlamingen, die de “meeste belastingen” betalen, die zorgen voor “80 procent van de export” in dit land. Enzovoort, enzoverder. Terwijl Van Grieken aan het woord was, zat Bart De Wever live in de studio bij Lisbeth Imbo en Lieven Verstraete met ontzetting te luisteren. De verbijstering stond hem in de ogen. Wat Van Grieken zei, was létterlijk wat er op debatfiches van de N-VA staat. De Wever moest hem dan ook gelijk geven: “Dit is geen democratie meer.”



Egbert Lachaert (Open Vld) duwde het gaspedaal richting Vivaldi helemaal in. 

Beeld Tim Dirven


Dat laatste is een gevaarlijke verschuiving in het discours van De Wever. Vroeger was België nog “de optelsom van twee democratieën”, nu is het al “geen democratie meer”. Daarmee verlaat hij de rivier van de eigen ideologie en gaat hij aan land op de oever van de extremistische anti­systeem­partij die hij altijd zo heeft bestreden. Zowel N-VA als VB kennen dezer dagen ook nog maar één dreigement: dat de afrekening volgt in 2024. En dat die traditionele partijen dan nog wel eens iets zullen meemaken, zie.


Wat ons bij een andere hamvraag brengt: klopt dat wel? Is er een goede reden om aan te nemen dat de regering-De Croo in 2024 haast automatisch zal worden afgestraft door de Vlaamse kiezer? Het is een vraag die niemand met zekerheid kan beantwoorden. Er zijn wel historische feiten die misschien een handvat kunnen bieden.


De regering-Di Rupo, die van 2011 tot 2014 ook met een Vlaamse minderheid bestuurde, en in het jargon van de rechtse oppositie “een door Franstalig links gedomineerde belastingregering” heette, werd bij de verkiezingen in 2014 door de Vlaamse kiezer belóónd met twee extra zetels. Het is iets wat te veel Vlaamse journalisten ‘vergeten’ als ze een N-VA’er interviewen: de regering-Di Rupo had na de verkiezingen in 2014 met een sterkere meerderheid kunnen verder besturen. Dat gebeurde niet omdat CD&V wilde voorkomen dat N-VA, die het VB had leeggezogen, in de oppositie verder zou groeien. Dat CD&V nu in Vivaldi zit, had ook veel voeten in de aarde: zonder N-VA durfden veel christen­democraten niet springen.


Dat de regering-De Croo heel wat potentiële splijtstof bevat, is duidelijk – de kern­uitstap, de belasting op grote financiële transacties, de ethische dossiers: als de vrede niet wordt gehandhaafd, kan dat ontsporen. Politicoloog Carl Devos sprak onlangs de hoop uit dat de voorzitters die de regering hebben gevormd, zich niet constant als schoonmoeders zouden gedragen, om premier Alexander De Croo en zijn vicepremiers de kans te geven om zélf zo snel mogelijk sterk onderling vertrouwen te kweken.


Daar valt op het eerste gezicht iets voor te zeggen, maar – zoals dat wel vaker het geval is met politicologische wijsheden – kun je het evengoed omkeren: misschien willen de voorzitters die de regering hebben gevormd, het onderlinge respect en vertrouwen juist blijven bewaken – als een soort blauwhelmen in de coulissen. Zo werkt het trouwens meestal in ons particratische systeem: de voorzitters staan op wacht.


Vaak pakt dat negatief uit, omdat het leidt tot onderlinge na-ijver en partijpolitieke profilering. Maar uit de toon die de voorzitters tot dusver aanslaan, kan de hoop worden geput dat het ook positief zou kunnen uitpakken. Zoals deze week bleek tijdens het openingscollege van Carl Devos, gaan Egbert Lachaert (Open Vld), Conner Rousseau (sp.a) en Joachim Coens (CD&V) respectvol met elkaar om. Té respectvol, vond een aantal studenten, die meer vuurwerk hadden willen zien.


DUVEL VERSUS HEINEKEN

Als iemand al een valse noot heeft gezongen sinds de positieve, respectvolle toonzetting van Vivaldi, dan was het premier De Croo zelf, toen hij in het Europees Parlement Theo Francken aanviel na zijn tussenkomst over de fiscale fraude. De Croo verbaasde zich er nogal fel over dat Francken de cijfers niet begreep – “Dat is hier toch geen kleutertuin!” – terwijl hij er zélf helemaal naast zat. Pijnlijk momentje, zo vroeg in de rit.


Francken zelf gedroeg zich een stuk respectvoller. Zelfs zijn eeuwige schiet­schijf Kristof Calvo, die naast een ministers­post greep maar toch de nieuwe regering moest verdedigen als fractieleider bij Groen, kreeg een mooi compliment voor zijn incasseringsvermogen: “U bent een groot politicus.” Hier en daar las een cynicus daarin een poging om Groen nog wat harder te verdelen, maar dat intentieproces lijkt ongepast.


Past het compliment van Francken in de zoektocht naar een nieuwe toonzetting? Het is niet uitgesloten, want ‘respect’ is tegenwoordig dus het buzzword in de Wetstraat. Het is pas omdat ze ‘respect’ voor elkaar en elkaars gevoeligheden hadden, dat de Vivaldisten een regering konden vormen. De Wever bleef tot de laatste minuut van zijn paars-gele poging – tot zijn fameuze interview in Terzake – op een heel ándere toon zingen. De toon die blijkbaar vandaag niet meer helpt, maar die hem wel groot heeft gemaakt.


Het politieke debat was een beetje ingeslapen toen De Wever voor het eerst zijn neus aan het venster stak, als columnist in De Standaard en De Morgen en vrij snel ook als voorzitter van de N-VA, een partij met maar één verkozene in de Kamer: medestichter Geert Bourgeois. In een interview met Knack noemde hij zichzelf een Duvel, een bier met een sterke, maar duidelijke smaak dat schril afsteekt bij pakweg Heineken, waarmee hij de andere politici vergeleek. De Wever was te nemen of te laten en nam standpunten in waarmee je het zowaar oneens kon zijn – een zeldzaamheid in die paarse dagen, toen toppolitici grossierden in voorspelbare, flauwe, afgeborstelde platitudes.


De N-VA-kopman had het killer­instinct van een topsporter. Hij trok niet naar een debat om op hoffelijke wijze wat argumenten uit te wisselen met de tegenstander; nee, hij trok naar een debat om de tegenstander in de pan te hakken. Dat lukte dan ook bijna altijd. Omdat hij ook inhoudelijk en ideologisch een boeiend verhaal had, deden de media de rest. Toen Siegfried Bracke nog op de VRT werkte, placht hij weleens te zeggen dat men in pakweg Terzake nog eens “een Weverke” moest doen – om het animo en de kijkcijfers op te krikken. Als De Wever op het scherm verscheen, gebeurde er iets. Interviewers uit die tijd herinneren zich dat: hij antwoordde echt op de vragen die hem werden gesteld, en vluchtte nooit weg in holle praatjes. Zelfs als hij de filosofische toer opging, bleven mensen ademloos zitten. Legendarisch blijft zijn debat met wijlen Etienne Vermeersch in Reyers laat bij Lieven Van Gils: de best bekeken aflevering ooit, terwijl wellicht maar weinig kijkers enig idee hadden waar het debat precies over ging.


Scherp, boeiend en never a dull moment: ziedaar een paar ingrediënten van het succes van Bart De Wever. Helaas greep de tragiek van de macht hem gaandeweg bij de keel: de intellectueel werd een producent van debatfiches, de scherpe debater ging echt kritische interviews uit de weg, en de man met de scherpste tong – we schreven het hier eerder – bleek tegelijk ook de langste tenen te hebben. Zo snoeihard als hij is voor de anderen, zo gekwetst reageert hij zelf als iemand hem een koekje van eigen deeg bezorgt.



Sammy Mahdi (CD&V) heeft met asiel en migratie dé post om populair te worden. 

Beeld Photo News


Een gedachte-experiment: beeld u maar even in hoe De Wever zou reageren mocht een andere politicus over hém zeggen dat hij tijdens onderhandelingen “op de knieën” moet gaan, de “mond moet opendoen” en dan “slikken”. Hij zou het goor noemen, en onder de gordel, en onfatsoenlijk, en niet de moeite om ernstig op te reageren. Toch deed hij die uitspraken zelf onlangs over de liberalen, bij Gert Late Night. Dat hij naar eigen zeggen niet wist dat die “cafépraat” zou worden uitgezonden, is totaal ongeloofwaardig. Zegt ook Jan Peumans in het al vermelde Humo-interview. Net zoals een door de wol geverfde politicus niet het vuile werk van een andere politicus opknapt in een Terzake-studio, weet een door de wol geverfde politicus dat zulke gore uitspraken met een camera in de buurt sowieso worden uitgezonden, tenzij je smeekt om dat niet te doen.


OPNIEUW CONCURRENTIE

De puzzel die voorligt, is complex. Voor iedereen, maar in de eerste plaats voor Bart De Wever. Vivaldi moet gewoon – nu ja, ‘gewoon’ – proberen om goed te besturen, zonder al te veel gekibbel. Met het coronabeleid is de ploeg in elk geval goed vertrokken – een kordate breuk met het gesukkel en gesteggel van de voorbije maanden. Maar de crisis en de gevolgen ervan bedwingen wordt nog een helse taak. Als Vivaldi daarin slaagt, zou dat weleens een nieuw begin kunnen zijn voor de traditionele partijen – vooral Egbert Lachaert en Conner Rousseau maken, bij goed beleid dat de burger moed geeft, kans op een rehabilitatie voor hun partijen. Omdat ze deden wat niemand meer mogelijk achtte, en omdat ze niet drijven op polemiek, maar op samenwerking.


Vooral Conner Rousseau heeft iets wat de jonge De Wever had: in de chartbeats – zeg maar de leescijfers – van online-artikelen blijkt dat hij aandacht naar zich toe zuigt. Ook Rousseau is scherp, boeiend. Ook bij hem: never a dull moment – hij is misschien wel wat té snel en kort op de bal, getuige daarvan de perikelen met cultuurcentrum Vooruit en de nakende naamsverandering van sp.a. Maar hij geniet zelfs het respect van Bart De Wever – wat bijzonder is. Het is alsof de ene in de andere iemand herkent die, weliswaar op een andere manier, toch een beetje op zijn niveau speelt. Met de terugkeer van Frank Vandenbroucke moet ook wie hem aanvankelijk wegzette als een flierefluiter, toegeven dat Rousseau misschien toch weet waar hij mee bezig is.


Er is, kortom, eindelijk nog eens wat degelijke concurrentie voor de man die ooit alles en iedereen omverblies. Ook Alexander De Croo zelf, en vicepremiers zoals Vandenbroucke en Petra De Sutter van Groen, kunnen snel klimmen in de volksgunst. CD&V’er Sammy Mahdi heeft met asiel en migratie dé post om populair te worden – op voorwaarde dat hij snel meer mensen opsluit en uitwijst. Verrassingen zijn evenmin uitgesloten. Zelden heeft de Wetstraat zo nieuwsgierig uitgekeken naar verse peilingen.


De vijfde verlenging van zijn voorzitterschap, straks in november, zou voor De Wever weleens de verlenging te veel kunnen zijn. Hij weet dat zelf beter dan wie ook. Maar ook dat hoort er voor hem bij: de generaal laat zijn troepen niet in de steek, en blijft op het slagveld staan. In het besef dat federale oppositie met Vlaams Belang lastig wordt, tenzij Vivaldi zichzelf in de prak rijdt. In het besef dat zijn eigen Vlaamse minister-president Jan Jambon al een hele tijd geen Sterke Jan meer is – en dat hij zelf beter op die stoel zou gaan zitten, om te redden wat er nog te redden valt. In het besef dat een politicus van zijn niveau meestal net iets te lang aan de macht blijft kleven – De Wever herinnert zich zeker hoe wijlen sp.a-baas Steve Stevaert na jarenlang het knuffeltje van de progressieve pers te zijn geweest, in 2004 tijdens de Pop Poll van Humo in het Sportpaleis door een hele groep werd uitgefloten. De Wever weet als geen ander dat succes eindig is.


En dus moet hij zichzelf nu heruitvinden. Als hij een jukebox wordt die de komende vier jaar dezelfde plaat blijft spelen, zult u hem gaandeweg minder vaak in de media vinden. Hij heeft ineens wel heel veel concurrentie: nieuwe gezichten die erin geslaagd zijn om de regering te vormen die niemand nog voor mogelijk hield.


Is 2024 al beklonken? Allerminst. Het is lang geleden dat de onvoorspelbaarheid van de politiek nog eens zo groot was. Dat is buitengewoon gezond voor de democratie.


Een uitgebreide versie van deze tekst verschijnt in de week van 19 oktober als extra hoofdstuk in het e-book De tragiek van de macht. Dat hoofdstuk zal ook gratis te downloaden zijn op de website van Lannoo.


Top






Lost Alexander De Croo Bart De Wever af?


Als nieuwe eerste minister heeft Alexander De Croo (Open VLD) een kans om Bart De Wever (N-VA) af te lossen als de belangrijkste politicus van Vlaanderen.


Walter Pauli  - Knack



Bart De Wever en Alexander De Croo © belga


Als de 44-jarige liberaal Alexander De Croo straks als Vlaamse eerste minister bezit neemt van de Wetstraat 16, zal hij een regering leiden met een bijzondere ambitie, een voluntarisme dat niet alleen moet blijken uit de letterlijke afspraken in de tekst, maar dat vooral tussen de regels te lezen valt. Het regeerakkoord van de Vivaldi-coalitie leest eigenlijk als een grondige poging om een tijdperk - eigenlijk een decennium - af te sluiten: een tijdperk waarin de N-VA verkiezingen won en de Wetstraat domineerde.


En zeggen dat N-VA-voorzitter Bart De Wever dat misschien nooit had gekund als Alexander De Croo hem daarbij tien jaar geleden niet had geholpen. Want in het voorjaar van 2010 besliste de nieuwe, volkomen onervaren (hij was zelfs nooit gemeenteraads- of OCMW-lid geweest) en slecht geadviseerde voorzitter van Open VLD, Alexander De Croo dus, eenzijdig om 'de stekker eruit te trekken'. 'Eruit': dat was tegelijk uit de communautaire onderhandelingen onder leiding van oud-premier Jean-Luc Dehaene (CD&V), uit de federale regering-Leterme II en eigenlijk uit het hele Belgische overlegmodel zoals het toen functioneerde.


Bij de daaropvolgende verkiezingen betaalde Open VLD de overhaaste beslissing van de jonge voorzitter cash. Meer, op 13 juni 2010 deed zich een van de belangrijkste verschuivingen sinds de Tweede Wereldoorlog voor in het politieke landschap. Voor het eerst werd een Vlaams-nationalistische partij de grootste politieke formatie van het land. De N-VA haalde meer dan 1,1 miljoen stemmen (28,2 procent van de Vlaamse stemmen) en was daarmee bijna dubbel zo groot dan de verzamelde concurrentie - CD&V viel terug tot 17,6 procent, SP.A tot 15 procent en Open VLD tot 14 procent.


Op zijn 44e beheerst Alexander De Croo de kunst om zich duidelijk uit te spreken

zonder de ander te moeten schofferen.


Dat Bart De Wever daarmee doorstootte tot eerste politicus van Vlaanderen, heeft hij natuurlijk vooral aan zichzelf te danken, maar ook aan Alexander De Croo die met zijn sterk communautair gekleurd manoeuvre een opgefokt klimaat had gecreëerd dat de scherpe en immer vileine De Wever helemaal in de kaart speelde. Zo gaat dat altijd: je kunt zo goed mogelijk zijn als je wilt, maar de omstandigheden moeten meezitten. Voor dat laatste had Alexander De Croo gezorgd, zonder het te willen.


Het werd hem in eigen rang niet in dank afgenomen. Drie jaar eerder, bij de verkiezingen van 2007, had de partij van Alexander De Croo nog 18,8 procent gehaald.


Daardoor was De Croo zelf ook vleugellam geworden als partijleider. Het heeft even geduurd voor hij dat kon inzien, maar sinds hij in 2012 Vincent van Quickenborne opvolgde als vicepremier, heeft De Croo zich omgevormd tot het soort politicus dat hij wil zijn. Hij is geen stekkertrekker of communautaire bommensmijter meer, geen haantje-de-voorste van de rechts-liberale zaak, maar een politicus van het redelijke beleid, van een nieuwe vorm sociaal-liberalisme (dat hij anders invult dan het sociaal-paternalisme van zijn vader Herman), van een politiek van de goede manieren ook. Op zijn 44e beheerst Alexander De Croo de kunst om zich duidelijk uit te spreken zonder de ander te moeten schofferen.


Het heeft ongetwijfeld met verkiezingsuitslagen te maken, maar ook met de tijdsgeest, dat de verhoudingen tien jaar later fundamenteel zijn gewijzigd: terwijl De Wever op zijn retour is, heeft Alexander De Croo nooit zo sterk gestaan als vandaag. Als vicepremier kreeg hij steeds meer respect, al deed het de reputatie van De Croo de laatste twee jaren natuurlijk geen goed dat Charles Michel (MR) tijdens zijn regering van lopende zaken meer een leeglopende ballon was dan een echte regeringsleider, en Sophie Wilmès nooit kon doen vergeten dat ze eigenlijk een stand-in was van betere politici die door omstandigheden niet ter beschikking waren.


Intussen kreeg de liberale vicepremier in zijn uitspraken en optredens welhaast presidentiële allures. Vandaar dat het vorige week haast als vanzelfsprekend werd ervaren dat de koning Alexander De Croo als co-formateur aanstelde - in duo met PS-voorzitter Paul Magnette. De publieke opinie aanvaardde De Croo toen al als een van de 'natuurlijke' politieke leiders van het land, en dus als een logische premier.


De Croo's aanstelling markeert nu al het einde van de N-VA als leidende politieke partij van het land


Het gaat om méér dan een persoonlijke wissel aan de top van de regering. De Croo heeft de kans, zo niet de opdracht, om het gezicht te zijn van een wissel naar een nieuwe politieke cultuur, van een andere omgang met de samenleving. Zijn aanstelling markeert nu al het einde van de N-VA als leidende politieke partij van het land - het was bepaald niet de ambitie van Bart De Wever om zijn partij in de gegeven omstandigheden naar de oppositie te leiden. Belangrijke N-VA'ers geven off en ook steeds meer on the record toe dat het 'zuur' is dat zij geen deel uitmaken van de meerderheid.


Als Alexander De Croo in 2010 de man was die de poort opende voor het succes van Bart De Wever, dan is hij vandaag alleen maar eerste minister kunnen worden omdat De Wever verdwenen is van het hoofdpodium in de nationale politiek. Het Antwerpse stadhuis, van waaruit hij tussen 2014 en december 2108 de federale regering dirigeerde, dreigt voor hem de Marquee van Pukkelpop te zijn: een belangrijke neventent voor goede optredens, maar de échte grote toeschouwersaantallen hebben de ogen op een ander gericht.


Tussen 2010 en 2020 was de invloed van de N-VA nauwelijks te overschatten. Toch zeker op de politieke cultuur en het maatschappelijke vertoog in het land, veel meer dan op het beleid. Hou maar eens een ruime bevraging bij professionele Wetstraatwatchers, van journalisten en politicologen tot beleidsmedewerkers, bedrijfsleiders en verantwoordelijken bij belangrijke sociale organisaties: er zijn niet gek veel N-VA'ers die zich ontpopt hebben tot baanbrekende bestuurders. Als de N-VA één zaak heeft weten doen, dan is het de toon zetten van het debat. Bart De Wever was er vele jaren lang zelfs een meester in, en het heeft hem zeker bij de eigen achterban haast incontournabel gemaakt. In de jaren tachtig en negentig had PS-voorzitter Guy Spitaels de bijnaam 'Dieu'. Voor de N-VA'ers stond De Wever nog hoger.


Geen enkele N-VA'er die er niet van overtuigd was dat de indrukwekkende electorale zeges in 2010, 2012 en 2014 de politieke vertaling waren van wat zich ook in werkelijkheid voordeed in het land: dat Vlaanderen inderdaad een conservatieve, rechtse en zelfs enigszins harde samenleving geworden was, en dat het beleid daarvan de weerspiegeling moest zijn. Zinnen als 'de tijd van pamperen is voorbij' werden niet meer begrepen als politieke propaganda of de opinie van een bepaalde strekking, maar werden als het ware als een nieuwe werkelijkheid aangenomen.


Die idee zit zo ingeslepen in de Vlaamse rechterzijde dat ook de verkiezingen van 2019 alleen maar via dit spectrum bekeken konden worden. Dus ook al leed de N-VA op 26 mei een historische nederlaag - zelden in de geschiedenis van dit land verloor een belangrijke regeringspartij in één klap zoveel kiezers - toch werd de uitslag in het klassieke 'frame' geperst: opnieuw had het Vlaams-nationalisme gezegevierd. Alleen jammer dat die andere partij, het Vlaams Belang, ditmaal met het gros van de stemmen ging lopen. Maar dat kwam omdat de andere partijen de N-VA het leven zo vreselijk zuur hadden gemaakt. En wat gebeurd was met het Marrakeshpact zagen de N-VA daarvoor als het beste bewijs: 'men' gunde de N-VA niets.


Er zijn niet gek veel N-VA'ers die zich ontpopt hebben tot baanbrekende bestuurders.


Door de mantra te blijven herhalen dat 26 mei een 'rechts en Vlaams' signaal van de kiezers was, is de N-VA, van de top tot de basis, doof en blind gebleven voor elke andere uitleg voor de verkiezingsuitslag. Er valt bijvoorbeeld toch wel iets voor te zeggen dat de verkiezingen van 26 mei vooral een overwinning waren van partijen die ernstige kritiek hebben op 'het systeem': het Vlaams Belang, de PVDA, Ecolo en (een piepklein beetje) Groen (dat veel minder stemmen won dan verhoopt, maar wel twee extra Kamerzetels inpikte).


Omgekeerd hebben die verkiezingen tot een duidelijk verlies geleid voor de partijen en de politici die het systeem schraagden. Zeg maar: de zogenaamde trado's, dus CD&V, Open VLD, SP.A... én N-VA. Waarin zou de N-VA, behalve in haar zelfbeeld en het getoeter van een legioen anonieme trollen op sociale media, bij de verkiezingen van 2019 geen systeemdragende partij zijn? Top-N-VA'er Geert Bourgeois was de minister-president van een Vlaamse regering met nog eens N-VA'ers op Openbare Werken en Binnenlands Bestuur. In de federale regering waren de ministers van Binnenlandse Zaken, Financiën, Defensie en Ambtenarenzaken allemaal N-VA'ers geweest. De voorzitters van de Kamer en van het Vlaams Parlement waren N-VA'ers. Net zoals de burgemeesters van Antwerpen, Aalst, Hasselt, Sint-Niklaas of Blankenberge allemaal N-VA'ers zijn.


Als de kiezer zo'n partij nu niet tot de 'behoeders van de bestaande orde' zou rekenen, wanneer dan wel? Dat beeld werd geaccentueerd door de uitsluiting van het rebellerende duo Hendrik Vuye en Veerle Wouters. Maar een beetje N-VA'er hoorde die uitleg niet eens.


Daarbij bleef men blind voor het feit dat er nog een ander Vlaanderen bestaat dan het land dat de N-VA in haar retoriek opvoert. Zeker, de Vivaldi-coalitie heeft geen meerderheid in Vlaanderen. Maar de rechts-Vlaamse oppositie heeft die evenmin: Vlaams Belang en N-VA hebben samen 42 zetels, tegen.... exact evenveel Vlaamse Vivaldi-zetels (12 CD&V'ers, 12 Open VLD'ers, 9 SP.A'ers en 9 Groenen).

Als N-VA en VB roepen dat Vivaldi 'Vlaamsvijandig' is, dan hebben ze daarvoor de zetels nodig van de 3 PVDA'ers die verkozen zijn in Vlaanderen (eventueel nog aangevuld met één Nederlandstalige PVDA'ster uit Brussel). Nog anders gezegd: als er in de Vlaamse politiek een lijn getrokken wordt tussen de V-partijen en de niet-V-partijen, zijn sinds de verkiezingen van 19 mei 2019 de niet-V-partijen in de meerderheid.


Alexander De Croo heeft als eerste minister van de coalitie van 'dat andere land' de opdracht om duidelijk te maken dat er een meer solidair, milieubewust, meer internationalistisch en zeker meer multilateraal gericht Vlaanderen bestaat dan veel Vlamingen het laatste decennium voetstoots hebben aangenomen, ook al omdat ze nauwelijks iets anders hoorden.


Sinds de laatste verkiezingsnederlaag is Bart De Wever steeds schriller en agressiever gaan klinken.


Er zullen de volgende dagen nog riemen papier besteed worden aan een tekstuele analyse van het regeerakkoord. Maar alleen al de punctuele kritiek die gewezen staatssecretaris Theo Francken (N-VA) heeft gemaakt op Twitter van bijvoorbeeld Defensie, is an sich een zeer duidelijke illustratie van het gegeven dat er straks wezenlijk andere klemtonen worden gelegd dan vandaag. (Of die beter of slechter zijn, hangt af van de politieke voorkeur van de kiezer. Maar anders zijn ze in vele gevallen zeker wel.) Er zal geen woonstbetreding mogelijk zijn om uitgeprocedeerde asielzoekers op te pakken. Er zullen wellicht geen Belgische F-16's meer worden ingezet in Syrië tegen de terreurgroep IS. Of, helemaal anders, als er vastgehouden wordt aan de bestaande afspraken en de huidige agenda van de kernuitstap, dan zullen tijdens de volgende legislatuur ingrijpende beslissingen moeten worden genomen over onze energie. Toch als de regering het land niet wil opschepen met grootschalige energietekorten, maar ook met het hoognucleaire afval - de echte hamvraag?


En zelfs dat (deels) andere beleid zal ondergeschikt zijn aan de vraag of Alexander De Croo op zijn beurt de toon zal kunnen zetten in het politieke debat. Het is al meer gezegd en geschreven, maar sinds de laatste verkiezingsnederlaag is Bart De Wever steeds schriller en agressiever gaan klinken. Het lijdt geen twijfel dat zijn onnodige en overdreven harde uithaal naar Open VLD-voorzitter Egbert Lachaert ertoe heeft bijgedragen dat eerst de liberalen en vervolgens ook de andere partijen de N-VA de rug hebben toegekeerd: trop is te veel, naar het legendarische gezegde van oud-premier Paul Vanden Boeynants.


Want ook al is Theo Francken nog altijd kop van Jut bij de linkerzijde vanwege een aantal gepeperde commentaren op sociale media, de oud-staatssecretaris van Asiel en Migratie is in zijn partij al lang niet meer de ruigste, de felste of de ergste. Eén voorbeeld. Vorige week was Zuhal Demir (N-VA) het grondig oneens met Mathias De Clercq (Open VLD). Dat is haar goed recht. Maar het is waarlijk ongezien dat een Vlaams minister van Justitie, Handhaving, Omgeving en Toerisme op Twitter de burgemeester van Gent uitscheldt voor 'parvenu', een 'echte bondgenoot van de antipolitiek' of 'een stokende haatsmurf' die 'alles op een familiaal schoteltje kreeg' en 'spuwt in het gezicht van mensen die terecht boos zijn en protesteren'. En dat dus allemaal in minder dan 280 lettertekens, en blijkbaar alleen maar omdat De Clercq erop gewezen had dat er zondag ook N-VA'ers aanwezig waren op de grote VB-betoging op de Heizel.


Het is dus geen toeval dat Alexander De Croo in zijn eerste interview als premier juist een punt maakte van die noodzakelijke cultuuromslag: de nieuwe wil aan politiek doen 'met meer pragmatisme, samenwerking en meer respect. Want hardheid heeft nog nooit iemand vooruitgeholpen'.


Het wordt afwachten of Alexander De Croo ook echt in staat zal zijn om de kansen te grijpen die zich voordoen.


Daarmee zet De Croo de val open voor de N-VA. De partij heeft al een 'harde oppositie' beloofd, en de eerste bijeenkomst van de Kamer na het zomerreces is al uitgedraaid op een forse scheldpartij, waarbij een aantal N-VA'ers zich niet onbetuigd lieten. Als Peter De Roover en co. straks meteen de charge met de blanke sabel inzetten tegen de nieuwe premier en zijn kabinet, dan heeft De Croo die eerste veldslag vooraf al gewonnen. De Roover en co. zullen hun strategie moeten bijstellen. De N-VA-fractieleider kan inspiratie halen uit de tijd dat hij zich in zijn geschreven bijdragen in Doorbraak manifesteerde als een geslepen intellectueel met een even scherpe als fijne pen.


Het wordt ook afwachten of Alexander De Croo ook echt in staat zal zijn om de kansen te grijpen die zich voordoen: goede manieren, een hoffelijke retoriek, een fotogenieke gentillesse en dure pakken van de betere couturiers helpen weliswaar bij het uitdragen van een boodschap en een imago, maar het volstaat natuurlijk niet om het land door de covidcrisis te leiden en alle sociaaleconomische problemen die dat met zich zal meebrengen, en dat in een onuitgegeven context van een federale meerderheid van niet minder dan zéven regeringspartijen.


Maar toch. Hoe lang zou het geleden zijn dat zowel de werkgevers van het VBO als de grote vakbonden zich beiden ongeveer evenveel verheugd hebben getoond met de vorming van een nieuwe federale regering? Dat strookt alvast met de manier hoe Alexander De Croo het land wil laten leiden: zijn regering 'heeft ervoor gekozen om de tegenstellingen achter zich te laten. Om niet de nadruk te leggen op de verschillen, maar op wat we gemeenschappelijk hebben.' Dat klinkt allemaal verstandig. Hopelijk is ook MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez overtuigd van de inhoud én de geest van het akkoord dat hij ondertekende.


Top






Manifest van een boze burger


Een vlammend betoog over de coronapandemie


Joël De Ceulaer  - De Morgen



'U en ik mogen nog zo flink zijn, als anderen het blijven verpesten,

zullen wij nog lang een tango dansen met dit virus.' Beeld Sven Franzen


Hij leeft al zes maanden als een kluizenaar, met inbegrip van zijn gezin. Hij neemt het virus nog altijd zéér ernstig, en past de maatregelen strenger toe dan de overheid van hem verlangt. De opflakkering van de cijfers deed onze redacteur deze week in toorn ontsteken. Dit is zijn persoonlijke getuigenis.


Schrik niet als u vanaf volgende week elke donderdag in de Wetstraat een verwarde man in astronautenpak op het trottoir ziet zitten met een bordje ‘Staken tegen corona’. Dat zal ik dan zijn, die zijn innerlijke Greta Thunberg heeft losgelaten. Toen ik het klimaatmeisje een jaar geleden in zichtbare woede zag ontsteken op een vergadering van de Verenigde Naties – ‘How dare you!’ – vond ik dat eerlijk gezegd een beetje aanstellerij. Vandaag niet meer. Vandaag begrijp ik haar. De gloeiende boosheid die zij voelt bij de vaststelling dat onze leiders en talloze burgers de klimaatopwarming niet ernstig genoeg nemen, welnu, die boosheid begin ik te voelen bij de vaststelling dat onze leiders en talloze burgers dit virus niet ernstig genoeg nemen. Ik ben boos. En ik zal u precies uitleggen waarom. Dan hebt u straks de keuze uit twee reacties. Eén, u vindt mij belachelijk – in dat geval: even goede vrienden. Twee: u bent eigenlijk óók een beetje boos – in dat geval spreek ik hier misschien een beetje mede in uw naam.


Het idee voor dit verhaal heb ik voorgesteld op een vergadering waarop ik niet aanwezig was. Toch niet fysiek. Terwijl de collega’s van de weekendploeg maandagmiddag hadden postgevat in de schaduw van onze Antwerpse kantoortoren, aan een tafeltje in de zachte buitenlucht, was ik louter virtueel aanwezig – als een gezicht op een computerscherm. Ik vermijd nog altijd samenscholingen van meer dan pakweg drie of vier personen.


VIRUS ALS SOUVENIR

Ook in mijn privéleven, trouwens. Vorig weekend stonden er zomaar even drie uitnodigingen voor een barbecue in onze gezinsagenda. Wij zijn thuisgebleven. En de coronacijfers zijn niet van dien aard dat we daar snel verandering in zullen brengen.


Maar laat ik alleen voor mijzelf spreken: ik leef al zes maanden als een kluizenaar. Ik ben sinds 12 maart welgeteld twee keer op restaurant geweest – de laatste keer eind mei. Ik ben met vakantie geweest in de eigen tuin. Ik ga niet meer naar de supermarkt maar laat alles thuisbezorgen. Ik heb slechts een handvol vrienden thuis ontvangen, ook alleen in de tuin – en één voor één, nooit twee mensen tegelijk, op die ene vriendin-met-baby na. Ik heb één keer twee kameraden ontmoet op verplaatsing, bij een van hen op het terras. Ik heb mijn moeder en schoonouders uiteraard bezocht, maar opnieuw: alleen buiten en altijd op meer dan twee meter afstand. Wellicht overdrijf ik, maar dat doe ik bewust. Het voordeel van mijn gedrag is namelijk: ik leef nog. Dat is prettig.


Maar als ik zie hoe het hele land – op volkomen voorspelbare wijze – opnieuw vuur heeft gevat, ben ik boos. Boos op alle mensen die het niet zo nauw nemen met de maatregelen. Boos op iedereen die wel feestjes bouwt, die geregeld staat te drinken en te zingen en te springen. Boos op iedereen die deze zomer van de ene rode zone naar de andere vloog en onderweg het virus heeft opgepikt, om het dan als een souvenirtje mee naar België te brengen. Boos op mensen die, omdat ze die ‘bubbels’ zogezegd niet meer begrijpen, zich nergens meer iets van aantrekken en doen alsof dat virus nooit bestaan heeft. Akkoord, de overheid heeft slecht en dom en knullig gecommuniceerd. Niemand heeft dat concept van die bubbel ooit écht begrepen. Maar was het echt nodig om dat bubbel-concept op wiskundige wijze perfect te doorgronden om te weten dat je best je contacten tot een minimum beperkt? Serieus? De mensen die de overheid nodig hebben om die simpele eenvoudige boodschap nog eens uit te leggen, hebben die de overheid ook nodig om na gedane arbeid hun poepje af te vegen? Kom nou.



'Na schooltijd moet een kudde van honderden kinderen tegelijk door de poort,

waarna velen zich als mieren in bussen moeten wringen.' Beeld Sven Franzen


Het is niet moeilijk, het is gemakkelijk. Beperk uw contacten tot een minimum. Spreek af in de openlucht. Houd altijd afstand, behalve van uw intimi. Ga ervan uit dat een masker aangewezen is, tenzij het duidelijk overbodig is – wanneer u alleen in het bos bent, of op een verlaten landweg. Neem geen risico’s, wees solidair met mensen die een zwakke gezondheid hebben of voorzichtig willen zijn. Als u twijfelt over iets, vraag u dan niet af: mag het van de overheid? Maar wel: zou het verstandig zijn? Durf te denken!


Voor alle duidelijkheid: mijn boosheid is gericht op wie slordig is en zich van voorzorgen niets meer aantrekt. Op mensen die krap behuisd zijn, geen tuin hebben en elke dag wel fysiek aanwezig moeten zijn op het werk, kan ik niet boos zijn. Integendeel, voor hen wil ik het nu juist opnemen. Het is om het leven ook voor hén weer draaglijk te maken, dat wij met z’n allen een inspanning moeten blijven doen.


Het contrast tussen mijn voorzichtigheid en het je-m’en-foutisme bij sommigen doet mij denken aan de belastingen die ik ieder jaar voorbeeldig ophoest. Als coronakluizenaar voel ik mij de bediende die altijd de volle pot aan de fiscus betaalt, terwijl een deel van de bevolking er de kantjes afloopt – door in het zwart te werken, de fiscus te dribbelen of vermogens te verstoppen op belastingparadijzen. Fiscaal gezien ben ik de klos. Viraal gesproken ook: ik – en velen met mij – mogen nog zo flink zijn, als sommigen het maar blijven verpesten, zullen wij met z’n allen nog lang een tango dansen met dit virus.


SLECHTE COPYWRITERS

Let wel. Ik ben uiteraard ook boos op de overheid. Dat Maggie De Block en Wouter Beke nog altijd minister zijn – ik mag daar niet te diep over nadenken, of het wordt mij zwart voor de ogen. Dat Sophie Wilmès noch Jan Jambon van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om leiderschap te tonen – het maakt mij af en toe cynisch, veel cynischer dan het formatiecircus mij ooit maakte. De speech die de premier dinsdag gaf, had ze ons mogen besparen. Ze heeft zich, net zoals vele andere ministers, trouwens lang verstopt achter experts. En áls politici al geïnterviewd werden, kwamen ze makkelijk weg.


Ja, ik ben ook boos op sommige collega-journalisten, die zelden echt doorpakten. Zeker in het begin van de crisis gedroegen sommigen zich als de copywriters van de overheid. Het is buitengewoon jammer en zeer onsympathiek dat ik dit nog eens moet zeggen, maar ook de openbare omroep reed geen fraai parcours. Ik wil niet veralgemenen, bij momenten was iemand wel degelijk eens alert, maar grosso modo was de verslaggeving ondermaats. Ook in de schrijvende pers. Ik ben vooral boos op collega’s die aanvankelijk ook schreven dat mondmaskers geen nut hadden – zelfs niet vóór de lockdown. Die het riedeltje van dat ‘valse gevoel van veiligheid’ echt geloofden.


Jazeker, ik ben dus ook nog altijd boos op Marc Van Ranst en andere experten die het nut van een mondmasker bewust minimaliseerden omdat we er nu eenmaal niet voldoende hadden. Men had eerlijk moeten zijn, en zeggen: laat de professionele maskers voor de zorg, maar draag zelf nu al een sjaal of bandana en maak zo snel mogelijk zelf een stoffen exemplaar. Die boodschap, begin maart, had misschien levens kunnen redden. Ik zeg dit met frisse tegenzin, maar mijn vertrouwen in experts is aangetast. Mijn vertrouwen in de wetenschap is intact gebleven: er bestaat geen enkele methode die ons beter kan leren hoe de wereld in elkaar zit. Maar de individuele wetenschapper is helaas feilbaar, beïnvloedbaar en kan in een bui van paternalisme besluiten dat het zijn taak is om de mensen gerust te stellen, in plaats van te zeggen hoe het écht zit. Ik ben het dus eens met Erika Vlieghe die vindt dat minimaliseren hét grote probleem is. Ik voeg daar graag aan toe dat paniek zeker géén probleem is in België – al zal dit artikel wel weggezet worden als paniekzaaierij. Het zij zo. Dat neem ik erbij.


CODE GEEL IN DE KLAS

Dat ik boos ben op minister van Onderwijs Ben Weyts, spreekt vanzelf. Niemand heeft koppiger zijn wil doorgedreven dan hij. Dat is zijn recht, maar het mag meer argwaan wekken. In zijn denkbubbeltje ging er geen weg naast: alle scholen moesten en zouden vollédig opengaan. Zonder nuance. Zonder discussie. In code geel. Zondag zei Weyts in De zevende dag dat ook onze universiteiten en hogescholen zeker zullen openen in code geel. Merkwaardig standpunt. Gelukkig zijn de rectoren van de UGent en de Universiteit Antwerpen slim genoeg om Weyts niet te volgen. Zij openen in code oranje. Wat mij bij de vraag brengt: wat hebben studenten meer dan scholieren? Er is geen virologische reden om een onderscheid te maken tussen iemand van 15 en iemand van 18 – en toch loopt de eerste gevaar in kleine, volle lokaaltjes en wordt de tweede beschermd.


Ik heb ondertussen met pijn in het hart mogen vaststellen hoe elke schooldag inderdaad een ‘massa-evenement’ is, zoals Steven Van Gucht het noemde. Het leeglopen van de school van mijn dochter kan ik nog het beste vergelijken met een stampede in een western: een kudde van honderden kinderen die tegelijk door een poort van tien meter breed moeten, waarna velen zich als mieren in bussen moeten wringen.



'Ik ben boos op mensen die geregeld staan te drinken en te zingen en te springen.

Ikzelf heb vorige week drie uitnodigingen voor een barbecue afgeslagen.' Beeld Sven Franzen


Woensdag kregen we voor het eerst nieuws over het aantal besmettingen in de scholen. Er is, zo liet minister Weyts weten in een persbericht, tot dusver bij 638 leerlingen en 86 personeelsleden “een positieve Covid-19-test afgenomen”. Het percentage dat hij erbij vermeldde, doet – en wellicht is dat de bedoeling – vermoeden dat het probleem beperkt is: het gaat zowel bij leerlingen als bij leerkrachten om 0,05 procent van de populatie. “Open communicatie”, aldus de minister. Helaas is die communicatie niet zo geweldig open, en veeleer frustrerend voor wie wil weten hoe het precies zit. Wat de bevolking moet weten, is niet alleen hoeveel positieve testen er werden afgenomen, maar hoeveel testen er in totáál werden afgenomen – en hoeveel daarvan positief waren. We moeten de zogenaamde positiviteitsratio kennen. Wie in de cijferzee van Sciensano duikt, lijkt daar te zien dat die ratio tussen de drie en de vier procent ligt, ongeveer zoals bij de rest van de bevolking, maar toch moet het achterdocht wekken dat Weyts niet transparant communiceert. Wordt er genoeg getest in onze scholen? Wie de draaiboeken bekijkt, ziet dat – zeker in het basisonderwijs – weinig of niet getest wordt. Hoe het écht zit in onze scholen, weten we dus nog niet. Afwachten. En duimen.


Omdat ik die vraag al vaak heb moeten beantwoorden: ik wil natuurlijk niet dat de scholen dicht blijven. Ik heb alle begrip voor de noden van kansarme kinderen en de leerachterstand die velen kunnen oplopen. Maar de scholen hadden genuanceerder moeten openen: met meer spreiding, meer plekken met code oranje, in elke school een koolstofdioxidemetertje – het had voorzichtiger gekund.


Dat virologen hun hart vasthielden voor de verwoestende kracht van de scholenlobby – die in opiniestukken stelde dat de scholen sowieso open móésten – was overigens direct duidelijk. Toen Stef Wauters in VTM Nieuws net voor de schoolstart aan Marc Van Ranst vroeg of dat virologisch wel verantwoord was, voelde je dat Van Ranst er niet gerust op was, maar het beleid ook niet wilde afkraken – de mondmaskers in de middelbare klas zijn immers een goede, belangrijke toegeving. Experten hebben een compromis gesloten en dat compromis mee verdedigd.


Wat niet noodzakelijk geweldig gezond is. Politiek en wetenschap zijn verschillende disciplines. Een politicus wil mensen overtuigen – zijn doel is macht. Een wetenschapper moet mensen informeren – zijn doel is de waarheid. Dat een politicus soms demagogisch uit de hoek komt, is normaal. Wetenschappers mogen dat niet. Die moeten altijd naar waarheid spreken: zeggen wat ze weten, wat ze niet weten, wat bekend is en wat nog niet bekend is. Onzekerheid is normaal, maar er moet op gewezen worden. En in een crisis als deze moet het voorzorgsprincipe zegevieren. Niet omdat dat principe heilig is, maar omdat het hier doorweegt: de kost van nietsdoen ligt te hoog. Beeld u in wat er zou gebeurd zijn mochten we in maart geen lockdown hebben gehad – en nee, zo erg als in maart wordt het wellicht niet meer, dankzij een aantal medische ingrepen waarvan we al weten dat ze helpen, maar toch kan het de komende weken flink uit de hand lopen.


BRIEVEN VOL FOUTEN

Dat hebben de experts deze week ook uit volle borst geroepen. Van Marc Van Ranst en Niel Hens tot Erika Vlieghe en Geert Molenberghs: ze trekken aan de alarmbel. Maar het draagvlak om goed te luisteren naar wat ze zeggen, is wat weggesmolten. Waarschuwen voor een nieuwe calvarietocht is niet langer populair. Virologen worden tegenwoordig met de dood bedreigd. Ook dat maakt mij boos. Het is niet door op de boodschapper te schieten, dat de boodschap verandert. Maar goed, de mensen zijn – zo horen we steeds vaker – nu eenmaal coronamoe, nietwaar?


Dat brengt mij bij een aantal auteurs van Open Brieven, een genre dat de laatste tijd een flinke heropleving kent. Soms is zo’n Open Brief nuttig, bijvoorbeeld als een prangende kwestie naar de top van de maatschappelijke agenda dient te worden gekatapulteerd. Hoeveel kinderen uit Moria we opvangen, bijvoorbeeld.


Het probleem is dat een paar van de Open Coronabrieven vol fouten stonden. Nemen wij bijvoorbeeld het epistel dat door honderden artsen en gezondheidsprofessionals is ondertekend. Die brief is boosmakend om verschillende redenen. Ten eerste deed men alsof alle problemen achter ons lagen – ik citeer een stukje uit de inleiding: “Wij stellen dat de maatregelen om het coronavirus onder controle te krijgen buitenproportioneel zijn en meer schade aanrichten dan dat zij goed doen. Er is geen medische grond meer die dit beleid nog rechtvaardigt: we pleiten dan ook voor een onmiddellijke beëindiging van alle maatregelen.” Ten tweede staat de brief vol onwaarheden: zo wordt er onder meer gesteld dat asymptomatische dragers het virus niet kunnen doorgeven, en dat er geen evidentie is voor het nut van mondmaskers of social distancing.



'Dat Maggie De Block en Wouter Beke nog altijd minister zijn – ik mag daar niet te diep over nadenken,

of het wordt mij zwart voor de ogen.' Beeld Sven Franzen


Van mijn schier onuitputtelijke reservoir aan boosheid heb ik een flinke portie bewaard speciaal voor Lieven Annemans. De Gentse gezondheidseconoom heeft zich de voorbije weken een polsverstuiking getekend aan Open Brieven. Sommige daarvan konden er nog mee door, in andere stonden – helaas – fouten. Dat zeg ik niet, dat zei immunoloog Hans-Willem Snoeck vorig weekend in De Morgen: “De bevolking leest zulke brieven en denkt dat er wel een grond van waarheid in zal schuilen. Terwijl het pure desinformatie is. Dat kan ik als wetenschapper totaal niet aanvaarden. Je mag mensen hoop geven, maar je mag geen cijfers verdraaien.” Annemans, die onder meer het sterftecijfer van Covid-19 vergeleek met dat van de seizoensgriep, is volgens Snoeck zijn geloofwaardigheid kwijt. Dat hij zichzelf op een aantal punten al heeft gecorrigeerd, siert hem, maar toch hoort professor Annemans volgens mij nog even op de reservebank van de experts bij wie we ons oor te luisteren moeten leggen.


Daarom ben ik niet alleen boos op Annemans, maar ook op ministers Pieter De Crem, Maggie De Block en anderen – die in Celeval, het adviesorgaan dat ons door de pandemie moet loodsen, ernstige wetenschappers zoals Pierre Van Damme opzij hebben geduwd en vervangen door onder meer Lieven Annemans, oud-postbaas Johnny ‘Mondmaskers hoeven we niet te verplichten’ Thijs en een paar lobbyisten.


Ik hoor in kringen van experts – off the record, in vertrouwen – dat zij “bezorgd” zijn dat in die nieuwe Celeval minder ruimte zal zijn voor “kritische reflectie en voorzichtigheid”. U leest dat goed. De enige mensen die zo’n virus correct kunnen inschatten, vrezen dat met Annemans en andere nieuwe Celevalisten “de kritische reflectie” op het spel staat.


SANDWICH MET WAARHEID

Uiteraard is kritiek niet alleen mogelijk, maar zelfs wenselijk en noodzakelijk. Wij leven in een liberale democratie die vooruitgang boekt dankzij een open en stevig debat. Op één voorwaarde: de feiten moeten kloppen. Daarom ben ik net iets minder boos op de auteurs van Open Brieven die geen leugens bevatten, maar wel een aantal volgens de auteurs te strenge maatregelen ter discussie stelden. Zo vonden sommigen de avondklok in Antwerpen sterk overdreven. En de algemene mondmaskerplicht in openlucht, die in heel wat gemeenten een tijdlang heeft gegolden, vonden ze ronduit onnozel. Ik was het daarmee eens. Natuurlijk heeft een mondmasker in het bos geen zin.


Het – allicht ongewenste – neveneffect van opiniestukken tegen de bosmondmaskers is dat ze de maatregelmoeheid mogelijk mee in de hand hebben gewerkt. Daarom ben ik toch ook een tikje ontstemd over die auteurs. Als je vindt dat er te veel maatregelen zijn en je wil dat aanklagen, focus dan op de maatregelen die wél nuttig zijn. Verdedig het nuttige. Als ik even een zijstraatje mag inslaan: de Amerikaanse filosoof George Lakoff heeft het vaak over de zogenaamde “truth sandwich”: als je fake news wil ontkrachten, begin dan niet met de leugen, maar met de waarheid: vermeld dán pas dat het fake news niet klopt en eindig met de waarheid – verpak de leugen in een “waarheidssandwich”. Dat hadden de bekampers van het eenzame bosmondmasker moeten doen: zeg eerst dat mondmaskers nuttig zijn, leg dan uit waarom ze in het bos overbodig zijn, en herhaal dan nog eens hoe verdomd nuttig ze wel niet zijn op andere plekken.



'Het is niet moeilijk, het is gemakkelijk.

Ga ervan uit dat een masker aangewezen is, tenzij het duidelijk overbodig is.' Beeld Sven Franzen


Help vooral om mensen mee te motiveren, en vermijd de indruk dat je maatregelen wil ondergraven. En schrijf niet dat het kennelijk de bedoeling van de overheid is om de “curve” te “crushen”, zoals Lieven Annemans (die bijna álle Open Brieven ondertekende) en anderen beweerden in een oproep aan de overheid om het beleid bij te sturen. Crush the curve – het aantal besmettingen tot bijna nul herleiden – is heel nadrukkelijk niet de bedoeling van de overheid. Integendeel, het is duidelijk dat men wil dat wij met het virus leren leven. Dat willen die Open Brieven óók. Maar het is het recept voor een potentiële ramp. Dat vindt ook Marc Van Ranst. Het is namelijk wat we nu al maanden proberen te doen. Met weinig succes. Om een beruchte tekst van Martin Niemöller te parafraseren: eerst beweren ze dat al die nieuwe besmettingen niet zo erg zijn, dan beweren ze dat de ziekenhuisopnames maar langzaam stijgen, dan zullen ze zeggen dat mensen minder lang op intensieve liggen dan in maart, en tot slot zullen ze zeggen dat er veel minder doden vallen dan in maart. De doelpalen worden voortdurend verschoven.


TESTEN OP HET VELD

En dus ben ik boos. Boos op de mensen die “proportionele” maatregelen willen nemen tegen een pandemie die in één klap kan exploderen. Hoe doe je dat: wat is proportioneel in relatie tot een mogelijke catastrofe? Ik ben boos op mensen die na al die maanden nog altijd niet over genoeg verbeeldingskracht beschikken om te zien dat een exponentiële curve een gevaarlijk fenomeen is. Ik ben boos op mensen die denken dat we moeten kiezen tussen virus en economie – terwijl zowel Gert Peersman als Paul De Grauwe, en vele andere economen, al duidelijk hebben gemaakt dat we de economie pas kunnen redden door het virus plat te slaan. Of tenminste, door er met een doorgedreven, zeer actief testbeleid helemaal bovenop te gaan zitten.


Maar ook dat doen we niet. Daarom ben ik boos op beleidsmakers die betrokken zijn bij het test- en contactonderzoek. Deze week sloegen huisartsen alarm: zij zullen de vraag naar testen de komende weken niet aankunnen. Terwijl men wel máánden de tijd heeft gehad om dit voor te bereiden. Profvoetballers worden getest na elke bal die ze hebben aangetikt. Wat hebben zij dat wij en onze kinderen niet hebben?



'Alle begrip voor kansarme kinderen en het gevaar van leerachterstand,

maar de scholen hadden genuanceerder moeten openen.' Beeld Sven Franzen


Klink ik bijwijlen een tikje sarcastisch? Dat is mogelijk. Ik heb al met al niet te klagen. En toch ben ik ook boos op mensen die vinden dat ik makkelijk zeuren heb – met mijn baan, in mijn tuin, met mijn verzekerde inkomen – en dat al die nare maatregelen nu eenmaal moeilijker te handhaven zijn voor mensen in zwakkere posities. Terwijl het, nogmaals, net voor hén is dat wij met z’n allen waakzaam en voorzichtig moeten blijven.


À propos, als ik eerlijk ben: hoe voorzichtig ik ook ben, toch ga ik ervan uit dat ik vroeg of laat voor de bijl moet. Ik zal dan een dagboek bijhouden. Titel: Boos en besmet. En als het een verblijf op intensieve zorg wordt, met een intubatiebuis in de luchtpijp, alvast dit: het ga u goed, ik vond het fijn voor u te mogen schrijven.


Ja, ik geef het toe. Dat klinkt pathetisch. Ik zei toch dat ik mijn innerlijke Greta Thunberg de vrije loop zou laten?

Knipoogsmiley.


Top




Wat nu Bart De Wever


Analyse


Matthias Verbergt  - De Standaard



Joris Snaet


Door toch voorzitter te blijven vermeed Bart De Wever een strijd binnen zijn eigen N-VA. Nu het lot van de partij eindelijk duidelijk lijkt – de federale oppositie – wachten hem drie grote uitdagingen: zijn opvolging verzekeren, de partij- ideologie opblinken en vanaf de zijlijn de juiste toon vinden.


Door corona waren de N-VA-fractiedagen, waarbij de Kamerleden het jaar op gang trappen, gereduceerd tot toespraken van voorzitter Bart De Wever en Vlaams minister-president Jan Jambon op 3 september. Eén dag eerder had CD&V paars-geel de doodsteek gegeven met ‘Avanti’. Jambon zat volop verwikkeld in de zaak-Chovanec. ‘Veel parlementsleden deelden hetzelfde gevoel: zo hadden we Bart nog nooit gezien’, zegt een aanwezige. De Wever was ‘sip’ en ‘het tegendeel van combattief’.


Negen dagen later kwam de partijraad samen, het hoogste N-VA-orgaan, om de ­interne verkiezingen op gang te trappen. Na zestien maanden onzekerheid kende de N-VA eindelijk vrijwel zeker haar lot: de ­federale oppositie. ‘We kregen opnieuw op onze kop’, zegt een ander Kamerlid. De ­Wever verweet zijn partij ‘vadsigheid’, ‘ongenaakbaarheid’ en ‘onzorgvuldigheid’.


De Wever was moe. Sinds de verkiezingen waarbij de N-VA een historische 285.000 stemmen verloor, had hij vanuit een verzwakte positie geprobeerd om het land richting de hertekening te sturen waar zijn partij al zo lang op wacht. Na tal van mislukte pogingen had hij de PS toch bereid gevonden de eerste stappen daartoe te zetten. Maar opnieuw moest De Wever vaststellen dat zijn partij niet krachtig genoeg was om haar analyse door te duwen.


De N-VA belandt zo weer tussen systeem – de Vivaldi-partijen – en antisysteem – ­uiterst rechts en uiterst links. ‘Dat is een heel moeilijke plaats om ons te handhaven’, zei De Wever begin deze maand in De zevende dag. ‘We zitten eigenlijk in de piepzak.’ De situatie slaat de partij terug naar 2010, toen de N-VA – ook tevergeefs – haar eerste gesprekken voerde met de PS.


Het verschil is dat de partij toen nog als politieke maagd kon opklimmen, onder meer door Vlaams Belang leeg te zuigen. Die fase is onherroepelijk gepasseerd. En zelfs na het electorale hoogtepunt in 2014 kon de partij geen communautaire stappen zetten. Intern vroeg De Wever zich de afgelopen weken luidop af of dat parcours zijn persoonlijke opofferingen wel allemaal waard was geweest.


Francken vs. Van Peel

Bij elke andere partij zou een voorzitter in zo’n situatie plaats ruimen. Niet bij de N-VA. Op de partijraad gaf 93 procent van de aanwezigen De Wever het fiat om voor de vierde keer tegen de eigen partijstatuten in te gaan en zichzelf op te volgen. In 2023 zal De Wever de N-VA bijna twee decennia geleid hebben.


De partij had het verlengde voorzitterschap nodig. Als De Wever had gepast, zou Theo Francken zich kandidaat gesteld hebben. Maar binnen de partij zit niet iedereen te wachten op Francken als voorzitter, zeggen meerdere N-VA’ers. ‘Dan waren er ongetwijfeld tegenkandidaten gekomen.’ Onder meer het populaire Kamerlid Valerie Van Peel hield zich volgens verschillende bronnen klaar.


‘We moeten bereid zijn om een aantal kiezers eventueel te verliezen.

Als we uiterst rechts achterna jagen, komen we op gevaarlijk terrein’

Peter De Roover

 N-VA-Kamerfractieleider


Dat had wellicht geleid tot een polariserend duel tussen de rechterflank van de partij, verpersoonlijkt door de ex-staats­secretaris voor Asiel en Migratie, en de ­gematigdere flank. Die kloof is al een feit. Sommige partijleden zouden Francken als voorzitter ‘een goede zaak’ hebben gevonden, anderen noemen dat ‘niet zijn rol’.


Conclusie van de partijtop: De Wever moest voortdoen. De partij is als de dood voor een scenario dat lijkt op dat van de uiteindelijk gesplitste Volksunie, de voor­loper van de N-VA. ‘De Wever is de enige die de synthese kan uitdragen’, zegt een Kamerlid. ‘Op Bart kleeft het basisverhaal van de partij’, vult Kamerfractieleider Peter De Roover aan. ‘Zo blijft de continuïteit ­bewaard.’ Het toont aan hoe afhankelijk de partij nog is van De Wever, ondanks het ­indrukwekkende aantal kopstukken dat de partij in tien jaar wist te kweken.


De expliciete belofte van De Wever aan zijn partij is wel dat er tijdens zijn komende termijn werk wordt gemaakt van een dubbele vernieuwingsoperatie. Ten eerste moet er opvolging klaargestoomd worden. Liefst gaat het om iemand van een jongere generatie, gaf ook N-VA-oprichter Geert Bourgeois al aan. Er wordt binnen de partij met opvallend veel bewondering gesproken over de 27-jarige SP.A-voorzitter Conner Rousseau.


Die zoektocht wordt aartsmoeilijk. Zonder federale ministers is het veel lastiger om bekendheid en autoriteit op te bouwen. Bovendien moet het iemand zijn die niet in een kamp te steken valt en zo de partij niet verdeelt. Veel N-VA’ers halen de schouders op bij de vraag naar potentiële kandidaten. De consensus is dat het hoe dan ook om een ander soort voorzitterschap zal gaan dan dat van De Wever. Hij blijft wellicht tot het einde van zijn carrière de ­geestelijke vader van de partij.


Ideologische herijking

Ten tweede zal de partij zich herbronnen. Na jaren van regeren, campagnes, verkiezingen en onderhandelingen komt daar nu eindelijk de ruimte voor. De Wever beloofde zijn partijgenoten een ideologisch congres, dat wellicht voor het voorjaar is. ‘De laatste jaren was er onvermijdelijk verlies van scherpte’, zegt Van Peel. ‘We moeten opnieuw helder definiëren wat onze kern is, en onze basis daarbij betrekken.’


De Wever moet zo in staat zijn een herijkte N-VA aan zijn opvolger over te laten, klaar voor een nieuw tijdperk. ‘Het is zoals een huurder die zijn appartement aan de volgende doorgeeft’, zegt De Roover. ‘Dan geef je alles een grondige poetsbeurt en vul je de gaten in de muur opnieuw op.’ Ook het profiel van de nieuwe partijvoorzitter kan daarbij aan bod komen.


De oppositierol laat toe om de zuiverheid opnieuw te zoeken. ‘Die denkoefening moet over alles gaan: van de stijl van de partij tot de thema’s die we naar voren schuiven en de mensen die daarvan het gezicht zijn’, zegt Van Peel. ‘We staan op een kruispunt. We moeten opnieuw uitstralen wat de essentie van onze partij is: recht­lijnigheid en eerlijkheid. Daarbij moet de inhoud primeren op strategische overwegingen. Zo zijn we groot geworden: door in ons eigen verhaal te geloven. En dat verhaal staat nog steeds als een huis.’ Een ­ander parlementslid verwoordt het scherper. ‘We praten te veel in functie van andere partijen. We zijn toch nog een partij op onszelf?’


‘We staan op een kruispunt en moeten weer uitstralen wat de essentie van onze partij is:

rechtlijnigheid en eerlijkheid. Zo zijn we groot geworden’

Valerie Van Peel 

N-VA-Kamerlid


Inhoudelijk zal veel onder de loep genomen worden, van migratie over het communautaire tot het sociaaleconomische. Wat dat laatste betreft, schoof de N-VA het laatste decennium een stuk op naar rechts, onder meer om Open VLD de pas af te snijden. De laatste tijd keerde de slinger wat terug, en dat was een van de redenen waarom een akkoord met de PS mogelijk was. Daarin stond zelfs een vermogenswinst­belasting. ‘Ons sociaal verhaal is duidelijk en sterk, maar is in de loop der jaren – vooral op communicatief vlak – wat naar de achtergrond geschoven’, zegt Van Peel. ‘Deze thema’s zijn essentieel voor de brede volkspartij die we zijn, en verdienen opnieuw meer een plaats op de voorgrond.’


‘Onmogelijk spagaat’

Afgelopen maandagochtend hield de N-VA traditiegetrouw partijbestuur. De Wever kwam terug op de heisa in de Kamer van de voorgaande donderdag, toen de N-VA luidkeels had geprotesteerd tegen Kamervoorzitter Patrick Dewael (Open VLD), nadat premier Sophie Wilmès haar belofte niet was nagekomen dat ze opnieuw het vertrouwen zou vragen aan het parlement. ‘Hou jullie wat in’, had hij het partijbestuur volgens aanwezigen gevraagd. ‘En ga uit van onze eigen kracht.’


Enkele uren later verscheen De Wever zelf bij de boot van Gert late night in Antwerpen. ‘We maken ze kapot in de oppositie’, zei een half grappende De Wever over de Vivaldi-partijen tegen Francken, voor het oog van de camera’s. ‘De blauwe vrienden moeten op de knieën, de mond opendoen en dan zal er wat moeten doorgeslikt.’ Een gemiste kans om te zwijgen, klinkt het binnen de partij, ­gezien Vivaldi zich toen zelf in de vernieling leek te rijden en ­De Wever zo de aandacht verlegde.


Afgelopen donderdag viel hoongelach N-VA’er Christoph D’Haese ten deel, toen hij in de Kamer opmerkingen maakte bij het Nederlands van Wilmès. De voorvallen tonen aan dat de partij worstelt met de toon en stijl waarmee ze aan oppositie moet gaan doen. Naast de opvolgings­kwestie en het inhoudelijke is dat de ­derde grote werf voor de partij.


De gele falanx zal een elegante weg moeten vinden uit de piepzak. Centraal in dat vraagstuk staat de toekomstige verhouding met Vlaams Belang, de partij waarmee het electoraat van de N-VA deels overlapt en die samen met de N-VA de rechtse federale oppositie vormt. Moet de N-VA toenadering zoeken, of richt ze zich beter naar het centrum? Hoewel De Wever een Chinese muur ziet tussen beide, is die stelling sinds de verkiezingen onder druk komen te staan. De meningen over de kwestie zijn verdeeld. ‘Ik denk dat we bereid moeten zijn om een aantal kiezers eventueel te verliezen’, zegt De Roover. ‘Als we uiterst rechts achterna jagen, komen we op gevaarlijk terrein terecht en verliezen we geloofwaardigheid naar het centrum toe. De volle breedte ­bestrijken, is een onmogelijk spagaat.’


‘Om er een meerderheid mee te vormen, zal Vlaams Belang moeten veranderen’, voegt De Roover toe. ‘Samen met de partij regeren, is nog niet dichtbij.’ Van Peel ­beaamt. ‘Met Vlaams Belang praten is iets ­helemaal anders dan er een coalitie mee vormen. Daarvoor moeten ze binnen de ­democratische krijtlijnen op een fatsoen­lijke manier bijdragen aan onze maatschappij. Dat is echt nog niet het geval.’


Existentieel dilemma

Boegbeelden als Francken en Jambon ­betreurden dan weer publiekelijk dat de N-VA bij de Vlaamse onderhandelingen geen coalitie kon vormen met Vlaams Belang. ‘Als dat gebeurt, stap ik uit de partij’, zegt nog een ander Kamerlid. Als beide Vlaams-nationalistische ­partijen in 2024 samen wel een Vlaamse meerderheid ­halen, plaatst dat de N-VA voor een existentieel dilemma. Hetzelfde geldt voor de ­lokale stembusslag dat jaar.


Momenteel is De Wever de wachter naast de poort naar Vlaams Belang. De vraag is wat er gebeurt als hij plaats ruimt. Op de fractiedag zette De Wever de strategie tegen Vlaams Belang uiteen. Die partij bevindt zich in een periode van genade, zei De Wever, die de vergelijking met de Amerikaanse president Donald Trump maakte. ‘Alles glijdt eraf als van een eend’, zei hij volgens een aanwezige. ‘We mogen nog zoveel aanvallen, het kost alleen energie en zal alleen de meerderheid sterker maken.’ Kiezers boos maken zonder ze te leiden naar een alternatief, drijft hen in de armen van Vlaams Belang, is de analyse.


Intern vroeg De Wever zich de afgelopen weken luidop af of het parcours van de N-VA

zijn persoon­lijke opofferingen wel allemaal waard was geweest


Het laatste nummer van het partijblad Leo geeft een goed beeld van dat moeilijke evenwicht. Ondervoorzitter Lorin Parys spreekt over een ‘tsunami van nieuwe belastingen’ en ‘onmetelijke arrogantie’ van Vivaldi. Maar hij doet ook een appel aan de ‘politiek dakloze’ kiezers van Open VLD en CD&V. De Wever zegt erin dat de partij er moet staan voor de kiezers die zich noch thuisvoelen in de ‘antisysteempartijen’, noch in de ‘groep tanende trado’s’.


Twee factoren bemoeilijken verder de oppositierol van de N-VA. In de eerste plaats doet de partij Vlaams wel mee. Op dat veel minder zichtbare niveau moet de partij wel nog vereenzelvigd worden met beleidsverantwoordelijkheid, terwijl veel Vlamingen het onderscheid tussen de bestuurslagen niet maken. Daarbij komt dat er in de partij grote ontevredenheid heerst over het voorlopige parcours van Jambon. ‘Iedereen is het erover eens dat we op Vlaams niveau met een probleem zitten’, zegt een Kamerlid.


De tweede moeilijkheid werd al zichtbaar op de sociale media. Daar verspreidde de partij een pancarte met de verschillen tussen het eigen paars-gele akkoord en de Vivaldi-nota, maar op erg veel significante nagels leek de partij niet te kunnen kloppen. Ook intern wordt toegegeven dat er voorlopig niet al te veel in het erg centrumgerichte Vivaldi-compromis is opgenomen dat de N-VA zwaar kan uitbuiten.


Afspraak met de geschiedenis

Rest er nog de strategie op de langere termijn. Hoe kan de partij de Vlaamse autonomie, de bestaansreden van de partij, na jaren van tevergeefs beuken wel dichterbij brengen? Het antwoord binnen de N-VA: de realiteit, en de tijd. ‘Zelfs zonder een verzwakte N-VA lukt het niet meer om een coherent alternatief op te zetten’, zegt De Roover. En de deal met de PS mag dan wel mislukt zijn, de Franstalige socialisten hebben wel eindelijk aangetoond dat ze bereid zijn om België verder te ontmantelen.


Sommige N-VA’ers zijn pessimistisch. ‘Als het vier jaar of misschien langer een heel andere richting uitgaat, is de vraag wat ervan overblijft’, zegt een belangrijke N-VA’er. ‘Het Belgische status quo heeft ­bijna geen verdedigers meer’, zegt een collega. ‘Maar als iedereen in een andere richting trekt, is dat finaal wel het resultaat.’


Maar de meesten zien het goedkomen. ‘De geest is uit de fles bij de PS’, zegt Kamerlid Sander Loones, die de communautaire strategie van de partij uittekent. ‘Het institutionele zal hoe dan ook in alle sterkte blijven woeden.’ Ook De Wever liet zich intern in die zin uit. ‘Nu we weten dat een gesprek met de PS over een vergaande staatshervorming mogelijk is, hebben we een afspraak met de geschiedenis in 2024’, klinkt het in Leo. ‘De volgende jaren zullen ons definiëren als partij: hoe sterk is ons karakter?’


Voor dit artikel sprak De Standaard met een tiental prominente N-VA’ers, van wie sommigen alleen anoniem.


Top






#justiceforsanda


Studentendoop

‘Wij willen geen heksenjacht, maar wel gerechtigheid voor Sanda’


Marc Klifman - De Standaard



Tim, Lucas, Robrecht, Julie, Olivier, Ferre en Maxim: de échte vrienden van Sanda Dia.  

Foto - Kris Van Exel


‘Er bestond geen betere vriend dan hij. We missen zijn babbels, zijn lach en zijn eeuwige optimisme.’

Nu het parket achttien leden van studentenclub Reuzegom voor de strafrechter wil brengen,

hopen zeven vrienden van Sanda Dia op gerechtigheid.



Op de begrafenis van Sanda Dia (20) sprak zijn vader deze woorden: ‘Sanda en zijn échte vrienden zijn een voorbeeld voor onze samen­leving.’ Die échte vrienden zijn niet de leden van de studentenclub Reuzegom, die door het gerecht worden vervolgd voor de fatale studentendoop in 2018, waar Sanda Dia het leven liet. Wel een groep sympathieke studenten met de wereld aan hun voeten, maar met een kras op hun ziel, omdat hun beste kameraad Sanda er niet meer bij is. Na de reconstructie van de laatste uren van Sanda Dia, vorige week in Het Nieuwsblad, lanceerden ze de hashtag #justiceforsanda in de hoop dat er gerechtigheid komt.


‘Kort na zijn dood speelden we al met het idee om iets te doen voor Sanda. Maar toen hadden we het gevoel dat we niet gehoord werden. Men liet uitschijnen dat zijn dood “een stom ongeluk” was. Maar als je nu in die reconstructie van zijn laatste uren leest hoe erg het allemaal was … Iedereen is er kotsmisselijk van. Sommigen van ons kregen het artikel niet eens uitgelezen.’ (DS 25 juli)


Aan het woord zijn Robrecht, Lucas, Tim, Maxim, Ferre, Olivier en Julie. Allemaal 22 jaar oud en student. Allemaal jeugdvrienden van de Edegemse ingenieursstudent Sanda Dia (20). We zitten in de tuin bij Lucas en zijn zus Julie in Mortsel. Op corona-afstand, mondmasker aan. Al zit de vriendenbende eigenlijk al enkele dagen in één en dezelfde bubbel, sinds ze vorig weekend op Instagram de hashtag #justiceforsanda lanceerden.


Diepe gesprekken

Op de profielfoto van hun kameraad Sanda straalt de jonge student zoals ze hem gekend hebben: lachend en één brok positiviteit. ‘“Alles komt goed”, zei Sanda altijd. Dat was echt zijn levensmotto’, zegt Julie, die twee jaar Sanda’s lief was. ‘Toen het tussen ons uit was, hoorde ik hem misschien iets minder. Maar ik wist dat ik altijd op hem kon terugvallen. Iedereen zegt dat trouwens, ook mijn vriendinnen. Sanda luisterde altijd. Je kon diepe gesprekken met hem voeren.’


Hun beeld van Sanda Dia op Instagram werd intussen bijna 45.000 keer geliket en ging viraal op sociale media. ‘We zijn heel blij dat er een beetje een beweging op gang is gekomen’, zegt Lucas, die samen met Dia in Leuven dezelfde studie deed en elke dag met hem op kot doorbracht. ‘Voor alle duidelijkheid: met #justiceforsanda willen wij geen heksenjacht op die gasten van Reuzegom maken. Wij willen alleen dat er gerechtigheid komt en dat er rekenschap wordt afgelegd voor wat daar allemaal met Sanda gebeurd is. Iedereen moet ook weten dat er geen betere vriend dan Sanda bestond. Zo maken ze er geen twee.’


Connecties maken

Het is een constante in de verhalen van zijn kameraden. Sanda was voor elk van hen een beste vriend. Iemand met wie je over problemen kon praten. ‘Zonder dat hij een oordeel zou vellen’, klinkt het unaniem. Robrecht: ‘Je kon er geen vijand mee zijn. Iedereen had op een of andere manier wel raakvlakken met hem. Zijn humor, optimisme, ambities, intelligentie ... Sanda had alles om het ver te brengen.’


Als iemand van de vrienden het soms lastig had, was er altijd Sanda die erop wees dat er geen reden tot zorgen waren. Want ze hadden het goed, benadrukte hij altijd. Ze gingen naar een goeie school, hadden alles wat ze wilden, en hadden vooral elkaar. ‘Sanda liet altijd zien dat er kansen waren voor iedereen’, zegt Ferre, die hem sinds de kleuterklas kende en altijd bij hem om de hoek woonde. ‘Hijzelf liet ook nooit uitschijnen dat hij minder kansen had. Hij voelde zich nooit achtergesteld. “Ik raak waar ik wil, als ik er voor werk”, zei hij dan.’


Sanda Dia heeft tegenover zijn jeugdvrienden – van wie slechts enkelen in Leuven gingen studeren – nooit veel gezegd over de reden waarom hij zich had aangesloten bij de studentenvereniging Reuzegom. Zijn makkers thuis wisten wel dat ‘die mannen een reputatie hadden’. In Leuven stonden ze bekend voor hun extreme dooprituelen en balorigheid. Ze kwamen al in opspraak omdat ze GAS-boetes verzamelden als trofeeën, omdat er huisdieren werden geslacht en omdat ze de dooprichtlijnen weigerden te aanvaarden.



De foto van Sanda Dia op zijn doodsprentje.


‘Sanda zat nog niet zo lang bij hen’, zegt Ferre. ‘Hij zat in zijn derde jaar ingenieursstudies en zou volgend jaar afstuderen. Maar bij Reuzegom is hij hoogstens een halfjaar geweest. Zijn vader had daar nooit achter gestaan, mocht hij geweten hebben dat Sanda lid wilde worden.’


Lucas: ‘Wij snapten inderdaad niet zo goed waarom hij bij Reuzegom ging, want Sanda paste daar eigenlijk niet bij. Hij was totaal niet iemand die zijn ego of status op de eerste plaats zou zetten. Sanda was net iemand die zichzelf zou wegcijferen voor anderen.’


Robrecht: ‘Volgens mij is hij bij Reuzegom gegaan om connecties te maken voor later. Hij wist dat er in die groep mensen zaten die zeer welgesteld zijn en het sowieso ver gaan schoppen (een van hen is de zoon van een Antwerpse rechter, red.).’


Lucas: ‘Hij zei altijd tegen zijn papa: “Maak je geen zorgen. Ik ga er alles aan doen om het ver te schoppen.” Hij heeft altijd geknokt om iets te bereiken. Ik denk niet dat hij bij Reuzegom op zoek was naar vrienden. Hij dacht wellicht dat het later deuren zou openen.’


‘Waanzin’

Het contrast tussen de jeugdvrienden van Sanda Dia thuis in Mortsel en de foto die circuleert van de ­leden van de studentenclub Reuzegom in maatpak kan niet groter zijn. Sympathieke, doodgewone studenten die in het weekend graag een pintje verzetten tegenover studentenclubleden die hun schachten anderhalve fles gin, dezelfde hoeveelheid visolie en nog wat glazen bier verplicht naar binnen laten kappen. En daarna nog een levende goudvis laten inslikken en hen urenlang in ijskoud water dwingen te zitten.


‘Het kan er bij ons gewoon niet in dat ze zo ver zijn gegaan’, zegt Robrecht. ‘Als je zo’n ritueel ziet … Bij ieder normaal mens draait de maag dan toch om? Hun drang om een medemens te helpen, was volledig afwezig. Ook wij gaan uit en hebben soms een zatte avond. Maar twee flessen gin? Hoe kan je als geneeskundestudent niet zien dat zoiets fout kan gaan?’


Olivier: ‘Het is jammer dat Sanda niet meer bij zinnen was. Na die eerste avond is hij geen moment meer helder geweest. Toen lieten ze hem nog half bewusteloos toertjes lopen. Hij kon gewoon niet meer nadenken.’


Op sociale media werd de voorbije week gesuggereerd dat Sanda Dia zijn lot moest ondergaan vanwege zijn huidskleur. Maar zijn vrienden willen niet van een rassenkwestie spreken. ‘Wij durven niet te denken dat het om racisme gaat, want anders zou het nog tien keer erger zijn’, zeggen ze.


Tim: ‘Iedereen die naar Sanda keek, keek naar zijn persoonlijkheid. Niet naar zijn kleur. Niemand stond daar bij stil. Ook Sanda zelf niet.’


Afscheidscadeau

Lucas: ‘Zelfs al was het allemaal goed afgelopen, dan had Sanda nooit meer van die groep deel uit willen maken. Sanda was nooit degene die dronken thuis gebracht moest worden. Hij was net degene die de anderen in bed stak. Ik kan uit ervaring spreken.’


De groep lacht. Dat kunnen ze gelukkig nog. Ze zwanzen met elkaar en verbijten soms samen de tranen. ‘Vroeger waren wij eigenlijk twee verschillende vriendenbendes’, zegt Robrecht. ‘Door wat er allemaal gebeurd is, is die brug daartussen weggevallen. Dat is misschien het enige mooie aan heel deze situatie. Wij zien dat als het afscheidscadeau van Sanda.’


De kameraden vinden dat de KU Leuven te mak heeft opgetreden tegen de studenten van Reuzegom. ‘Hun eerste straf stelde niets voor en ook nu wachten ze 4 september af (wanneer het dossier voor de raadkamer komt, red.)’, zegt Lucas. ‘Terwijl sommigen van die leden intussen al met een diploma zijn afgestudeerd en aan het werk zijn. Een paar weken na de dood van Sanda kwam ik sommigen van hen tegen in Leuven. Ook tijdens het uitgaan. Het leek bij hen alsof er niets gebeurd was. Ik heb het er moeilijk mee dat zij verder mochten studeren.’


Over het gerechtelijke onderzoek willen de jongeren zich minder uitspreken. Uit sereniteit. ‘We laten dat aan het gerecht over. Het enige wat we hopen, is dat de zaak niet in de doofpot komt, maar juist en eerlijk verloopt. Objectief gezien zit je met achttien leden van Reuzegom die een prima financiële achtergrond hebben, met goede advocaten. Wij willen dat er een gelijke strijd is. En dat Sanda niet vergeten wordt. Over straffen spreken wij ons niet uit. Dat is ook niet aan ons. Als de zaak eerlijk verloopt, zijn we ervan overtuigd dat er ook juiste straffen zullen komen.’


Sven Mary wordt ­advocaat familie Dia



De familie van Sanda Dia (20) heeft de Brusselse strafpleiter Sven Mary ingeschakeld. In de rechtszaal komen ze immers tegenover het bataljon toppleiters van de 18 Reuzegommers te staan. ‘Je mag niet vergeten dat dit dossier al is weggenomen van de Antwerpse rechtbank omdat één van de 18 de zoon is van een Antwerpse magistraat.’


Ook Sven Mary heeft vorige week de reconstructie gelezen in de krant, waar onthuld werd hoe de 18 leden van een studentenclub Sanda Dia in een ijskoude put duwden, en hem op een mensonterende manier mishandelden tot hij stierf. 


‘Je kon die artikels niet in één keer uitlezen’, zegt Mary. Hij kon ondertussen ook het strafdossier inkijken. ‘Ik heb er maar één woord voor: het is walgelijk. Niet alleen wat ze daar uitspookten, maar ook hun houding achteraf. Alle rangen zijn meteen meticuleus gesloten. Door de studenten die erbij waren, maar ook door de familieleden van die mannen. Elk schuldinzicht is bij die mensen volledig afwezig.’
‘Men heeft veel over Dries Van Langenhove en zijn “Schild en Vrienden” gesproken, maar in vergelijking met dit clubje zijn dat maar koorknapen.’


‘Familie wil de waarheid’

Na de doop probeerden de Reuzegommers nog snel alle sporen uit te wissen van wat er gebeurd was. Toen ze vervolgens toch ontmaskerd werden, namen ze één voor één een bekende strafpleiter onder de arm, en dekten ze zich in.  


De vader van Sanda Dia en zijn vriendin, en de broer van Sanda en diens echtgenote, schakelen nu op hun beurt Mary in. ‘Die familie wil maar één ding, en dat is de waarheid kennen’, zegt Mary.


Mary neemt advocaten Elisa Van Bocxlaer, Sven De Baere en Stijn Butenaerts mee naar het strijdgewoel. ‘Want we moeten daar niet flauw over doen: we staan hier tegenover mensen die zich bewegen in de hoogste regionen en het Antwerpse establishment’, zegt Mary. ‘Je mag niet vergeten dat dit dossier al is weggenomen van de Antwerpse rechtbank en verhuisd is naar Limburg, omdat één van de 18 de zoon is van een Antwerpse magistraat.’


Ledenlijst van Reuzegom

‘Ik wil daarom de lijst zien met alle leden van Reuzegom van de afgelopen 30 jaar’, zegt Mary. Van de studentenclub is geweten dat de leden niet alleen afkomstig zijn uit gegoede Antwerpse families, maar dat ze door hun connecties vaak ook doorgroeien tot de professionele elite. Onder de oud-leden zitten notarissen, hoge ambtenaren en zakenlui. ‘Het is niet onmogelijk dat de betrokkenen op die manier relaties hebben op het rechterlijke niveau’, zegt Mary. 


Racisme

De Reuzegommers riskeren tien jaar cel. Het Limburgse parket wil hen voor de rechter brengen voor het toedienen van schadelijke stoffen, onopzettelijke doding, onterende behandeling en schuldig verzuim. Een forse aanklacht, zo lijkt het, maar Mary heeft er toch vragen bij. ‘Waarom is er geen sprake van slagen en verwondingen? De schachten zijn duidelijk geslagen’, zegt hij. ‘Waarom worden ze niet vervolgd voor foltering? Dat is toch overduidelijk wat hier gebeurd is?’


‘Ik vraag me af of er hier onderliggend niet meer aan de hand is. Ik ben niet de persoon om mee te huilen met de wolven, maar ik stel vast dat de twee witte jongens toch aanzienlijk minder hebben moeten drinken dat hun gekleurde vriend. Die twee andere schachten die de doop overleefd hebben, worden mijn twee kroongetuigen. Zij moeten ons kunnen uitleggen wat daar echt gebeurd is.’


Pontius Pilatus

De KU Leuven, de universiteit waar zowat alle Reuzegommers student waren, kreeg deze week veel kritiek omwille van de lichte sanctie die de daders in 2019 kregen. Rector Luc Sels verdedigde zich met een open brief. Rector Sels verdedigde zich met een open brief.


Het is makkelijk om als rector je handen te wassen in de onschuld als Pontius Pilatus, en te zeggen dat je niet wist wat er zich daar heeft afgespeeld. Dat je geen toegang had tot de crime scene. Niemand verwacht dat. Maar als de universiteit écht consequent geweest was, dan had ze zich burgerlijke partij gesteld in dit dossier. Dan was ze veel beter op de hoogte geweest, en dan had ze gepast kunnen reageren.’


Lees hier het dossier Justice for Sanda




Gestoord was het zoals beloofd


Achttien leden Reuzegom riskeren straffen tot tien jaar cel voor dodelijke doop


Douglas De Coninck  - De Morgen



Een foto van Sanda Dia op zijn begrafenis.

Zijn 'schachtentemmers' worden vervolgd voor onopzettelijke doding,

onterende behandeling en weigering van hulpverlening. Foto Sander Bral


'Ik wil er echt een bruut jaar van maken, een gestoord bruut jaar.' Met die belofte behaalde de toen 20-jarige Alexander G. bij de studentenclub Reuzegom voldoende stemmen om te worden aangewezen als 'schachtentemmer'. Achttien leden van de club riskeren nu tien jaar cel voor de 'doop' die Sanda Dia (20) het leven kostte.


Het parket in Hasselt wil achttien leden van de Leuvense studentenclub Reuzegom laten doorverwijzen naar de correctionele rechtbank voor het toedienen van schadelijke stoffen, onopzettelijke doding, onterende behandeling en weigering van hulpverlening door schuldig verzuim. Ook al is er in de beschikking sprake van verzachtende omstandigheden, de achttien riskeren de maximumstraf van tien jaar cel. Voor elk van hen acht procureur Jeroen Swijsen het aandeel in het drama even groot.

De meeste verdachten zijn geboren tussen 1995 en 1999. Hun adressen zijn vaak met 'dreef' eindigende straatnamen in Schilde, Schoten, Hove en Brasschaat.

Sanda Dia uit Edegem was een van de drie studenten die zich begin december 2018 lieten dopen bij Reuzegom. Dia's ouders komen uit Mauretanië, hijzelf was actief bij de lokale voetbalploeg en deed het erg goed als ingenieursstudent aan de KU Leuven. De drie studenten werden tijdens de eerste avond, in Leuven, verplicht een liter gin te drinken en daarna halve liters bier. In het kot van Dia werden de waterkranen onklaar gemaakt zodat ze 's ochtends moeilijk zouden kunnen herstellen van hun kater.

Een tweede deel van de doop vond op 5 december plaats in een chalet in Vorselaar. Daar moesten ze 'schachtenpap' drinken, een brouwsel van visolie uit een blender waar levende goudvissen, muizen en een aal in waren gemengd. Ze moesten ook alledrie een put graven die werd gevuld met ijswater, en daarin gaan staan, waarna de anderen hen gebruikten als toilet. Op een gegeven moment daalde de lichaamstemperatuur van Sanda Dia tot 27 graden. Er gingen uren overheen voor iemand ertoe kwam om hem naar het ziekenhuis te brengen.

Toen dat uiteindelijk toch gebeurde, kregen alle betrokkenen opdracht om maximaal sporen te wissen, ook van het Whatsapp-groepje waarin beelden van de doop waren uitgewisseld en waarin iemand al had gestuurd: "Dees is erover." Ook in het kot van Dia werden alle sporen gewist. Hij overleed enkele dagen na zijn opname in een ziekenhuis in Edegem.

De KU Leuven legde de betrokkenen destijds enkel een taakstraf op, wat na het uitlekken van details over de tragische afloop, vorige week in Het Nieuwsblad, voor controverse zorgt op sociale en andere media.

Op 4 september moet de raadkamer in Hasselt beslissen over de doorverwijzing van de achttien. Zij laten zich bijstaan door een aantal absolute kleppers in de advocatuur, zoals Johan Platteau, Walter Damen en Hans Rieder. "Wat daar is gebeurd is, is natuurlijk dramatisch", zegt Platteau. "Maar soms wordt het lot getart, en tegenwoordig is er geen ruimte meer voor vergissingen."

Het juridische gevecht lijkt er een te worden waarin elk van de achttien de eigen verantwoordelijkheid zal proberen te minimaliseren, al wordt dat voor sommigen lastig. Volgens bronnen dicht bij het onderzoek zit een tekst in het dossier waarin Alexander G., alias Janker, tijdens een bijeenkomst met Reuzegom stemmen ronselt om te worden verkozen als 'schachtentemmer'. De jongen is eerder klein van gestalte, maar zegt: "Daar zijn in de wandelgangen al opmerkingen over gemaakt, maar ook Napoleon en Castro waren klein. En zelfs onze goede Duitse vriend Adolf stak nauwelijks boven de grond uit."

In de toespraak belooft de jongen verder nog: "Het mag geen jaar worden als in een bso-schooltje met een of andere allochtoon. Ik wil er volgend jaar echt een bruut jaar van maken, met afzuipen op donderdag. Ik wil er geen bruut jaar van maken, maar een gestoord bruut jaar, voor de elite die wij zijn."

Ook de toenmalige preses van Reuzegom, de destijds 21-jarige Jef J. alias Zaadje, behoort tot de achttien voor wie het parket de doorverwijzing vraagt. Idem voor Arthur G., alias Shrek, destijds 22. Hij is de kleinzoon van een bekende Vlaamse industrieel. Hij was 'schachtentemmer' tijdens het academiejaar 2017-2018. Ook voor zijn broer vraagt het parket de doorverwijzing.

Onder de achttien verdachten zit ook Jef S., alias Flodder. Hij is de zoon van een Antwerpse magistraat, reden waarom het in Turnhout geopende strafdossier verhuisde naar Hasselt.

De afgelopen maanden werd kosten noch moeite gespaard om de achttien (ex-)studenten online onzichtbaar te maken. Vrijwel alle Facebook-, Twitter-, Instagram- en Linkedin-profielen werden verwijderd. Nadat iemand er woensdagavond op Twitter op was gestoten, werd onmiddellijk een Facebook-pagina met beelden van een fuif op 8 december 2017 in zaal Albatros, met heel wat Reuzegommers met hun bijnamen op hun jasjes, meteen gesloten. Ook op plutonica.be, waar teruggaand tot 1901 alle presessen van Vlaamse universiteiten worden bijgehouden, zijn de namen van recente Reuzegommers verwijderd.

De studentenclub zelf doekte zich na de dood van Sanda Dia op.





Thomas Goorden


Wanneer de meester tovenaar spreekt, moet je opletten. 


Thomas Goorden - Facebook



Bart De Wever: 'It's the identity, stupid!'


Wanneer de meester tovenaar spreekt, moet je opletten. De Antwerpse burgemeester, Vlaams parlementslid, partijvoorzitter én schijn-premier heeft een opiniestuk geschreven. Dan weet je dat er konijnen, duiven en plastieken bloemen in het rond zullen vliegen.


Het hele stuk is er natuurlijk op gericht om in één bezwering het debat rond discriminatie in een bepaalde richting te duwen. Eerder dan precies de rol te spelen die iedereen toegedicht kreeg in het spel van de meester tovenaar, kunnen we ook eens kijken hoe de bezwering eigenlijk in elkaar zit. Daarbij helpt het wel om te starten met een staat van totale apathie, want het zijn natuurlijk net je emoties waar op gemikt wordt. Laten we die beantwoorden met een neutrale blik op het oneindige, die koud kijkt naar wat er geschreven staat.


De eerste 1.400 woorden dienen om ons in een soort van hypnose te wiegen, want het staat vol van zaken waar de meesten onder ons het vlot mee eens zullen zijn. Het politiegeweld in America is heel erg en ja, hier is het minder erg, maar toch een aandachtspunt. Leopold II was een “inhalige, gewetenloze schurk”, probeer maar eens iemand te vinden die daartegen argumenteert. “Kuifje in Afrika” is nogal een pijnlijke strip om te lezen in de huidige context. Sommige namen en standbeelden hebben we beter niet in onze straten, maar het is waarschijnlijk geen goed idee om een extreme lijn van “historische zuiverheid” na te jagen.


“Hey,” denkt de lezer op dit punt, “die man zegt eigenlijk allemaal zinnige en aanvaardbare dingen. Wat een verrassing!”


De bezwering gaat verder. Terecht protest over racisme en discriminatie is terecht. OK. Wanneer zulke kringredeneringen opduiken moet je beginnen opletten. Hier begint immers het vakkundig geknutsel aan de realiteit! Want wie bepaalt wanneer protest terecht is? Wat blijkbaar niet “terecht” is, volgens de meester tovenaar, is mensen bedreigen in hun identiteit, in “alles wat hen vertrouwd en dierbaar is”. Het klinkt ook heel erg, die “bedreiging” van deze mysterieuze mensen met een identiteit. Maar wat als die identiteit duidelijke aspecten van racisme en discriminatie bevat? Is het dan tegelijk terecht én onterecht? De meester tovenaar haalt - sim-sala-bim - hét ultieme voorbeeld bij uitstek - de letterlijke Zwarte Piet - uit zijn mouw. Hij zegt het niet letterlijk, maar de boodschap mag duidelijk zijn: Protest tegen dit racistische symbool is niet van het terechte type protest, want het is “vertrouwd en dierbaar” voor mensen met een identiteit. Over welke identiteit het hier gaat, wordt overigens niet vermeld, dat houden we even bij.


Dan komt een stukje dat te benoemen valt als “eerder lui gegoochel”. Want wat staat er? Het feit dat een iemand “van allochtone origine” hier parlementslid kan worden, is - blijkbaar - een bewijs dat er geen structureel racisme bestaat. Dat is natuurlijk een klassieke “pars pro toto” redenering, waarbij een eigenschap van een deel wordt geprojecteerd op het geheel. Hey, maar wacht eens even meester tovenaar, dat soort argumenten mochten toch niet? Als er een paar Vlamingen racistisch zijn, mogen we toch niet zeggen dat Vlaanderen structureel racistisch is? Wat is het nu, zijn de levens van een enkele zorgvuldig uitgekozen voorbeelden exemplarisch voor het geheel, of niet? Het is een eerder verwarrende toverspreuk die op deze manier niet goed zal blijven hangen.


En dan komt het, de wending. “Hier wringt dus iets.” Het conflict is bij elkaar getoverd, met een subtiele kringredenering én een pars pro toto, dus als je daarin al mee bent, kan het échte veranderen van de werkelijkheid beginnen.


“Vrijheid en gelijkheid bestaan alleen in een context van burgerschap. Burgerschap wordt gedragen door een gemeenschap waarvan de leden zich met elkaar verbonden weten en voelen. Finaal gaat het dus over het delen van een identiteit. Wie harmonie tussen mensen wil, moet streven naar een wederzijdse (h)erkenning tussen die mensen.”


Rechten en plichten, ok, aanvaardbaar. Burgerschap en verbondenheid, klinkt goed. En ook de sluitzin over harmonie en wederzijdse (h)erkenning kan zo uit een boekje van Bond Zonder Naam komen. Maar de toverwoorden zitten in het midden.


“Finaal gaat het dus over het delen van een identiteit.”


Hoezo? Waarom volgt de noodzaak van een gedeelde identiteit plots uit verbondenheid en wederzijdse (h)erkenning? Het wordt handig gepresenteerd in een reeks zinnen waarmee we doorgaans akkoord gaan, waardoor het moeilijk is om te stoppen met je hoofd te knikken. Dus knik je maar door.


Maar als je nog wakker bent, stel je misschien wel vragen. Kan je je dan niet verbonden voelen met iemand met een andere “identiteit”? Kunnen mensen met een andere identiteit dan niet akkoord gaan met een verhaal van rechten en plichten en burgerschap? Is het onmogelijk om harmonie te hebben in een gemeenschap met verschillende identiteiten? En, omgekeerd, is er automatisch harmonie wanneer het wel een homogeen boeltje is?


Maar vooral, over welke “identiteit” heeft de meester tovenaar het eigenlijk? De hele toverspreuk heeft een enorm gat in het midden dat niet benoemd wordt, maar waar we allemaal worden aangenomen te weten waarover het gaat. Behalve de intellectuele elite, want die heeft blijkbaar quasi misdadige opvattingen over identiteit. “Identiteit geldt als een verzonnen constructie die alleen kan dienen om machtsstructuren te bestendigen en mensen uit te sluiten.” Voila, de tegenstand is even samengevat.


En dit, lieve vrienden, is de kern van de bezwering. Het is immers verboden na te denken over wat “identiteit” nu eigenlijk betekent, tenzij je verketterd wil worden als radicale post-moderne intellectuele elite. (Hoe meer adjectieven, hoe gevaarlijker natuurlijk!) Vervolgens moet je tussen de lijnen door lezen welke identiteit eigenlijk bedoeld wordt, knipoog knipoog. En als laatste moet je die stilzwijgende identiteit gewoon aannemen als was het een maatpak, terwille van het goedbedoelende burgerschap, de harmonie en de verbondenheid.


Laten we eens écht radicaal zijn en aannemen dat identiteit bestaat en dat ze niet eens bedoeld is om machtsstructuren te bestendigen en mensen uit te sluiten. Man man, dan ga je het mogen horen bij je postmoderne intellectuele elite vrienden!


Meester tovenaar, over welke identiteit gaat het dan? Hij heeft het over de “burger van niet-Europese origine”, dus is het dan de Europese identiteit? Dat is gek, want Zwarte Piet is natuurlijk geen voorbeeld van een pan-Europees cultureel fenomeen, dan lijkt het Eurovisiesongfestival toch meteen een beter voorbeeld. Wat lezen we echter over “Zwarte Piet”? Het blijkt enkel voor te komen in de “Lage Landen”. Bovendien is het Europese parlement de boeman in dit dossier, dus daar gaat de Europese identiteit al helemaal onderuit.


Is het dan de “Lage Landen” identiteit die we moeten nastreven? Ook dat is verwarrend, want wat heeft Leopold II, Kuifje en Cyriel Verschaeve daar dan weer mee te maken? Aha! De meester tovenaar zal de Belgische identiteit bedoelen! Haal de driekleurige vlaggen maar boven. Dan klopt het verhaal immers helemaal.


Maar we weten allemaal dat ook die identiteit niet is wat de meester tovenaar bedoelt. Nee, het gaat over de Vlaamsche identiteit natuurlijk. Die lijn is lang voor de bezwering in het zand getrokken, als een schild tegen post-moderne intellectuelen. Dat we hier in Antwerpen niet eens in het historische Vlaanderen, maar in Brabant wonen, maakt daarbij voor deze geschiedkundige niet eens uit. Want dat zou wel eens kunnen suggereren dat de Vlaamse identiteit een constructie is die verzonnen werd om machtsstructuren te bestendigen en mensen uit te sluiten.


En dat, lieve vrienden, zouden we zeker niet willen suggereren. Toch?


Sim-sala-bim-bom-bam!


Thomas Goorden





Nassim Nicholas Taleb


Hoe deze catastrofe ook helemaal ánders had kunnen lopen


Joël De Ceulaer - De Morgen



Het vermaledijde virus heeft ook heel wat discussies doen opflakkeren.

Tijd voor een kennismaking met het werk van Nassim Nicholas Taleb,
een denker die ons heel anders naar catastrofes leert kijken.
Hoe moeten we leven met onzekerheid?


Een essay van Joël De Ceulaer.


Wie in de illusie vertoefde dat een gemeenschappelijke vijand ons nader tot elkaar zou brengen, is eraan voor de moeite. De coronacrisis heeft ons niet verenigd in de zoektocht naar de beste aanpak. Integendeel, over een aantal onderwerpen groeit de verdeeldheid met de dag. Hadden we deze virale ravage kunnen zien aankomen, of is het begrijpelijk dat we allemaal zo verrast waren? Hadden we iedereen die terugkwam uit skivakantie in Italië een paar weken in quarantaine moeten zetten, of was dat met de kennis van dat moment een overbodige maatregel? Hadden we vroeger in lockdown gemoeten of was daar helemaal geen draagvlak voor? En, natuurijk, de twistappel bij uitstek in de talloze discussies: hadden we allemaal al veel vroeger een mondmasker moeten gebruiken? En moeten ze vandaag niet overal verplicht worden waar mensen elkaar ontmoeten?


Dit essay bevat geen finale antwoorden, maar hopelijk toch wat stof tot nadenken. Ik heb mij een paar weken stevig verdiept in het werk van Nassim Nicholas Taleb, de Libanees-Amerikaanse wiskundige en schrijver die wereldberoemd werd met zijn boek De Zwarte Zwaan, een concept dat door de coronacrisis weer brandend actueel is.


De term verwijst naar een verrassende ontdekking die pas in 1696 werd gedaan. Tot drie eeuwen geleden ging men er in Europa van uit dat alle zwanen wit zijn. Elke nieuwe waarneming van een zwaan bevestigde dat alleen maar: zwanen zijn wit. Tot een simpele ontdekkingsreiziger eind zeventiende eeuw vlak bij het Australische Perth ineens een zwarte zwaan zag – in Australië en Nieuw-Zeeland, zo weet iedereen ondertussen, zijn niet alle zwanen wit.


Dat er ook zwarte zwanen bestaan, in Australië bijvoorbeeld,

weten Europeanen pas sinds eind 17de eeuw.

Het verraste ons en is daarom de favoriete metafoor van Taleb.


Taleb gebruikt de Zwarte Zwaan, met hoofdletter, als metafoor voor een erg zeldzame, onvoorspelbare gebeurtenis met een enorme impact. Iets dat niemand zag aankomen en dat de wereld helemaal op z’n kop zet. De aanslagen van 11 september 2001 waren een Zwarte Zwaan: niemand kon ze voorzien en ze hebben de wereld compleet veranderd – er is een vóór en een wereld ná 9/11. De geschiedenis, aldus Taleb, wordt in hoge mate gestuurd door Zwarte Zwanen: gebeurtenissen die een stevige ruk aan het roer geven. De burgeroorlog in Libanon, die een paradijselijk land veranderde in een slagveld, was een Zwarte Zwaan – de eerste die Taleb, toen nog als jongeman, aan den lijve ondervond. Maar ook de Eerste Wereldoorlog, het internet en de computer waren Zwarte Zwanen – niemand kon ze voorzien en ze hebben de wereld veranderd. Er is een vóór en een ná.


DE FINANCIËLE CRISIS

Zeker weten we dat nog niet, maar vandaag gaan we ervan uit dat er ook een verschil zal zijn tussen de wereld vóór en ná Covid-19. De neiging kan bestaan om ook deze crisis een Zwarte Zwaan te noemen. Toch doet Taleb dat niet. In een interview met Bloomberg zei hij het onlangs klaar en duidelijk: deze pandemie is gewoon een witte zwaan, iets wat iedereen perfect had kunnen voorspellen. Een virus dat de wereld zo genadeloos treft, is erg zeldzaam, dat wel. Ook de impact qua mensenlevens en economische schade is groot, groter dan die van 9/11. Maar onvoorspelbaar? Nee. Deze pandemie is al verschillende keren voorspeld. Door Bill Gates, om maar iemand te noemen. En door Nassim Nicholas Taleb zelf, in – jawel – De Zwarte Zwaan, een boek dat dateert uit 2007.


Wie Taleb leest en langzaam tot zich laat doordringen,

kijkt op een andere manier naar deze crisis en álles wat ermee te maken heeft.


Aan dat boek dankt Taleb zijn reputatie als relevant denker, omdat hij daarin niet alleen een pandemie voorspelde, maar ook de financiële crisis, die de wereld een jaar later op z’n grondvesten deed daveren. Taleb had al enige tijd in de gaten dat het financiële systeem ziek was, gedoemd om te crashen. De echte crisis was volgens hem de constructie van dat systeem, dat de banken omvielen was alleen maar het symptoom.


Voor hij De Zwarte Zwaan publiceerde, had Taleb zijn wereldbeeld al ontvouwd in het boek Misleid door toeval. Na De Zwarte Zwaan publiceerde hij nog Antifragiel en Skin in the Game. In elk van die vier boeken ontvouwt hij hetzelfde centrale idee, maar telkens via een andere invalshoek. Wie ze alle vier na elkaar leest, raakt doordrongen van een diep en fascinerend inzicht over de manier waarop de wereld in elkaar zit. Taleb is niet de enige die dat inzicht heeft en te boek stelde, maar hij doet het wel een op briljante en meeslepende manier. Wie zijn werk nu leest en langzaam tot zich laat doordringen, kijkt op een andere manier naar deze coronacrisis en álles wat ermee te maken heeft.


Voor ik naar best vermogen probeer uit te leggen wat Taleb ons leert, past nog een forse disclaimer: de man is niet de meest fijnbesnaarde en elegante tegenstander in een debat. Hij staat bekend om zijn scheldpartijen op Twitter en deinst er vandaag niet voor terug om pakweg de Wereldgezondheidsorganisatie ‘een bende imbecielen’ te noemen. In een van de voetnoten in De Zwarte Zwaan vertelt hij wat hij ooit antwoordde aan iemand die hem vroeg waarom hij niet wat beleefder kon zijn: “Fuck off.” Voor de meeste academici, maar ook voor journalisten koestert hij slechts diepe minachting. Kranten lezen vindt hij de beste manier om slecht geïnformeerd te worden. Interviews geven doet hij niet.


Die soms ongepast baldadige houding kan hij zich veroorloven omdat hij al lang vóór zijn dertigste over genoeg fuck-you-money beschikte, zoals hij dat zelf noemt: hij heeft zoveel geld dat hij bij niemand meer hoeft te slijmen en aan niemand meer schatplichtig is. Hij kan volledig zijn eigen zin doen. Dat zijn boeken bestsellers zijn, helpt natuurlijk ook.


LEVEN IN EXTREMISTAN

En toch zou hij het niemand aanraden, boeken schrijven. Velen die dat wel doen, hopen vroeg of laat een bestseller te scoren. Maar de meesten slagen daar natuurlijk niet in. De meeste schrijvers verkopen maar een habbekrats, het is een minuscule minderheid die schatrijk wordt met schrijven. Dan kun je beter tandarts worden, aldus Taleb.


Het nadeel is dat je dan betaald wordt per geleverde inspanning, en dus nooit zo veel zult verdienen als J.K Rowling met Harry Potter of E.L. James met Vijftig tinten grijs. Het voordeel is dat je nooit zult verhongeren, zoals vele miskende romanschrijvers in hun zolderkamertjes. Niet alle tandartsen verdienen evenveel, maar de meesten zitten ergens in het midden – een paar doen het slecht, een paar doen het erg goed, de meesten verdienen gemiddeld, zeg maar. Tandartsen leven in Mediocristan, schrijvers in Extremistan.


In Mediocristan zegt het gemiddelde iets: lichaamslengte, schoenmaat, intelligentie – het zijn allemaal eigenschappen die een normale verdeling kennen, volgens de zogenoemde gausscurve. In Extremistan zegt het gemiddelde niets: verkoopcijfers in het boekenvak, of pakweg ons vermogen – het zijn dingen die helemaal niet normaal verdeeld zijn. Als u en ik, beste lezer, ons met z’n tweetjes in een café bevinden en Bill Gates komt plotseling binnen, dan zal de gemiddelde schoenmaat van alle bezoekers ongeveer dezelfde blijven, terwijl het gemiddelde vermogen met een paar tientallen miljarden omhoog zal schieten. Sommige mensen hebben hele grote voeten, sommige mensen hebben hele kleine voeten, de meesten van ons zitten ongeveer in het midden. Bij vermogen is dat anders: héél veel mensen hebben héél weinig geld, en héél weinig mensen hebben héél veel geld.


In Mediocristan gebeurt niet zoveel van betekenis. In Extremistan, daarentegen, kan één gebeurtenis alles op z’n kop zetten. Denk aan Bill Gates die het café komt binnengestapt en het gezamenlijke vermogen van de gasten doet exploderen. Hetzelfde fenomeen kan ook met een veel tragischer voorbeeld worden uitgelegd, dat van de kerstkalkoen. Die is zich van 1 januari tot en met 24 december van geen kwaad bewust. Elke dag wordt hij door zijn baas met de beste zorgen omringd: lekkere en tijdige maaltijden, een warm nest, een dak boven het hoofd – de kerstkalkoen voelt zich de koning te rijk. Tot hij op de ochtend van 24 december uit zijn hok wordt gesleurd, onthoofd en gebraden. Net voor de bijl valt, beseft de kerstkalkoen dat hij er altijd iets té gerust in is geweest.


De centrale boodschap van Nassim Nicholas Taleb laat zich als volgt samenvatten: wees geen kerstkalkoen. Besef dat de wereld waarin wij ons bevinden niet gehoorzaamt aan de wetten van Mediocristan, maar aan die van Extremistan. Het is niet omdat u elke dag te eten krijgt dat zulks morgen nog het geval zal zijn. Het is niet omdat u alleen nog maar witte zwanen hebt gezien dat alle zwanen wit zijn. Houd altijd rekening met de kans op een extreme gebeurtenis. Organiseer uw leven zo dat u in de eerste plaats catastrofes probeert te vermijden. Dat advies geldt bij uitbreiding natuurlijk ook voor het beleid.


PECH EN GELUK

Als je Taleb leest, begin je op een andere manier na te denken over pech en geluk. Zo leert hij je – voor zover je dat nog niet wist – dat succes in hoge mate een kwestie is van toeval. Van geluk, dus. Als je duizend ondernemers gelijk aan de start laat verschijnen, en die ondernemers zijn allemaal even gedreven en werken allemaal even hard en zijn allemaal even getalenteerd, dan zullen er over pakweg tien jaar toch maar een stuk of tien echt succesvol zijn geworden. Door dat talent en al dat harde werk? Dat speelde zeker mee, zonder talent en inspanning lukt het niet. Maar de factor die we al te vaak vergeten, is: geluk. Die tien succesvolle overlevers hebben óók chance gehad.


Vergelijk het met Russische roulette. Als je een toernooi begint met duizend deelnemers, en elk duel laat plaatsvinden tot een van de twee tegenstanders zichzelf een kogel door het hoofd jaagt, dan zal er aan het einde van de rit ook één iemand overblijven die nog leeft. Had die een speciaal talent? Niet echt, hij is gewoon de bofkont van het toernooi.


De werkelijkheid lijkt volgens Taleb op een spel Russische roulette:

er kan altijd een kogel klaarzitten. 


De metafoor van de Russische roulette gebruikt Taleb ook om aan te geven hoe wreed de werkelijkheid in elkaar zit. De realiteit, schrijft hij, is een soort Russische roulette – alleen heeft de revolver die wordt gebruikt geen zes, maar duizenden kamers. En van die duizenden kamers zijn de meeste leeg en dus volkomen ongevaarlijk. Waar je voor moet uitkijken, is die éne kogel. De Zwarte Zwaan. Jarenlang zag je alleen maar witte zwanen, en ineens zet één zwarte zwaan je wereldbeeld op z’n kop. Jarenlang haalde je zonder enig gevaar de trekker over, en ineens schiet je een kogel door je kop. Zoals je dacht dat alle zwanen wit waren, zo dacht je dat alle kamers van de revolver leeg waren.


Hoewel deze pandemie dus geen Zwarte Zwaan is, omdat ze perfect voorspelbaar was en door velen ook voorspeld wérd, is de metafoor ook vandaag bruikbaar. Omdat zoveel virussen uit het recente verleden – van SARS en MERS tot zika – de wereld niet zo massief en fataal hebben getroffen, waren de meeste virologen er te gerust op dat het ook deze keer zo’n vaart niet zou lopen. Zij leden, in het denkraam van Taleb, aan een gebrek aan verbeelding. Dat doen we allemaal. We gaan er te vlot van uit dat de wereld van morgen zich ongeveer hetzelfde zal gedragen als die van gisteren. Zoals de kerstkalkoen.


Omdat Taleb zelf geen interviews geeft, heb ik erover gebeld met Yaneer Bar-Yam, die samen met Taleb heeft gepubliceerd en die in Massachusetts het New England Complex Systems Institute leidt – complexe systemen bevinden zich in Extremistan, waar kleine oorzaken gigantische gevolgen kunnen hebben.


Complexiteitsdenker Yaneer Bar-Yam:

‘Flatten the curve? Nee, crush the curve!’ 


Ter info: op 26 januari 2020 schreef Bar-Yam samen met Taleb een paper waarin ze aandrongen op doortastende maatregelen om de verspreiding van het nieuwe virus te verhinderen. “In de klassieke statistiek kijk je als het ware naar het verleden om de toekomst te voorspellen”, vertelt Bar-Yam mij via Skype. “Maar dan ben je blind voor het feit dat onze onderlinge afhankelijkheid en verbondenheid vandaag zo groot is dat systemen zich volstrekt onvoorspelbaar kunnen gedragen. Dat is wat we nu zien. Wetenschappers zijn te gefocust op voorspellen. Ze bouwen wiskundige modellen en vragen zich af wat er zal gebeuren. Maar dat is niet de goede vraag. De vraag is: wat willen we vermijden? En wat willen we dat er wél gebeurt.”


CRUSH THE CURVE

De waarschuwing van Bar-Yam en Taleb kwam dus niet achteraf, maar ruim op tijd. Als de wereld hen had gevolgd, dan was deze catastrofe vermeden. Bar-Yam is overigens geen dramaqueen, want vandaag is hij juist veel hoopvoller dan de meesten onder ons. Wij denken dat we moeten leren leven met het virus, dat de anderhalvemeterwereld ‘het nieuwe normaal’ wordt. En dat stoort hem. “Wie denkt dat de huidige situatie het nieuwe normaal wordt, maakt dezelfde fout als wie dacht dat het zo’n vaart niet zou lopen”, zegt Bar-Yam. “Het hele idee van normaliteit verhindert mensen om te denken in termen van uitzonderlijke acties en maatregelen.


“Eind januari zou niemand het hebben aangedurfd om alle vluchten uit China stop te zetten. Dat zou veel geld gekost hebben, en men was bang dat het vervolgens het nieuwe normaal zou worden. Maar dat hoefde niet zo te zijn. Als we nu zouden kunnen terugkeren naar eind januari, zouden we al dat vluchtverkeer meteen stilleggen. Dat zou veel minder gekost hebben dan de economische crisis waar we nu op afstevenen. Maar ook nu kunnen we nog goede maatregelen nemen.”


Hij haalt de Belgische cijfers erbij. “België verdient krediet”, zegt hij. “Uw land werd sterk getroffen, maar heeft de voorbije weken de cijfers flink naar beneden gedrukt. Het beste wat u kunt doen, is nog even doorbijten – en massaal testen, tracen en isoleren. De meeste experts gaan ervan uit dat we op een tweede golf afstevenen. Maar zo bestellen ze een tweede golf. Het wordt bijna een zelfvervullende voorspelling. We kunnen dit virus ook de kop indrukken, als we dat echt willen. We have to crush the curve.”


Bar-Yam vindt ‘flatten the curve’, het devies waar de meeste Europese landen op varen, een ongelukkig concept, legt hij uit. “Het betekent dat je geen hel van vijf maanden wilt, waarin 15 procent van je bevolking sterft, maar een hel van drie jaar, waarin 5 procent van je bevolking sterft en 10 procent zwaar ziek wordt. De epidemie vertragen, zodat ziekenhuizen niet in de problemen komen, dat is ‘flatten the curve’. Met de kans op nieuwe golven. Maar waarom zou je dat willen? Er zijn landen waar men het virus echt de kop heeft kunnen indrukken, en niet alleen in Azië: ook in bijvoorbeeld Luxemburg, Kosovo en Griekenland is dat bijvoorbeeld gelukt.”


Hoe? “Door vele kleine acties te combineren”, zegt hij. “Zo snel mogelijk testen, contacten opsporen en isoleren. Ook gezinsleden die besmet zijn: die breng je twee weken onder in een hotelkamer. Je voert mondmaskers in op alle publieke plaatsen, en laat alleen hoogst essentiële verplaatsingen tussen verschillende dorpen of steden toe. Dat hou je vol tot je de curve tot bijna nul hebt doen dalen. Daarom komt de exit in België nog te vroeg. Jullie hadden moeten beginnen testen en tracen en isoleren terwijl je nog een paar weken in lockdown bleef. Ik begrijp dat daar een kost aan verbonden is, maar we moeten leren denken in functie van extreme gebeurtenissen: wat als het virus opflakkert, zou u in België dan niet gewenst hebben dat u nog even in lockdown was gebleven?”


TALLOZE ONBEKENDEN

Zo naderen we stilaan de kern van het coronaprobleem, en de bakens waarbinnen de soms bitse discussies zich de voorbije weken afspeelden. De onzekerheid. De talloze onbekenden. Het voortschrijdend inzicht. Twijfelende wetenschappers, politici onder druk van de publieke opinie. De onmogelijkheid om álle risico’s uit te bannen. Het leven is nu eenmaal een riskante onderneming. Je kunt niet alleen Covid-19 oplopen, je kunt ook omkomen in het verkeer of van de ladder vallen bij het ledigen van de dakgoot.


Of kanker krijgen, of een hartaderbreuk. Van geboren worden ga je dood.


9/11 was volgens Taleb een echte ‘zwarte zwaan’:

een onvoorspelbare, zeldzame gebeurtenis met extreme gevolgen.


Eerst even terug naar Taleb en zijn algemene visie op het nemen van risico’s, zoals die al eerder in dit stuk werd vermeld: probeer maximaal de catastrofes te vermijden. Dat doet hij naar eigen zeggen bijvoorbeeld met zijn geld. Ik moet het eenvoudig uitleggen, want de finesses van portfoliobeleid ken ik niet, maar het komt hierop neer: Taleb gaat niet akkoord met de vele adviseurs die zeggen dat je risico’s evenwichtig moet spreiden. Dat je met andere woorden je geld in verschillende mandjes moet leggen. Als het ene mandje dan lek slaat, heb je tenminste die andere mandjes nog. Wie dat de voorbije jaren heeft gedaan, zit bij een stevige val van de beurs sowieso in de problemen.


Taleb doet het anders, legt hij uit: negentig procent van zijn vermogen belegt hij hyperconservatief, zo conservatief dat hij er waarschijnlijk regelmatig een klein beetje op verliest – zoals de gewone sterveling met zijn spaarrekening. De overblijvende 10 procent van zijn geld stelt hij bloot aan de meest extreme risico’s: hij noemt zichzelf een crisisjager, die als het ware wedt op het voorkomen van hoogst uitzonderlijke gebeurtenissen. Zoals, om maar iets te noemen, een pandemie die de wereldeconomie doet krimpen. Net zoals bij de beurscrash van 1987 en de financiële crisis van 2008 is Taleb nu naar verluidt met een aantal fondsen flink geld aan het verdienen. Al valt dat niet te controleren.


Wie hem op Twitter volgt, krijgt een veeleer onaangename indruk van de man. Hij kan zoals gezegd een stevig potje schelden. Hij leeft op voet van oorlog met gerespecteerde denkers zoals Steven Pinker, maar ook met bijvoorbeeld chemiebedrijf Monsanto, dat hij er ooit van beschuldigde wetenschappers te hebben gekocht om studies in hun voordeel te publiceren – Taleb is een fel tegenstander van genetisch gemodificeerde organismen, omdat hij ook daarvan vreest dat de potentieel schadelijke impact enorm kan zijn.


Dat roept natuurlijk de vraag op hoever het voorzorgsprincipe kan gaan: wie elk risico schuwt, geraakt op den duur niet meer vooruit. Ook het omgekeerde is waar: wie elke noodkreet wegzet als overbodig alarmisme, loopt geheid zijn ongeluk tegemoet. Deze crisis doet ons wel opnieuw grondig nadenken over het juiste evenwicht, over de gave des onderscheids: welke risico’s zijn welke voorzorgsmaatregelen waard? En hoe had een talebiaanse benadering van deze coronacrisis ons kunnen helpen?


ASYMMETRISCHE MASKERS

Om maar meteen het heetste hangijzer eerst te behandelen: dat we met z’n allen al lang een mondmasker hadden moeten dragen, is een no-brainer, zoals dat heet. Voor Taleb is het vanzelfsprekend. Mondkapjes bestaan al vele eeuwen, chirurgen gebruiken ze bij het opereren, en dat is geen toeval. Dat de Wereldgezondheidsorganisatie niet onmiddellijk een algemeen mondmaskeradvies gaf, vindt ook Bar-Yam onbegrijpelijk. “De WHO denkt te politiek”, zegt hij. “Ze zijn te voorzichtig, om niet politiek in de problemen te komen. Ze durven niet te leiden waar ze vrezen dat landen niet zullen volgen. En dat hadden ze hier wel moeten doen.”


Een centraal concept in het denken van Taleb en Bar-Yam is asymmetrie, onevenwicht. Stel dat iedereen een mondkapje draagt en het blijkt achteraf geen noemenswaardige rol te hebben gespeeld – wat bij de verspreiding van een virus wel buitengewoon vreemd zou zijn, maar stél nu even: welnu, dan heb je niets verloren. Dan heb je alleen maar een paar weken met een raar voorwerp over mond en neus rondgelopen. Een voorwerp dat bijna niets kostte, bovendien. Stel daarentegen dat mondmaskers wél zouden helpen en je ze toch niet draagt – dan heb je mogelijkerwijze een catastrofe veroorzaakt. Dat is het onevenwicht: een minuscule investering versus een mogelijke catastrofe.


Behalve deze pandemie voorspelde Taleb in 2007 ook al de financiële crisis van 2008. 


Een argument dat sommigen nu gebruiken, is dat het mondmaskeradvies onderhevig was aan voortschrijdend inzicht. Aanvankelijk wist men immers niet dat het virus ook kan worden verspreid door mensen die drager zijn zonder symptomen. Vandaag weet men dat asymptomatische besmetting wel degelijk mogelijk is – en is het dus slim om ook als je niet ziek bent een mondmasker te dragen bij nauw contact met bijvoorbeeld ouderen in woon-zorgcentra – of met klanten en kassiers in supermarkten.


De vraag is nu: wat had het uitgangspunt van virologen moeten zijn? Over het antwoord bestaat niet de minste twijfel: virologen hadden er veiligheidshalve onmiddellijk van uit moeten gaan dat het virus zich asymptomatisch kan verspreiden. Je hoeft geen viroloog te zijn om dat meteen te begrijpen. Het virus was onbekend, en dan moet je veilig spelen.


Zeker als je weet dat vandaag wordt gezegd dat ‘iets’ beter is dan ‘niets’, en dat je in het openbaar vervoer desnoods neus en mond mag bedekken met een sjaal, was het totaal onverantwoord dat politici en experts wekenlang het nut van mondmaskers hebben geminimaliseerd – zeker gelet op het feit dat mensen zelfs tijdens de lockdown naar de supermarkt moesten, waar afstand houden nu eenmaal niet altijd mogelijk is.


Om het eens te formuleren zoals Taleb het zou kunnen doen: zoiets weet zelfs je oma, daar heb je de Wereldgezondheidsorganisatie niet voor nodig. Sterker nog: het zijn grote en logge bureaucratieën zoals de WHO die de wereld volgens Taleb fragiel en kwetsbaar hebben gemaakt. De moderniteit heeft een bijzondere eigenschap weggenomen die zo kenmerkend is voor het menselijke bestaan: antifragiliteit.


ALS STRESS GOED IS

Er zijn, kort gezegd, drie soorten systemen of dingen. Een porseleinen kopje is fragiel – laat het vallen en het is kapot, aan gruzelementen. Een blok beton is robuust – laat die vallen, vanaf geringe hoogte dan toch, en er is niets aan de hand. Ons immuunsysteem is antifragiel: als het wordt blootgesteld aan een zekere mate van stress, zal het daar sterker van worden. Antifragiele systemen worden beter van druk en tegenwind. Een mooi voorbeeld: doordat individuele restaurants af en toe failliet gaan (omdat de kok niet deugt, of de kakkerlakken door de keuken lopen, of omdat de specialiteit uit de mode is), wordt de restaurantbusiness als geheel sterker. Dat er vandaag zoveel lekkere restaurants zijn, hebben we mede te danken aan de vele mislukte experimenten.


Om nog wat meer zicht te krijgen op het denken van Taleb en die antifragiliteit, heb ik gebeld met Bert Slagter, die met zijn broer Peter de website lekkercryptisch.nl beheert. Bert Slagter is een wiskundige die een techbedrijf uit de grond stampte en zich in Nederland volop in het coronadebat mengt, met als invalshoek het talebiaanse denken. “Wat deze crisis ons leert, is dat we inderdaad een wereld hebben gecreëerd die zeer fragiel is”, zegt hij. “Onze gezondheidszorg is erg efficiënt georganiseerd, alles staat al jaren in het teken van de efficiëntie, en daardoor zijn wat buffers weggevallen. Tegelijk hebben we door de globalisering veel onderlinge afhankelijkheden gecreëerd, waardoor een kleine gebeurtenis aan de ene kant van de wereld gigantische gevolgen kan hebben aan de andere kant. Dat is de essentie van de complexiteitstheorie: een kleine input kan een enorme en compleet onverwachte output hebben.”


Het concept antifragiliteit kan ons wel helpen om een strategie te ontwikkelen om ons uit deze crisis te loodsen, zegt Slagter. “Wat we kunnen doen, is veel lokale experimenten opzetten, waarvan we héél snel feedback krijgen. Zo weten we snel wat werkt en vooral: wat niet werkt. Je kunt beter lokaal en klein falen dan meteen heel groot. Door op lokale schaal eventuele mislukkingen vast te stellen, wordt je globale aanpak wel sterker. Zoals elke vliegtuigcrash de luchtvaartindustrie veiliger maakt. Omdat men kan nagaan wat er fout ging en ervoor zorgen dat die fout voortaan niet meer voorkomt.”


Op die manier omarmen we als het ware de onzekerheid, aldus Slagter. “We leven in onzekerheid. Maar we kunnen heel veel dingen uitproberen. En de foute ideeën er zo snel mogelijk uitwieden. Zoals de natuur dat doet door middel van natuurlijke selectie. De natuur is bij uitstek een antifragiel systeem: kwetsbaarheid op individueel niveau creëert een enorme veerkracht op collectief niveau.”


De kleine en grote bosbranden zijn een mooie metafoor, vindt Slagter. “Als je regelmatig kleine brandjes toestaat om het dorre hout weg te werken, voorkom je dat er vroeg of laat een inferno uitbreekt, zoals in Australië onlangs.”


SKIN IN THE GAME

Blijf over, tot slot: skin in the game – letterlijk: vel in het spel. Staat er voor jezelf iets op het spel bij de beslissingen die je neemt? Als je vindt dat klanten in de supermarkt geen mondmasker hoeven te dragen om het personeel te beschermen, zou je oordeel dan nog hetzelfde zijn mocht je vrouw of je man of je kind kassier zijn in zo’n supermarkt? Neem je dezelfde maatregelen voor woon-zorgcentra als je eigen ouders of grootouders in zo’n centrum gehuisvest zijn? Staat er voor jezelf iets op het spel? In het universum van Taleb moet je meer vertrouwen hechten aan het oordeel van mensen die skin in the game hebben dan aan mensen die dat niet hebben. Een concreet voorbeeld: vraag niet aan de beleggingsadviseur welke aandelen hij jou aanraadt, maar vraag in welke aandelen hij zélf belegt. Kijk niet naar zijn woorden, maar naar zijn daden.


“Een voorbeeld”, zegt Bert Slagter. “In Nederland heeft even de piste van de zogenaamde groepsimmuniteit op tafel gelegen. In dat scenario laat men het virus door de bevolking razen, zonder lockdown of andere ingrijpende maatregelen. Zoals Taleb zelf onlangs tweette, ik parafraseer nu even: een viroloog die zo’n scenario aanbeveelt, moet bereid zijn om zichzelf live op televisie met het virus in te spuiten. Dán zou hij recht van spreken hebben. Anders niet.”


Het dreigt steeds vaker voor te komen, besluit Slagter. Dat we varen in de mist, dat we beslissingen moeten nemen in totale onzekerheid, zonder het comfort van de kennis. We zijn het eigenlijk altijd gewoon geweest om eerst kennis te verzamelen en dán pas te beslissen. Dat leren we op school. En soms gaat dat eenvoudigweg niet. Zoals bij deze coronacrisis. Het advies van Taleb is dan eenvoudig samen te vatten: vergis je in zulke situaties bij voorkeur aan de kant van de veiligheid.”


Een persoonlijk advies tot slot? “Hou je opties open”, zegt Slagter. “Wees voorbereid. Zorg dat je een financiële buffer hebt. Zorg voor een fit en gezond lichaam. Want je weet nooit wat de toekomst nog allemaal brengt.”


Wie is Nassim Nicholas Taleb:

  • geboren in 1960 in Libanon 
  • emigreerde naar de VS, werd Ameri­kaans staatsburger 
  • maakte fortuin op de beurs 
  • schreef invloedrijke boeken, waaronder De zwarte zwaan (2007) en Skin in the Game (2018);
  • zijn werk verschijnt in het Nederlands bij uitgeverij Nieuwezijds   





Zijn de gouden jaren van Bart De Wever voorbij?


Een jaar na de federale verkiezingen bevindt Bart De Wever zich voor het eerst in zijn politieke leven in het ­defensief. Joël De Ceulaer­ analyseert hoe het zover kon komen.


De Morgen



Beeld Tim Coppens


Het zijn bange tijden voor de wereldbevolking in het algemeen en voor Bart De Wever in het bijzonder. De komende maanden wordt zijn politieke lot bezegeld. Zal N-VA straks federaal mee besturen of belandt ze met Vlaams Belang in de oppositie? Dat laatste zou een nachtmerrie worden voor De Wever en de zijnen – het voorlopige einde van wat tot dusver een soms indrukwekkend parcours was. Het is de laatste tijd vaker gezegd: er is voor de achterban van De Wever maar één ding erger dan regeren met de PS, en dat is op de protestbanken zitten naast Tom Van Grieken en Dries Van Langenhove.


Wat vandaag in de Wetstraat overheerst, is gespin. Elke dag probeert een andere partij de situatie in haar voordeel te framen. Wie daaruit nu al conclusies trekt, loopt te snel van stapel. Alles is nog mogelijk. Paars-geel, met N-VA en PS die samen de economische fall-out van de coronacrisis aanpakken? Zou nog kunnen. Paars-groen met CD&V erbij, de Vivaldi-coalitie? Is nog mogelijk. Nieuwe verkiezingen in september? Sluit het nog niet uit. Nog wat verder strompelen met de huidige minderheidsregering? Die kans is klein, maar niet onbestaande. Er is maar één conclusie die nu al gerechtvaardigd is: Bart De Wever zit, voor het eerst in zijn carrière, in het defensief. Was hij vroeger vaak heer en meester van het spel, dan is hij nu afhankelijk van de concurrentie. Hij kan het niet hard spelen, zoals hij dat gewoon is. Hij moet hopen dat men hem erbij neemt.


Ik heb mij de voorbije maanden grondig verdiept in het parcours dat De Wever aflegde sinds hij zijn doctoraat aan de KU Leuven in 2001 onafgewerkt liet liggen omdat de zieltogende Volksunie, die verrees als N-VA, hem nodig had. In mijn nieuwe boek De tragiek van de macht, dat vanaf volgende week in de winkel ligt, licht ik toe welke impact De Wever heeft gehad op het politieke, culturele en ideologische debat in Vlaanderen. Ik vertel hoe hij de democratie wakker schudde, afrekende met de erfenis van mei ’68 en probeerde om het Vlaams-nationalisme te redden uit de klauwen van het extremisme. Tegelijk betoog ik dat hij onderweg behoorlijk wat principes en beloftes uit het venster heeft gegooid, zoals bijna elke homo politicus van betekenis dat vroeg of laat moet doen.


 'De Wever stak boven de concurrentie uit.
Hij was, sinds Guy Verhofstadt, de eerste politicus die een ideologie in de markt zette.' 


Mijn terugblik op de eerste fase van een politieke carrière – die, zoals de ondertitel van het boek zegt, de vorm heeft van een Brief aan Bart De Wever – is geen schotschrift of afrekening. Bij de beoordeling van De Wever horen uiteraard argumenten à charge en à décharge. Maar de balans staat nú wel in het rood. De Wever is nog niet boven zichzelf uitgestegen, en zijn centrale missie – Vlaams Belang decimeren – is na een aanvankelijk succes alsnog mislukt. Hij heeft die partij opnieuw wakker gekust.


Dat N-VA in de touwen hangt, bleek woensdag uit De Stemming, een onderzoek van de Universiteit Antwerpen in opdracht van de VRT en De Standaard. De N-VA liep tijdens de coronacrisis sterk in de kijker, maar maakte van alle partijen de slechtste indruk op de Vlaamse kiezer. Zoiets moet bij de N-VA-achterban inslaan als een bom.


De reden voor deze inzinking schuilt volgens mij in de leiderschapsstijl van Bart De Wever. In min of meer normale omstandigheden is de man vrijwel onverslaanbaar. Hij is een stuk intelligenter en retorisch begaafder dan de modale politicus. Maar op momenten van crisis schiet hij tekort en verliest hij zijn toverkracht. Dat is al twee keer gebeurd, kort na elkaar. Een eerste keer met de Marrakesh-crisis, een tweede keer met deze coronacrisis. Als De Wever het beter had gespeeld, had hij een toppositie kunnen bekleden in een regering van nationale eenheid en tonen dat hij kordaat kan besturen. Maar het liep anders. Tijdens de grootste crisis die België heeft beleefd sinds de Tweede Wereldoorlog, stond hij op de pechstrook en begon zijn communicatie te zwalpen.


Als hij op televisie aan het woord is, lijkt hij nog altijd zelfverzekerd. Maar volgens mij schuilt achter die façade vandaag vertwijfeling. De Wever overleeft op retoriek, zoals een renner die geen fut meer heeft in de benen, toch nog doorbijt op karakter.


Hoe is het zover gekomen? Sta me toe dat ik u even mee terugneem in de tijd.


1. DE SPOOKRIJDER MET EEN IDEOLOGIE

Het blijft een leuke anekdote. De eerste keer dat Bart De Wever werd blootgesteld aan het brede publiek, in volle primetime, was op donderdag 24 april 2003, in Bracke & Crabbé, een show in de aanloop naar de federale verkiezingen van mei 2003. De Wever zat tussen Inge Vervotte van CD&V en Saïd El Khadraoui van sp.a, en viel nogal uit de toon. Hij zat niet strak in het pak, maar was sjofel gekleed. En nog meer dan zijn fysieke voorkomen stond het debat dat zich daar ontspon, tussen hem en de interviewers, haaks op de tijdsgeest. Toen Bracke hem vroeg wat hij vond van Bekende Vlamingen op politieke lijsten (jazeker, dat vroeg Bracke!), antwoordde De Wever: “Mensen die op televisie met een dweil in hun mond en Tanja Dexters op hun rug over de vloer kruipen, kunnen we bij N-VA missen als kiespijn.”


Waarop Bracke, verbouwereerd, vroeg: “Over wie hebt u het nu?”


Waarop De Wever: ‘Ik wil zijn naam niet noemen, maar in het Frans klinkt het als achterwerk.”


De wenkbrauwen van Bracke fronsten op volle toeren: “Euh, cul, Q... U bedoelt Vincent Van Quickenborne! Waar hebt u dat gezien?”


“In Mediamadammen op VT4”, antwoordde De Wever.


Waarop Ben Crabbé ook een witz lanceerde: “Daar kijken wij niet naar. Maar ik begrijp het: de N-VA is een kleine partij, dus jullie kijken naar kleine zenders.”


Het genadeschot van De Wever raakte Crabbé pal tussen de ogen: “Ik moet zeggen: als ik moet kiezen tussen Doe de stemtest en Temptation Island, dan is de keuze snel gemaakt.”


Baf. Die zat. Een politicus die zich de flauwekul van het infotainment niet lijdzaam liet welgevallen, maar er met de voeten vooruit tegen inging. Wat! Een! Verademing! Velen zullen gedacht hebben: de man is ongeschikt voor de politiek, hij is veel te cassant, niet beminnelijk en niet glad genoeg, hij spreekt zelfs de interviewers tegen en dat mag je niet doen. Maar mijn journalistieke hart maakte een vreugdesprongetje.


'­In normale omstandigheden is De Wever bijna onverslaanbaar,

maar op momenten van crisis verliest hij zijn toverkracht.' 


Toen De Wever wat later, in augustus 2003, een essay schreef over zijn favoriete denker Edmund Burke, de aartsvader van het conservatisme, deed hij het weer: tegen de stroom in koersen. Een citaat: “Geen politicus in Vlaanderen die zich conservatief noemt. Een hardnekkige karakterstoornis, die me in de ogen van velen allicht tot een arrogant en irritant kereltje maakt, geeft me alleen daarom al zin om het predikaat conservatief enthousiast te aanvaarden als geuzennaam. Al was het maar als loutere provocatie van het politiek correct denkende establishment waaraan ik een hekel heb.”


Met dat essay bewees De Wever opnieuw dat hij boven de concurrentie uitstak. Hij was, sinds Guy Verhofstadt met zijn burgermanifesten, de eerste politicus die een ideologie in de markt zette. Weerwerk had hij niet. Andere politici stonden erbij en keken ernaar.


Zo heeft De Wever de sfeer in Vlaanderen mee doen kantelen en de gevestigde ideeën over mens en maatschappij die hij begin deze eeuw aantrof, een stevige draai proberen te geven. De elitaire consensus, zoals dat heet, ligt op sommige punten in een andere plooi. Geesten zijn gemasseerd, harten zijn veroverd. Een halve eeuw na mei ’68 heeft De Wever de erfenis van die revolte gedeeltelijk naar de vuilnisbelt van de geschiedenis verwezen. Wij leven in rechtsere tijden. Een voorbeeld? Velen zijn slachtoffermoe. Wie werkloos is, had maar flinker moeten solliciteren. Wie arm is, moet maar een baan zoeken. Wie denkt dat hij gediscrimineerd wordt, moet maar wat steviger uit zijn pijp komen. En wat de vluchtelingen betreft: dat zijn geen slachtoffers meer die wij moeten opvangen, maar een potentiële bron van overlast die we op afstand willen houden.


Het interessante is dat de coronacrisis nu opnieuw voor een politieke shift kan zorgen: de overheid moet schulden maken, er zal meer geld naar publieke sectoren moeten, de gezondheidszorg en ouderenzorg moeten beter. Het mag duidelijk zijn dat de eerste fase van de loopbaan van De Wever achter de rug is. De vraag is of hij zich kan aanpassen.


2. DE DRAKENDODER MET KILLERSINSTINCT

Veel zelfvertrouwen had De Wever aanvankelijk niet. Zelfs in 2006, toen N-VA dankzij het kartel met CD&V de grootste fractie vormde in het Vlaams Parlement, achtte hij zich nog ongeschikt voor de politieke arena. “De strijd met de designpolitici ga ik niet aan, want dan ben ik bij voorbaat kansloos verloren”, zei hij in Knack. “Ik heb niet het uiterlijk, noch de présence om in dat circus mee te spelen. Eigenlijk zouden figuren zoals ik achter de schermen moeten werken, om teksten te schrijven voor de gladiatoren. Niet om zelf de arena te betreden.” Achteraf bekeken een verbijsterende uitspraak. De Wever groeide snel uit tot de meest gevreesde gladiator in de politieke arena.


Toen hij die arena betrad, was het politieke debat – door de knusse paarse consensus van liberalen en socialisten – een tikje ingedommeld. De algemene teneur was die van het centrum en de gematigdheid. De kiezers die afgemat waren door de paarse fletsheid en de christendemocratie geen alternatief vonden, vlogen als gebraden kippen binnen bij Vlaams Blok. De Wever begreep dat politiek niet leeft van consensus, maar van conflict en verdeeldheid. Dat een politicus dingen moet zeggen waar andere politici het mee oneens kunnen zijn. “Het bier dat het beste verkoopt, is Heineken”, zei hij ooit. “Smaakt naar niks, maar roept dus ook geen weerstand op. Je hebt politici die daar volledig aan voldoen. Ik drink liever een Duvel. Ik weet dat negentig procent van de mensen dat te bitter vindt, maar wie het graag drinkt, drinkt het héél graag. Laat mij maar een Duvel zijn.”


Wat velen in De Wever aantrok, was wat ze zo lang hadden gemist: een politicus die niet naar een debat trok om op vriendelijke wijze wat argumenten uit te wisselen, maar die elk debat wilde winnen, zonder zichzelf in allerlei bochten te moeten wringen.


Wat De Wever typeert, is dat killersinstinct. Het vermogen om de tegenstander koudweg af te maken. Tegelijk, en dat is best tragisch, is hij erg lichtgeraakt. Hij is genadeloos voor anderen, maar overdreven gevoelig als anderen het eens op hem gemunt hebben. Met mijn favoriete boutade: hij heeft de scherpste tong én de langste tenen. Zo won hij lang elk debat. Hij ging voluit en de tegenstander hield zich in. Ook journalisten zijn daar het slachtoffer van geworden. Sommigen gingen op de rem staan met hun kritiek, uit angst dat De Wever hen zou wegzetten als bashers.


Daar staat tegenover dat hij het democratische debat in Vlaanderen heeft wakker geschud. En zo van N-VA, mede dankzij het kartel met CD&V dat eind 2008 sneuvelde, de grootste partij van Vlaanderen heeft gemaakt. Veel christendemocratische kiezers bleven na de dood van het kartel hangen bij N-VA, de liberalen zagen in N-VA wat Open Vld allang niet meer was, en de Vlaams Belangkiezers die murw waren omdat ze jarenlang een steriele stem hadden uitgebracht, stapten over naar de club van De Wever – die zo de uiterst rechtse draak versloeg die Vlaanderen sinds Zwarte Zondag van 1991 in de ban hield.


3. DE GIJZELNEMER VAN DE NV BELGIË

Erg strak is de N-VA-communicatie vandaag niet, maar tot voor kort hamerde De Wever nog op de klassieker die hij tien jaar geleden al gebruikte: frontvorming. Als de cruciale Vlaamse partijen ‘aan één zeel trekken’, zoals De Wever dat noemt, dan kunnen ze de Franstaligen voor het blok zetten, en is een federale regering zonder meerderheid aan Vlaamse kant onmogelijk. Gewoon het been stijf houden: dat volstaat.


Die strategie werpt ons precies tien jaar terug in de tijd.


Na de historische overwinning van N-VA bij de federale verkiezingen op 13 juni 2010, zei De Wever tijdens het laatste debat op de openbare omroep ook dat de Vlaamse partijen ‘aan één zeel’ moesten trekken. Dat was op dat moment buitengewoon slim, want zo nam De Wever alvast een voorschot op de mislukking: als hij er niet in zou slagen om een regering te vormen met de PS – wat toen ook de opdracht was – dan kon hij de andere Vlaamse partijen daarvan de schuld geven. Dan hadden ze maar aan één zeel moeten trekken, nietwaar?


Politieke waarnemers of commentatoren die geloven in de strategie van het Ene Zeel, kunnen best even terugdenken aan wat die ons destijds heeft opgeleverd: 541 dagen doffe ellende. De andere Vlaamse partijen hadden zich door N-VA laten gijzelen. En dat bleek nergens voor nodig: de regering onder leiding van Elio Di Rupo – met PS, zonder N-VA en met een minderheid aan Vlaamse kant – werd bij de stembusgang van 2014 beloond door de Vlaamse kiezer. Het is al vaak geschreven, maar dat is ook nodig, want het geheugen in de Wetstraat is blijkbaar kort: de regering-Di Rupo werd beloond, de regering Michel (zonder PS, met N-VA, met Vlaamse meerderheid) werd afgestraft. Wat niet betekent dat N-VA niet mag regeren, wel dat de andere Vlaamse partijen hun eigen koers mogen varen en ruggengraat moeten tonen, zodat we de komende maanden niet in dezelfde doffe ellende terechtkomen als in 2010.


'De campagne tegen het Marrakesh-pact: een dieptepunt.'


Niets is zeker, en de politieke spinners maken tegenwoordig overuren, maar het lijkt er nu toch op dat zowel CD&V als Open Vld – zelfs nu Egbert Lachaert voorzitter is – zich niet meer weerloos vastklinken aan de N-VA. Dat is, in het licht van de farce van tien jaar geleden, voortschrijdend inzicht. En het zet De Wever in een onzekere, defensieve positie. Hij weet dat mensen snel een slagkrachtige regering willen, hij weet dat een federale regering zonder zijn partij beloond kan worden in de stembus, en dus moet hij zeer behoedzaam manoeuvreren. In 2010 kon het nog zonder compromissen – in 2012 zou hij moeiteloos Antwerpen veroveren, in 2014 werd hij de baas in Vlaanderen en daarna zelfs België, zonder staatshervorming maar wel als schaduwpremier. Dat was de fase van de almacht. Maar de gouden jaren liggen achter hem. Aan zijn periode van electorale onfeilbaarheid is eind 2018 bruusk een einde gekomen.


4. DE BLOEDFOUT MET THEO FRANCKEN

Goede beslissingen nemen is belangrijk. Verkeerde beslissingen vermijden is minstens even cruciaal. De beslissing van N-VA om naar aanleiding van het Marrakesh-pact van de Verenigde Naties uit de regering te stappen, was zo’n misser. Een bloedfout.


Het leek een mooi plan. Met staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken had De Wever een goudhaantje in huis – de populairste politicus van Vlaanderen, die zich op sociale media zowat alles kan permitteren. Francken vertegenwoordigt de uiterste rechterflank van de N-VA – een flank waar naar schatting twintig tot dertig procent van de mandatarissen zich bevinden. De meerderheid zit daar dus niet. Ook De Wever niet. De voorzitter begon zijn loopbaan in elk geval als een oprechte, inclusieve nationalist, zoals Geert Bourgeois, die het wereldbeeld van Vlaams Belang verwerpt.


Toen het VN-migratiepact op de radar verscheen, ging radicaal-rechts overal in Europa vol op het orgel. Bij ons uiteraard ook Vlaams Belang. Onder druk van de Francken-flank sloot N-VA zich bij dat verzet aan. Voor het eerst in de geschiedenis van de partij liep ze uit electorale behaagzucht de kiezer achterna. Begrijpelijk, omdat N-VA eind 2018 bij de gemeenteraadsverkiezingen terrein had moeten prijsgeven aan Vlaams Belang, maar wel – zo weten we ondertussen – de compleet verkeerde inschatting.


'Tijdens de coronacrisis haperde de communicatie.'


De Wever had zich op twee punten misrekend. Hij had gehoopt op snelle verkiezingen, maar de regering ging gewoon door. Die verkiezingen waren sowieso al gepland voor mei 2019. De tweede misrekening van De Wever is voor een historicus onvergeeflijk. Hij had gehoopt dat de kiezer de dapperheid van N-VA zou belonen, maar de geschiedenis leert dat zoiets bij zo’n regeringscrisis nooit gebeurt. Door uit de regering-Michel te stappen, werd N-VA gepercipieerd als de partij die de regering had laten vallen. En dat wordt altijd afgestraft. We weten zelfs perfect waar de kiezer altijd heen vlucht bij zulke incidenten: naar de partij die ‘eigenaar’ is van het thema dat de regering ten val bracht. In dit geval: Vlaams Belang. De vorige keer dat een partij zo’n flater had geslagen, was toen de liberale Alexander De Croo in april 2010 de regering-Leterme II liet vallen over de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. Toen behaalde N-VA een monsterscore. Het communautaire thema was immers haar ‘eigendom’. De N-VA had issue ownership, zoals dat heet. Toen toch. In 2019 was Vlaams Belang eigenaar van het verkiezingsthema.


Tussen haakjes: de campagne over het Marrakesh-pact die de communicatie-afdeling van N-VA lanceerde, zogezegd per abuis, was een opeenstapeling van leugens. Van de zes beweringen die de wereld werden ingestuurd, waren er vijf onwaar. Filip Dewinter liet weten dat de campagne evengoed uit zijn koker had kunnen komen. Hij had gelijk.


5. HET DILEMMA VAN DE NATIONALIST

We weten dat het in maart bijna zover was: De Wever had met PS-voorzitter Paul Magnette een coronabestendige elleboogshake gedaan op de vorming van een federale regering met een meerderheid aan beide kanten van de taalgrens. Die regering, die de economie in het post-coronatijdperk moest managen, is er niet gekomen. Volgens de meeste bronnen – zeker in Vlaanderen – omdat Magnette zijn woord heeft gebroken. En bij gebrek aan animo bij de MR van Georges-Louis Bouchez, wiens partij momenteel in de mandaten zwemt, zowel in België als in de Europese Unie.


Magnette zou op het laatste moment zijn teruggekrabbeld omdat De Wever openlijk had gesolliciteerd naar het premierschap, omdat Franstaligen vreesden dat Theo Francken vicepremier zou worden en omdat De Wever de tijdelijke samenwerking met de PS – die een jaar of zo had moeten duren – volgens sommigen had willen gebruiken om een staatshervorming voor te bereiden. Er werd gevreesd voor een te gulzige N-VA.


Woordbreuk is geen fraai schouwspel in de politiek, maar de afwijzing door de MR was niet geheel onverklaarbaar. Dat de Franstalige liberalen De Wever die regering van nationale eenheid niet gunden, was de boemerang van de Marrakesh-crisis.


Nu staat De Wever op een kruispunt. Het staatsmanschap wenkt, maar de vergetelheid evenzeer. Het is een dubbeltje op z’n kant. Als hij politiek wil overleven, volgt hier een vrijblijvend advies. Over Vlaams Belang zegt de N-VA-voorzitter altijd dat de deur bij hen langs de binnenkant op slot zit, en dat die partij dus zélf een inspanning moest doen om zich aanvaardbaar te maken voor eventuele coalitiepartners. Dat is juist. Theo Francken heeft ooit zelfs een suggestie gedaan, in De afspraak op vrijdag op Canvas: als de echt extreme figuren zoals Filip Dewinter uit de partij zouden worden gezet, dan zou Vlaams Belang daarmee de deur van het slot kunnen halen.


Wat in Vlaanderen geldt voor Vlaams Belang, geldt in België voor N-VA. Niemand houdt De Wever tegen om een regering te vormen met PS en MR, maar misschien zit de deur bij hem ook op slot aan de binnenkant. Zoals Francken liever niet met Dewinter bestuurt, zo besturen de Franstaligen misschien liever niet met Francken als vicepremier. Het premierschap van tevoren opeisen én alvast een staatshervorming willen overpeinzen, is ook niet echt het verleidelijkste idee voor de Franstaligen.


Verkiezingen winnen is lang haast vanzelf gegaan. Nu dat niet meer voor de hand ligt, moet De Wever vooral vertrouwen winnen aan gene zijde van de taalgrens. Dat is veel moeilijker en het zet hem, zoals gezegd, in een defensieve positie.


Het worden nog spannende maanden.


De Morgen





De terugkeer van rechtvaardigheid


Frederik De Roeck merkt dat de epidemie een aantal fundamentele onrechtvaardigheden, die normaal verborgen blijven, zichtbaar maakt.


De Standaard



Probeer je maar eens te handhaven als dakloze, wanneer alle openbare plaatsen,

de opvang en voedselbanken sluiten.’ 

Foto: Kristof Vadino


Het wordt duidelijk dat sommige grote private spelers overgewaardeerd worden

en publieke diensten als zorg en onderwijs ondergewaardeerd: dat mogen we niet vergeten.


Het is stilaan duidelijk dat de corona­crisis een enorme impact zal hebben op de sociale structuren die onze maatschappij vorm geven. De gezondheidszorg staat voor een nooit geziene opgave, grote delen van de economie gaan stilaan over in een vreemd soort waakstand die haaks staat op de economische ratrace waarin ieder van ons dagelijks meedraait. Schijnbaar oubollige concepten als solidariteit en burgerzin worden opnieuw vanonder het stof gehaald. Een nevenverschijnsel van deze crisis is dat, door de toegenomen druk op ons sociale bestel, een aantal fundamentele onrechtvaardigheden die normaal verborgen blijven, nu snel zichtbaar worden.


Een eerste voorbeeld is dat de private sector nu al zijn toevlucht zoekt

tot publieke middelen en economische werkloosheid.


Zo is de internationale luchtvaartindustrie in een record­tempo tot stilstand gekomen. En volgens de sector zelf wordt de economische impact zo dramatisch dat publieke steun noodzakelijk zal zijn om dit te overleven. Tegelijkertijd neemt de luchtvaartsector zelf de vlucht vooruit (pun intended) door werknemers (tijdelijk) af te danken. Het personeel bij Virgin Atlantic wordt verplicht om acht weken on­betaald verlof te nemen, en bij het Nederlandse KLM gaan ze meteen voor de nucleaire optie en worden 1.500 tot 2.000 banen geschrapt. Ook in ons land heeft Brussels Airlines al laten weten dat overheidssteun snel nodig zal zijn.


Wake-upcall

Die maatregelen maken pijnlijk duidelijk dat sommige grote private spelers, die soms zelf weinig of niets bijdragen aan de sociale voorzieningen in de landen waar ze gevestigd zijn, maar al te snel rekenen op deze voorzieningen zodra het even slechter gaat. Tegelijk wordt er een cynisch spel gespeeld, waarbij de precaire positie van het personeel wordt gebruikt om een publieke bail-out los te krijgen: trek ons uit het economische moeras, of er vallen massale ontslagen.


De mensen die voor de crisis al tussen de mazen van het net vielen,

moeten nu overleven met weinig of geen noodvoor­zieningen én

hebben een grotere kans om ziek te worden


De coronacrisis is een wake-upcall. Sectoren die ondergewaardeerd zijn in de samenleving spelen nu een cruciale rol om chaos te voorkomen. De zorgsector is het belangrijkste voorbeeld. In een land als de Verenigde Staten wordt het stilaan pijnlijk duidelijk dat een extreem geprivatiseerd gezondheidssysteem amper of niet in staat is om dit soort crisissen het hoofd te bieden en de zwakkeren in de samenleving te beschermen.


De sfeer van nationale eenheid in ons land mag ons niet doen vergeten dat de besparingen in de zorgsector onze weerbaarheid tegen dit soort crisissen hebben ondermijnd. Daarnaast zijn het vaak mensen in precaire sociaal-economische posities die de boel nu draaiende houden. Denk maar aan de vrachtwagenchauffeurs die instaan voor het transport van essentiële goederen, de leerkracht met een tijdelijk contract die nu haar best doet om online lessen te geven, de koeriers van Deliveroo en soortgelijke bedrijven die ons eten brengen, terwijl wij veilig en knus binnen zitten, en werknemers van Amazon en Bol.com, die de spullen bezorgen die wij bestellen vanuit onze quarantaine.


Window of opportunity

De mensen die deels of volledig uit het systeem vallen, zijn nu extra kwetsbaar. Probeer als dakloze maar eens ‘in je kot’ te blijven of je te handhaven, wanneer alle openbare plaatsen en horeca gesloten zijn, en ook de daklozenopvang en voedselbanken noodgedwongen de deuren moeten sluiten. Of wat te zeggen over de vluchtelingen die de komende dagen en weken voor gesloten aanmeldingscentra staan, of in kampen aan de rand van Europa aan hun lot worden overgelaten, terwijl het virus zich ook daar begint te verspreiden? De mensen die voor de crisis al tussen de mazen van het sociale vangnet vielen, moeten nu overleven met weinig of geen noodvoorzieningen en hebben bovendien een grotere kans om ziek te worden.


Crisissen kunnen angstaanjagend zijn, maar ze bieden ook altijd een window of opportunity om fundamentele veranderingen te realiseren. Door de lens van een crisissituatie zien we de samenleving vanuit een ander perspectief, en zijn we in staat om bepaalde structurele evoluties te identificeren, kritisch te evalueren en waar nodig bij te sturen.


Als we uit deze crisis één les moeten trekken, is het wel dat sociale rechtvaardigheid het hoogste goed is in de samen­leving en ook zo behandeld moet worden. De coronacrisis kan een kantelpunt vormen in de afbraak van sociale voorzieningen, de sluipende uitbreiding van het zogeheten precariaat, de overwaardering van grote private spelers die hun personeel weinig of geen sociale bescherming bieden en de onderwaardering van publieke diensten als zorg en onderwijs. Aan ons om erover te waken dat deze lessen niet worden vergeten zodra we weer overgaan tot de orde van de dag.


De Standaard





Alessandro Baricco


'Nú moeten we gas durven geven'


De Morgen



Alessandro Baricco, de belangrijkste Europese schrijver en intellectueel van het moment 

laat in de wereld na corona alle voorzichtigheid varen.


Door de coronacrisis zullen we de digitale revolutie in de armen sluiten. Alleen denkt het beleid nog in 20ste-eeuwse oplossingen. Hoe moet de wereld straks dan verder? Alessandro Baricco verwijst in elf bedenkingen onze angsten naar de prullenmand en pleit voor durf.


Ik heb dit verhaaltje al eerder verteld, maar hier is het ook wel op zijn plaats. Het komt uit een mooie Zweedse roman en gaat over een koningin die wil leren paardrijden. Ze bestijgt haar paard. En dan vraagt ze vanuit de hoogte aan de rij-instructeur of er regels zijn die ze moet volgen. Hij antwoordt: "Eerste regel: Wees voorzichtig. Tweede regel: Durf."

Goed. Ik denk dat we met voorzichtigheid al veel hebben bereikt. Nu mogen we durven.

Nu moeten we durven.

Ik heb er geen idee van wat durven vandaag voor een dokter betekent. Maar wat durven op dit moment voor intellectuelen inhoudt, dat weet ik dan weer wel. Het betekent dat je je verdriet opzij moet zetten, moet nadenken en de chaos moet leren begrijpen. Je moet een inventaris opmaken van monsters waarvan je het bestaan niet kende, verschijnselen benoemen die je nooit eerder hebt gezien, de afschuwelijke waarheid recht in de ogen kijken en als je dat allemaal hebt gedaan, dan moet je het verschrikkelijke risico nemen om de mensen wat zekerheid te schenken. Kom, aan het werk, elk met onze eigen mogelijkheden en talenten! Zelf voel ik me momenteel niet echt in vorm, maar ik wil absoluut neerschrijven wat ik weet. Dat is immers mijn vak.

1.

De wereld zal niet vergaan. Ook komen we heus niet terecht in een anarchie waarbij de leeghoofdige pestkop uit de middelbare school ons opnieuw komt terroriseren. Wees gerust, die dingen gebeuren alleen in romans. Terug naar de realiteit dus. Wij, wij mensen zijn angstaanjagend geduldig, intelligent en sterk. We hebben het klaargespeeld om de hele schepping in ons persoonlijke pretpark te veranderen en we hebben dat gedaan op een van de meest gewelddadige en cynische manieren die je maar kunt bedenken. En dat niet alleen, we zijn ons bovendien maar al te goed bewust van wat we de wereld hebben aangedaan. We hebben het zelfs een naam gegeven: het antropoceen. Onze hoogmoed gaat zo ver, dat we onlangs zijn gaan overwegen om een deel van de schepping zijn 'vrijheid terug te geven'. Ja hoor, dat zijn wij. En we vechten al sinds mensenheugenis tegen virussen. Vaak hebben die virussen ons op de knieën gekregen. Maar het geval wil dat we dan zelfs nog geduldiger, koppiger en listiger worden.

2.

We zijn vrede aan het sluiten met de Game, de digitale samenleving. Die hebben we eerst zelf uitgedacht, daarna zijn we ze gaan haten en nu leren we ermee te leven. Mensen van alle niveaus laten hun wantrouwen tegenover digitale instrumenten varen, ze raken ermee vertrouwd en zijn er zelfs dankbaar voor. De toestellen gaan deel uitmaken van ons dagelijks leven en zullen daar weldra niet meer uit weg te denken zijn. Het was van bij het begin van de digitale revolutie de bedoeling dat die instrumenten een natuurlijke aanvulling van ons mens-zijn zouden vormen. En nu is het bijna zover. We hebben ons lang laten tegenhouden door nostalgie, angst, achterdocht of gewoon door intellectueel gekoketteer, maar in slechts enkele weken tijd hebben we al die bezwaren overboord gegooid. Uiteindelijk zullen we die digitale beschaving in de armen sluiten. Zo zullen we ze ook efficiënter kunnen bijsturen, want wat je met liefde doet, doe je beter.

3.

We merken allemaal hoezeer we in deze periode niet-digitale menselijke contacten missen. Dat is zeker zo. Maar je kunt het ook andersom bekijken. Want dat betekent dat we voorheen eigenlijk best veel menselijke contacten hadden. We zeiden misschien wel dingen als "tegenwoordig leven we alleen nog digitaal", maar intussen sprokkelden we onnoemelijk veel menselijke relaties bijeen. Daar worden we ons nu van bewust. We mogen die les later niet opnieuw vergeten.

Maar daar houdt het niet bij op. Want we zien ook dat het juist die groeiende digitale beschaving is die onze menselijke kanten waardevoller, mooier, belangrijker en zelfs economisch nuttiger maakt: lichamen, natuurlijke stemmen, tastbaar vuil, onvolmaaktheden, vakkundige handen, contacten, inspanningen, nabijheid, strelingen, temperaturen, oprecht gelach en echte tranen, ongeschreven woorden en ik kan zo nog wel even doorgaan. Humanisme zal niet beperkt blijven tot leerstof op school. Het zal deel gaan uitmaken van ons dagelijks leven, het zal onze enige echte rijkdom worden en we zullen ons die nooit meer laten afnemen. Denk maar hoe hartstochtelijk we ernaar verlangen nu het virus ons gegijzeld houdt en je zult niet meer twijfelen.

4.

De voorbije jaren was de kloof tussen de gewone mensen en de elites uitgegroeid tot een onoverbrugbare afgrond. We leden er allemaal onder. Nu, in enkele weken tijd, is die afgrond gedicht. De mensen hebben vrijwel meteen de aanwijzingen opgevolgd van een politieke klasse waar ze geen enkel vertrouwen meer in hadden. Ze hangen aan de lippen van dokters, die ze tot voor kort nog van onkunde beschuldigden. Die leidende klasse, die zelfs geen hervorming van het onderwijs had kunnen doorvoeren, is er nu in geslaagd heel Italië thuis te houden.

Hoe heeft die leidende klasse dat in godsnaam voor elkaar gekregen? Angst, zul je zeggen en dat zal ook wel kloppen. Maar er is meer. Hoewel het tegendeel vaak waar lijkt te zijn, geloven we in intelligentie en competentie.

We verlangen naar iemand die in staat is om ons te leiden. We zijn zelfs bereid om ons leven om te gooien omdat iemand die het beter weet dan wij, dat vraagt. We hebben onze opstand tegen de elites tijdelijk opgeschort, maar we willen wel begrijpen wat er scheef zit: we geloven nog in intelligentie, maar niet meer in die van onze vaders; we willen competentie, maar niet die uit de vorige eeuw; we hebben iemand nodig die voor ons beslist zolang er geen klasse van vastgeroeste navelstaarders achter schuilgaat.

Ik vat het even samen. We wilden een nieuwe leidende klasse en die willen we nog steeds. Maar we kunnen wachten, nu is niet het moment om rel te schoppen. Zodra deze crisissituatie voorbij is, gaan we er weer voor.

5.

Het is erg waarschijnlijk dat deze Covid-19-crisis uiteindelijk een historisch kantelpunt van onmetelijk belang zal blijken. Laat ik het zo zeggen: dit is de eerste mondiale noodsituatie in het tijdperk van de Game, de digitale revolutie. En het is tegelijk de laatste mondiale noodsituatie die wordt aangepakt op de manier van een 20ste-eeuwse elite. Zie je het kantelpunt? Zie je de tegenstrijdigheid? Zie je waarom we er op dit moment zo weinig van begrijpen, waarom we onszelf zo gemakkelijk verliezen? Ze hebben ons uitgedaagd voor een videogame en we hebben schaakspelers gestuurd. We balanceren moeizaam tussen twee werelden. Dat is een erg ongemakkelijke positie. Stel dat je geen smartphone had, dan viel 80 procent van wat er rondom je gebeurt zomaar weg (informatie, storytelling, angst die komt en gaat, overleven in een zo goed als complete lockdown, de snelheid van de genomen beslissingen...). En toch wordt de hele zaak aangepakt vanuit een 20ste-eeuwse redenering.

Ik geef een praktisch voorbeeld. In de vorige eeuw werd de specialist op handen gedragen. De specialist was meestal een man die, nadat hij zijn leven aan studies had gewijd, heel veel wist over één bepaald onderwerp. In de Game betekent intelligentie iets anders. De werkelijkheid is immers erg veranderlijk en complex. In de Game vertrouw je op een ander type specialist: niet hij die alles over één onderwerp weet, maar hij of zij die over alle onderwerpen net genoeg weet. Of je brengt de verschillende soorten kennis gewoon samen. De Game zou nooit toelaten dat de beleidslijn bij een medische crisissituatie louter door artsen werd bepaald: er zou meteen een wiskundige bij worden gehaald, een ingenieur, een handelaar, een psycholoog en wie er ook maar iets van af weet. Ja, zelfs een clown, mocht die kunnen helpen.

Waarschijnlijk zou maar één ding echt tellen: snelheid. Ook de methodologie verandert dus: snel fouten maken, nooit opgeven, alles uitproberen. De manier waarop wij vandaag te werk gaan, ligt daar mijlenver vanaf. We worden geleid door een elite die, door haar opleiding en de generatie waartoe ze behoort, zo goed en zo kwaad als ze kan wel digitaal werkt maar niet digitaal redeneert. Dat kunnen we haar ook niet kwalijk nemen. Maar als veel van wat je ziet je vandaag absurd lijkt, dan is dat een van de redenen. Grote schaakmeesters die Fortnite spelen (ze zullen wel winnen, maar je snapt dat hun spelstijl soms nogal surreëel aandoet).

6.

Blijf thuis, verdorie. Moet ik het nog eens zeggen? Oké, ik zeg het nog eens.

7.

Blijf thuis, verdorie. Er is genoeg te lezen...

8.

De Covid-19-crisis heeft een verschijnsel blootgelegd waar we ons eigenlijk al vaag van bewust waren: de agenda van de mensen wordt - intussen al een tijdje - bepaald door angst. Om in actie te komen, hebben we een dagelijkse dosis angst nodig. Momenteel vult het virus die behoefte helemaal in. Denk maar eens na. Wie is nu nog bang voor immigranten, voor terrorisme, voor de effecten van videogames op onze kinderen of van gluten? Maar amper enkele weken geleden hadden we ze hard nodig, die angsten. We koesterden ze als waren het orchideeën. Op momenten dat er niet veel te vrezen was, namen we genoegen met een weeralarm of met een mogelijke regeringscrisis (dat zegt genoeg). We durven tegenwoordig alleen nog te schaken met de zwarte stukken: als de angst niet als eerste aan zet is, hebben we geen strategie. Ik wil iedereen eraan herinneren - zeker nu - dat we op de wereld zijn om ideeën uit te voeren, een paradijs te bouwen, onszelf te verbeteren en elke dag iets nieuws te leren. Er is geen plaats voor angst. Onze agenda zou bepaald moeten worden door levenslust, niet door angst. Door verlangens. Door visioenen, maar in godsnaam, niet door nachtmerries.

9.

(Dit punt ligt gevoelig. Indien niet ernstig, gelieve zich te onthouden.) Niemand kan er vandaag omheen: er lijkt een zekere wanverhouding te bestaan tussen het werkelijke risico en de maatregelen waarmee we erop reageren. Ze kunnen het ons uitleggen zoals ze willen, het gevoel blijft: de verhouding klopt niet. Ik wil me niet wagen aan vergelijkingen tussen het aantal Covid-19-doden en overlijdens door diabetes of een bananenschil op de grond. Maar we kunnen er niet omheen: het risico en de tegenmaatregelen zijn niet in evenwicht. Dat kunnen we ten dele toeschrijven aan de manier van redeneren uit de vorige eeuw, die logica, het gebrek aan flexibiliteit en de verering van specialisaties. Maar daar komen we geen stap verder mee. Als ik er dieper op inga, stoot ik uiteindelijk op iets dat ik nauwelijks gezegd krijg. Maar zoals ik eerder al schreef, is het tijd om te durven.

We lijden onder een algemene verlamming. Een collectief gevoel dat we blijven voeden: we zijn te bang om te sterven. Het is alsof het recht op gezondheid (dat fantastisch is, laten we duidelijk zijn) verstard is tot een recht op het eeuwige leven - dat niemand ons trouwens kan garanderen. In de eerste plaats is onze relatie met de dood en met de angst voor de dood heel persoonlijk. Het gaat alleen jezelf aan (en ik bijvoorbeeld, breng het er heel belabberd van af). Maar in tweede instantie is de angst voor de dood ook een collectief gevoel. Van oudsher proberen de gemeenschappen dat gevoel bij te schaven, te corrigeren, te controleren.

Om maar iets te zeggen, in de cultuur van mijn grootvader, die zich nog met oorlogen voedde, nam de 'mogelijkheid van de dood' een belangrijke plaats in. Onze beschaving heeft (in grote lijnen) voor vrede gekozen waardoor we het collectieve idee van de dood naar de achtergrond hebben verdrongen. Ja, we vechten ertegen, maar we denken er niet aan. Terwijl het voor een vredelievende beschaving net prachtig zou zijn om opnieuw aan de dood te denken en die te aanvaarden. Niet op een heldhaftige manier, maar vol wijsheid. Niet als een onuitsprekelijke belediging, maar als deel van onze ademhaling, ons pad dat een andere kant opgaat, alsof we een golf zijn die uiteenspat en tegelijk eeuwig blijft bestaan. Voor een individu is die lichtheid misschien moeilijk haalbaar, maar een gemeenschap kan dat, een gemeenschap moet dat kunnen. In het verleden zijn gemeenschappen erin geslaagd om voor een gezamenlijk ideaal miljoenen van hun kinderen de dood in te sturen. Waarom zou een gemeenschap haar kinderen dan niet kunnen leren dat juist de angst voor de dood de ergste manier van sterven is?

10.

Velen vragen zich af wat er hierna zal gebeuren. Wel, misschien zal er helemaal geen 'hierna' zijn. Nee, we gaan niet allemaal dood, natuurlijk niet, dat heb ik al gezegd. Ik bedoel maar dat we nu zien dat een noodsituatie het beste in ons naar boven haalt. De banden tussen de mensen en de elites worden aangehaald, er ontstaat een zekere sociale discipline, iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid, er ontwikkelt zich algemene solidariteit, er wordt minder gekibbeld... Anders gezegd en hoe absurd het ook mag lijken: pas als we op topsnelheid komen, verliezen we geen onderdelen meer. Het is dus goed mogelijk dat we ervoor kiezen om niet opnieuw te vertragen. De noodsituatie als chronisch toekomstscenario.

In die zin heeft het geval Covid-19 veel weg van een generale repetitie voor de grote finale: de redding van de planeet. Een totale, chronische, eindeloze noodsituatie waarna alles terug in orde komt. Ik moet eerlijk toegeven dat ik niet weet of dat scenario wel wenselijk is, maar ik kan niet ontkennen dat er een zekere logica in schuilt. Het sluit ook aan bij de intelligentie van de Game. Die is licht toxisch, heeft herhaaldelijke en intense stimuli nodig en geeft alleen in een klimaat van uitdagingen het beste van zichzelf. Ze is tenslotte ook uitgevonden door problem solvers en niet door dichters.

11.

Laatste punt. Zelf heb ik er geen verstand van, maar een kind kan zien dat heel deze affaire ons veel geld zal kosten. Het wordt nog veel erger dan de economische crisis van twaalf jaar geleden. Ik zou daar één ding over willen zeggen: dit wordt een enorme, historische kans. Als er één moment is waarop het mogelijk is om de rijkdom te herverdelen en de sociale ongelijkheid terug te dringen, dan komt dat moment er nu aan. De sociale ongelijkheid die we nu zien, is zo groot dat geen enkele gemeenschap die naam waardig is. Het is een probleem dat de gezondheid van ons systeem bij de basis ondermijnt, dat elk hypothetisch straaltje geluk vernietigt en dat onze geloofwaardigheid wegvreet als een kanker.

Helaas kun je die situaties niet ombuigen. Ze kennen geen geleidelijk, farmaceutisch herstel, ze verbeteren niet elke dag een beetje, stapje voor stapje. Bepaalde zaken veranderen alleen door een snelle, hevige ruk, die pijn doet en waarvan je vooraf dacht dat het je nooit zou lukken. Bepaalde dingen veranderen door een schok die goed wordt opgevangen, een crisis die uitmondt in wedergeboorte, een aardbeving die je zonder bibberen doorstaat. De schok is er, de crisis ook, de aardbeving is nog bezig. Alle stukken staan op het schaakbord, allemaal doen ze ons pijn, maar ze staan er wel. Het is een partijtje schaak dat we al heel lang voor ons uitschuiven. Het zou onvergeeflijk dom zijn mochten we nu te bang zijn om te spelen.

Dit essay verscheen eerder in La Repubblica.


Wie is Alessandro Baricco?


  • Geboren in Turijn in 1958
  • Schrijver, filosoof, essayist
  • Debuteerde in 1991 met Castelli di rabbia (Land van glas)
  • Brak in 1996 door met de roman Seta (Zijde), die in 2007 verfilmd werd als Silk
  • Schreef voor de Italiaanse krant La Repubblica essays over onze angst voor culturele verloedering, die in 1996 gebundeld werden in I barbari (De barbaren)






Bart De Wever


'Bart De Wever is zijn dominante positie kwijt, voorgoed'


Simon Demeulemeester - Knack



Bart De Wever noch 'Sterke Jan' Jambon krijgt N-VA op koers in de coronacrisis.

Politicologen Carl Devos en Bart Maddens zien een zwalpende partij.

'Dit is nog steeds de fall out van de Marrakesh-crisis.'


Een gunstige wind liet een e-mail van de cel Lokaal Beleid van N-VA belanden bij de Vlaams-nationalistische opiniesite Doorbraak.be. Onder de titel 'N-VA maant lokale mandatarissen aan tot kalmte' valt te lezen dat N-VA vraagt van haar lokale mandatarissen 'om voorzichtig te zijn in jullie communicatie en reacties' over de situatie in de woonzorgcentra (WZC). Die heet 'delicate materie' te zijn.


Uit die WZC's komen inderdaad zorgwekkende cijfers over besmettingen met het coronavirus en een nijpend gebrek aan beschermend materieel voor het zorgpersoneel. Bevoegd minister van Welzijn Wouter Beke (CD&V) lag afgelopen woensdag onder vuur in het Vlaams parlement voor zijn aanpak van de situatie. De mail - waarvan het bestaan is bevestigd aan Knack ook - wordt door Doorbraak.be geïnterpreteerd als een vraag om Beke en de Vlaamse regering te sparen.


Het is niet de eerste keer dat een dergelijke e-mail van N-VA, bedoeld om een corona-brandje te blussen, uitlekt. Op één april berichtte Knack over een e-mail van Vlaams fractieleider Wilfried Vandaele, die zijn Parlementsleden vroeg om niet te 'triomfalistisch' te doen over de onthouding van de N-VA bij de stemming over de Europese steunmaatregelen in de coronacrisis. 'Als het thema aan bod komt, houden wij het best "kop in kas",' schreef hij, na overleg hierover met Vlaams minister-president Jan Jambon (N-VA).


Nu is het niet uitzonderlijk -- en ook niet onverstandig -- dat politieke partijen hun communicatie proberen te stroomlijnen. Ze doen het allemaal. Zeker voor een partij als N-VA kan het een noodzaak zijn. 'Iedereen die verkozen moest zijn, is verkozen', zei voorzitter Bart De Wever na de onverwachte verkiezingsoverwinning in 2010. 'En de rest ook.' Om die 'rest' in toom te houden, zijn er de strenge partijwoordvoerders.


In de mail van de cel Lokaal Beleid van N-VA wordt lokale mandatarissen dan ook geadviseerd om 'bij onzekerheid, zowel inhoudelijk als communicatief, zeker ook contact op te nemen met de cel Lokaal Beleid of met de partijwoordvoerders.' N-VA durft ver gaan in het bijsturen van onzekerheid. In juni 2014 kregen de net verkozen Kamerleden van die partij zelfs communicatierichtlijnen over de Rode Duivels, op dat moment op het Wereldkampioenschap Voetbal in Brazilië. N-VA'ers mochten zeggen dat 'de Rode Duivels goed bezig zijn'.


De twee mails die recent uitlekten, komen echter uit in een andere context dan in 2010 en in 2014. Toen behaalde N-VA monsterscores. In 2010 stond de partij aan het begin van een jarenlange dominantie over de Vlaamse en gaandeweg ook Belgische politiek. De Wever kon die dominantie bovendien jarenlang schijnbaar moeiteloos aanhouden en vergroten. Dreigde zijn partij of een partijgenoot in de problemen te komen, dan zette hij de situatie naar zijn hand met vaak niet meer dan één welgemikte quote in een optreden in een televisiestudio of krant naar keuze.


Dat overwicht is de man, en dus zijn partij, al even kwijt. Eind november van vorig jaar titelde Knack 'Waar was Bart De Wever?' Zo alomtegenwoordig hij de voorbije tien jaar was, zo schaars waren die dagen zijn mediaoptredens - zelfs een ontwrichtende gebeurtenis als de brand in een toekomstig vluchtelingencentrum in Bilzen was hem geen reactie waard. De vraag drong zich op of er een nieuwe fase was aangebroken voor de N-VA-voorzitter, en dus voor van zijn partij.


'De Wever beseft goed genoeg dat hij niet meer de allure heeft van vroeger.'

Carl Devos (UGent)


'Bart De Wever is zijn dominante positie kwijt en die krijgt hij nooit meer terug,' zegt politicoloog Carl Devos (UGent). 'Eenmaal verloren, komt zoiets nooit terug. Dat zal ook gelden voor De Wever, ook al heeft hij zijn staat van genade uitzonderlijk lang volgehouden.' Devos ziet het bewezen in De Wevers kandidatuur om premier te worden in een federale regering. 'Dat deed hij om zich weer aan de tafel te boksen. Hij voelde zich buitengesloten en verloor daardoor zijn gebruikelijke cool. In andere tijden had die uitval ten eerste veel meer effect gehad, en ten tweede en belangrijker: toen had hij zoiets nooit gedaan. Het zou niet nodig zijn geweest.' Devos ziet een De Wever die niet langer in de regisseerstoel zit. 'Om maar één voorbeeld te geven: in de pogingen om een federale regering te vormen, was het PS-voorzitter Paul Magnette die een voorstel deed, waarop zijn evenknie bij SP.A, Conner Rousseau, contact maakte met de N-VA.'


In de coronacrisis toont zich ook de tanende impact van De Wever, vindt Devos. 'Zijn kritiek op de maatregelen van de federale regering, krijgen geen navolging van andere burgemeesters. De teneur is eerder dat dit een slecht signaal is dat efficiënte handhaving bemoeilijkt. Misschien heeft De Wever inhoudelijk wel een punt. Maar hij sorteert met zijn tussenkomsten alvast niet meer het effect van weleer, toen zijn woorden een signaal voor velen zou zijn geweest om het inderdaad anders aan te pakken.' Dat De Wever een 'has been is die dat nog niet beseft', zoals na de zomer te horen viel binnen N-VA, vindt Devos overdreven. 'Hij blijft uiteraard zeer relevant, en ten tweede: De Wever beseft goed genoeg dat hij niet meer de allure heeft van vroeger. Dat komt omdat zijn partij na 26 mei 2019 niet meer die van vroeger is.'


Wat voor De Wever geldt, geldt ook voor zijn partij. Want geen enkele partij in dit land valt zo hard samen met haar voorzitter. 'N-VA zit al een tijd slecht in haar vel,' zegt Devos. 'De partij heeft nooit een antwoord gevonden op de verkiezingsnederlaag van 26 mei vorig jaar. De huidige malaise is begonnen toen N-VA in december 2018 omwille van het VN-migratiepact uit de regering-Michel I is gestapt. Sinds de mislukte vorming van een noodregering is ze de controle nu helemaal kwijt. Wiens fout dat ook was, het resultaat is dat N-VA in een ambigue situatie is terechtgekomen. Ze steunen niet de regering-Wilmès II, wel de volmachten ervoor. Ze maken dus mee het beleid en tegelijk voeren ze er oppositie tegen. Nu is N-VA niet vies van een spreidstand, maar dit maakt het voor de mensen toch moeilijk in te schatten wat de partij nu eigenlijk wil.'


'N-VA beseft dat het een fout was om uit de regering-Michel te stappen'

Bart Maddens (KUL)


Het contrast met andere partijen is bijzonder groot, weet Devos. 'Aan de ene kant kunnen Open VLD en CD&V voluit de kaart van de verantwoordelijke bestuurders trekken, hun ministers van Volksgezondheid Maggie De Block en van Binnenlandse Zaken Pieter De Crem op kop. Daartegenover staan PVDA en Vlaams Belang, die voluit voor oppositie gaan. Het is opmerkelijk dat SP.A, nochtans in ongeveer dezelfde situatie als N-VA, er wel in slaagt om, bij monde van voorzitter Rousseau, hierover helder te communiceren.'


Ook de Vlaamsgezinde politicoloog Bart Maddens (KUL) ziet N-VA worstelen met haar positie aan de zijlijn. 'Vraag in de straten wie deze crisis beheert. Denkt u dat men Jan Jambon zal noemen? Ik denk het niet. De man in de straat zal Sophie Wilmès noemen, De Block, De Crem en steeds meer Philippe De Backer.' Volgens Maddens leeft er binnen N-VA frustratie dat ze zich nu niet kan tonen op het federale niveau, zoals de partij dat deed tijdens de vluchtelingencrisis van 2015 of na de aanslagen van 2016. 'Toen hebben Theo Francken en Jan Jambon, als staatsecretaris voor Asiel en Migratie en minister van Binnenlandse Zaken, hun reputatie kunnen vestigen als goede bestuurders.'


Deze situatie heeft de partij wel aan zichzelf te danken, weet Maddens. 'Dit is, en dat beseffen ze bij N-VA maar al te goed, nog steeds de fall out van de Marrekesh-crisis. Was N-VA toen niet uit de regering-Michel gestapt, dan maakte Jambon vandaag wellicht het mooie weer als minister van Binnenlandse Zaken. Wat ze vandaag meemaken, is de pijnlijke bevestiging van de analyse die ze na 26 mei hebben gemaakt: het was een fout om uit die regering te stappen.'


Sterke Jan

Een vraag is waarom N-VA er niet in slaagt om zich vanuit de Vlaamse regering een plaats op het voorplan te knokken. Ondanks de historische verkiezingsnederlaag op 26 mei 2019 heeft ze haar gewicht in de Vlaamse regering danig vergroot. Met 'Sterke Jan' aan het roer zou Vlaanderen een pak assertiever zijn, was de teneur. Dat riedeltje klonk zo flink dat mensen medelijden kregen met aftredend minister-president Geert Bourgeois.


'De Vlaamse regering heeft meteen haar start gemist,' is Devos' analyse. 'Jambon gaf dat ook zelf toe. In de kerstinterviews, geen drie maanden na zijn aantreden, sprak hij al over met een nieuwe lei beginnen en een tweede kans. Hoewel de N-VA-excellenties het niet per se zo slecht doen, draait die regering niet lekker. Kijk alleen al naar het zorgbeleid dat ze had uitgestippeld. Na besparingen zouden er investeringen volgen, maar de coronacrisis bewijst hoe ongelijk deze regering had om überhaupt te willen besparen in de zorg. Dus neen, je zal wellicht weinig mensen vinden die denken: 'Amai, wat pakt Vlaanderen dit goed aan.''


En wat met de verwachtingen over Jambon zelf? De man met de ervaring in de bedrijfswereld, een 'geboren crisismanager', in de woorden van Theo Francken, is de laatste dagen wat afwezig. Ook in de eerste dagen van de coronacrisis kwam hij weinig indrukwekkend naar voren. Meer: hem werd verweten een rem te zijn op de eerste maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, in de hoop de economie geen al te grote schade toe te brengen. Ook Bart De Wever liet zich opvallen met deze 'het medicijn mag niet kwalijker zijn dan de kwaal'-denkwijze, naast figuren als Donald Trump en Boris Johnson, leiders die er niet bepaald bekend om staan een hartelijke relatie te onderhouden met feiten.


Devos begrijpt wel waarom Jambon met de reputatie van degelijk bestuurder is overgekomen uit de federale regering. 'Hij was vaak te zien op televisie terwijl hij zei, met de hand op de klink van de deur van de Wetstraat 16: 'Dat gaan we binnen rustig bespreken.' In de terreurdossiers gaf hij minstens de indruk alles onder controle te hebben.' Devos denkt even na. 'Je kan je natuurlijk afvragen welke N-VA'er in staat was om De Wever op te volgen toen die toch geen minister-president werd Geert Bourgeois moest blijkbaar weg, net als Liesbeth Homans. En Philippe Muyters wilde zelf weg. Er was gewoon niemand anders dan Jambon.'


Maddens denkt niet dat anderen het beter zouden doen dan Jambon. 'Zouden zijn voorgangers, Bourgeois of Kris Peeters, sterker naar voren zijn gekomen? Ik denk het niet.' Jambon is volgens Maddens het slachtoffer van de pijnlijke constatering waarvan hij zich 'als flamingant al lang bewust is': dat de echte macht nog steeds op federaal niveau ligt. 'Het valt blijkbaar wel mee met de Copernicaanse omwenteling. Ja, hij schuift wel mee aan bij de Veiligheidsraad, maar toch eerder als figurant naast de andere MP's.'


Premier Sophie Wilmès (MR), nochtans een frêle verschijning naast de grote Jambon, kan wel opvallen. Zowel toon als inhoud van haar toespraken voor de natie worden gesmaakt. Toch is Devos maar matig overtuigd. 'Ik hoor dat haar toegevoegde waarde inhoudelijk niet heel groot is. Ze neemt blijkbaar eerder de leiding in het communicatieve. Dat is belangrijk, maar ook maar wat het is.' Hij ziet nog een ander verschil met Jambon. 'De kritiek op Wilmès blijft achter de schermen, die op Jambon niet. Neem de reacties op zijn uitspraak dat sommige mensen sneller weer aan het werk moeten. Hij had wellicht gelijk, soms had men meer moeite kunnen doen om het werk volgens de richtlijnen over social distancing te organiseren, in plaats van naar ziekenbriefjes en tijdelijke werkloosheid te grijpen.'


Devos heeft hier een verklaring voor het feit dat Jambon stevig wordt aangepakt dan Wilmès. 'Men is alerter voor wat Jambon zegt, en ik zou zelfs zeggen: bereidwilliger om een uitspraak verkeerd te interpreteren, omdat hij nu eenmaal een parcours heeft van foute uitspraken. Van de 'dansende moslims' tot zijn uitspraken over asielzoekers die met kindergeld een huis kunnen kopen. Hij heeft dit dus ook aan zichzelf te danken. Wilmès daarentegen is van nature behoedzamer. Dat speelt nu in haar voordeel.'


Betekent dat dan dat N-VA nu incasseert door haar slechte communicatie, terwijl dat het afgelopen decennium net haar grote sterkte was? 'Het ligt niet in eerste instantie aan gebrekkige communicatie,' denkt Devos. 'Laat ons zeggen dat niet iedereen altijd de grammaticale twisten van Kris Peeters begrijpt. Toch was dat geen probleem voor hem om een succesvol minister-president te zijn, omdat de context waarin hij communiceerde goed zat en zijn imago solide was. Zoals ik al zei, heeft Jambon over zichzelf en zijn minister-presidentschap een negatieve sfeer afgeroepen met uitspraken zoals die over het kindergeld van asielzoekers of het weinig vriendelijke 'da gade gij nie bepalen'. Dat was niet de regeringsleider die boven het gewoel stond, maar wel de politicus die zelf voor controverse zorgde.'


Wat we zelf doen...

Niet alleen N-VA lijdt onder de coronacrisis. Ook de fiere Vlaamse slogan 'wat we zelf doen, doen we beter' doet dezer dagen geen extra glans op. Verdriet dat flamingant Maddens? 'Ach neen, dit bevestigt gewoon wat ik daarnet zei en wat de Vlaamse Beweging al lang weet: de echte macht ligt nog steeds in België. Vlaanderen doet het kennelijk niet beter dan België, neen. Maar mag ik opwerpen dat het daar misschien ook niet de kans toe krijgt? Neem de sluiting van de scholen. Die kwam er in navolging van Frankrijk, op vraag van Franstalig België. Vlaanderen was tegen, maar moest plooien en meedoen, ook al is Onderwijs een Vlaamse bevoegdheid. Stel nu dat Vlaanderen het wél had mogen doen en door de feiten gelijk zou hebben gekregen - voor de duidelijkheid: ik vervoeg me nu niet bij het legertje toogvirologen, ik maak de denkoefening, meer niet - dan zou dat de vraag naar zelfbestuur kunnen voeden.'


'Het klassieke politieke spel is naar de achtergrond verschoven'

Bart Maddens (KUL)


Maar Maddens wil dit nu liever niet bespreken, zegt hij. 'Discussies over het communautaire of wie waarvoor bevoegd moet zijn: die zijn nu niet relevant. Politici beseffen dat te weinig, maar mensen zijn hier nu helemaal niet mee bezig. Niemand weet nog hoe de regering-Wilmès II is gevormd of wie wie verraden heeft tijdens de vorming van een noodregering. Mensen waren toen al bezig met de impact van de coronacrisis op hun leven. Het klassieke politieke spel is naar de achtergrond verschoven.'


Die situatie is vooral voor N-VA lastig, denkt Maddens. 'Op dit moment wil je als politicus liefst een crisismanager zijn in de federale regering. Mocht je nu een opiniepeiling houden, dan zouden de meest zichtbare partijen in de federale regering beter scoren dan in eerder afgenomen peilingen. N-VA moet op dit moment niet hopen op een remonte, de steile opgang van Vlaams Belang zal wellicht een stuk minder zijn.'


Nu voluit chargeren in de oppositie is volgens Maddens daarom geen optie voor N-VA. 'In deze crisis valt weinig te winnen met aanvallen op De Block of Beke. Mensen zijn daar niet mee bezig. Ze vergelijken de Belgische situatie met die in andere landen en zien dat wij het al bij al niet zo slecht doen in vergelijking met Spanje, Italië en de VS. Van dat succes is N-VA geen deel. Zij voelen aan dat ze niets anders kunnen doen dan stilzitten en wachten tot dit overwaait.'


Weinig beterschap in zicht

Dat stilzitten zou wel eens lang kunnen duren, meent Devos. 'Een federale regering zonder hen is een stuk aannemelijker dan een met. Dus zitten ze tot 2024 waar ze niet wilden zitten: in de oppositie naast het VB. Bart De Wever wilde er alles aan doen, en er veel voor opgeven, om dat te vermijden. Maar het lijkt mislukt.'


N-VA zit niet alleen in slechte papieren omdat het niet in de machinekamer zit waar de coronacrisis echt te lijf wordt gegaan, menen de politicologen. Ook omdat het speelveld de komende weken, maanden, misschien zelfs jaren, voor hen minder gunstig zal zijn. 'De nood aan een grondig debat over onze staatsstructuren is door corona misschien urgenter geworden, maar dat debat zal wellicht nauwelijks plaats krijgen,' zegt Devos, daarin bijgetreden door Maddens.


'En wat met identitaire debatten, waar een Theo Francken zich zou kunnen in uitleven? Je moet al een bijzonder grote vluchtelingencrisis krijgen om hier tegenop te kunnen. Ook het neoliberale verhaal van N-VA, waarmee ze zich profileerden ten koste van de liberalen, klinkt nu schril. Zullen ze nu nog durven herhalen dat je miljarden kan besparen op het apparaat van de sociale zekerheid? Experts wisten voor de coronacrisis al dat dat niet kan. Nu dat apparaat en haar structuren massaal worden ingezet, weet iedereen het. En voor N-VA, met haar allergie voor nieuwe inkomsten, wordt het geen pretje om de diepe financiële putten die nu worden gedolven, te dempen. De Vlaamse begroting gaat door de coronamaatregelen 4,1 miljard euro in het rood, tien maal zoveel als begroot voor de epidemie. Daar een antwoord op vinden zonder nieuwe inkomsten? Moeilijk hoor. En dat terwijl partijen als PVDA, Groen, SP.A en zelfs CD&V een vermogensbelasting op tafel kunnen leggen.'


'Wie kan de kracht van verandering toepassen op de eigen partij?'

Carl Devos (UGent)


Devos besluit met wat hij het personeelsprobleem van N-VA noemt. 'Wie is er eigenlijk nog een top-N-VA'er? En belangrijker: wie kan De Wever opvolgen? De toekomst van de partij, zo leerden de jongste verkiezingen, liggen in het centrum. N-VA kon haar verlies aan het VB, die het voor het zeggen heeft op de extreme flank, wat milderen door stemmen te halen bij de centrumpartijen. Sinds december 2018, toen ze de historische stommiteit beging de regering te verlaten, nam N-VA de afslag naar een situatie waarin alles wegzakt. De partij moet zich dus heruitvinden. Maar wie kan de kracht van verandering toepassen op de eigen partij? De Wever niet meer en wie heeft evenveel autoriteit als hij om het wel te doen? Ik zie niet wie zijn grote schoenen kan vullen. Nochtans is het ondertussen zeer duidelijk geworden dat iemand het allicht moet doen.'


Simon Demeulemeester - Knack





2020, In staat van oorlog


Dokter A.M. Uytersprot


Neuropsychiater



In het ziekenhuis heerst er een heel nieuwe spanning. In al mijn jaren als arts heb ik nooit zo'n situatie meegemaakt. Deze situatie is zo nieuw dat er geen protocollen zijn en dat er niemand met deze situatie vertrouwd is. Dat voel je. Het doet me denken aan het werkveld van Artsen Zonder Grenzen. Kamperen in tenten, ontsmetten, enz. Het financieel gewin is niet meer belangrijk, het gaat nu over overleven voor henzelf en de patiënten.


Van evidence-based therapie is momenteel geen sprake meer. Het is vooral experience-based en alle hens aan dek. Voorheen zou men nooit vitamine C als therapie voorgesteld hebben, nu dus wel. Het is een totaal andere manier van werken, de vastgeroeste paden worden verlaten en dokters gaan weer nadenken en improviseren. Ze zoeken elkaar op om samen de schouders te zetten onder het onbekende dodelijk probleem. Ze zijn dapper, ze riskeren zelfs hun eigen leven om anderen te helpen. Wie had dit een paar weken geleden kunnen bedenken.


Heel veel dingen zijn op korte tijd aan het veranderen, zaken die vroeger wel ter sprake kwamen maar nooit ten uitvoering kwamen gebeuren nu in een paar weken. Departementen slaan de handen in elkaar om de maatschappij te ondersteunen. Het is hier ook alle hens aan dek want veel mensen zitten nu werkloos thuis. Een belangrijke verandering is al het thuiswerk, vroeger met mondjesmaat toegestaan en nu verplicht. Door het feit dat mensen ook meer thuis moeten blijven zal alles wat gericht is op de thuisblijvers gaan boomen: voeding en allerlei bezorgsystemen aan huis. Ook het milieu zal er baat bij hebben. De vraag is alleen: gaan we nadien hervallen in oude systemen of blijven we de nieuwe paden bewandelen?


Tot voor kort leefden we in een egocentrische maatschappij. Ieder voor zich, groep per groep, partij per partij en was er weinig begrip voor standpunten van andersdenkenden. Plots worden we geconfronteerd met een maatschappij waar mensen geen contact meer mogen hebben met elkaar, het is zelfs verboden. Men zou al kunnen denken dat de maatschappij gestraft wordt voor zijn zonden. Maar ik houd het eerder op een toevallig of stochastisch proces, een moeilijk woord om te zeggen dat de uitkomst van iets niet te voorspellen of te berekenen valt en alleen maar met een bepaalde mate van waarschijnlijkheid kan aangegeven worden. In het hele coronaverhaal is er inderdaad veel waarschijnlijk en weinig vaststaand. Het gebeuren zelf is toevallig, maar zat er ook wel aan te komen. Maar niemand, op enkelen na, dacht dat het ooit zou gebeuren. Het is zoals het jarenlang gerommel van een vulkaan, die dan plots toch onverwachts uitbreekt. We zijn wel erg geschrokken nu het onheil gebeurd is en er is veel verwarring. Maar dit zal in de toekomst ook weer leiden naar gemeenschappelijke regels waarbij overheden samen gaan werken. Ook zien we nu nog maar eens dat we ons niet moeten terugplooien op een groep en dorp.


Ik hoop dat dit hele gebeuren de mensen dichterbij brengt en dat men beseft dat men elkaar nodig heeft. Het is niet een dure auto die geluk brengt maar het feit dat we met elkaar kunnen optrekken. Nu al merkt men dat mensen meer openstaan voor anderen, willen helpen en steunen. Ik hoop dat dit effect niet snel vergeten wordt als alles normaliseert.


Waar we ook eventueel moeten bij stilstaan is de periode na de infectie. Gaan al deze zieke patiënten die genezen verklaard zijn echt genezen zijn of gaan er restletsels blijven? Er is nu al sprake van blijvende longletsels na het herstel van een zware infectie.


Dr. Annemie Uyttersprot, neuropsychiater en gespecialiseerd in immunoneurologische gerelateerde aandoeningen.


MediQuality biedt haar leden de mogelijkheid hun mening te uiten over actuele en/of medische kwesties.

Deze opinies weerspiegelen de persoonlijke mening van hun auteur en vallen onder diens verantwoordelijkheid.


 Auteur: Dr. A.M. Uytersprot

Bron: MediQuality





De coronakater van De Wever


De N-VA staat grotendeels aan de zijlijn in de aanpak van de grootste gezondheidscrisis sinds de Tweede Wereldoorlog. Dat valt de partij zwaar.

 

Jan-Frederik Abbeloos - De Standaard



Ik denk dat daar meer gewerkt kan worden dan er vandaag wordt gewerkt.’ De inschatting van de Vlaamse minister-president Jan Jambon (N-VA) over de sector van de poetshulpen veroorzaakte eergisteren in het Vlaams Parlement al kritiek. Ook dienstenchequebedrijven hekelen dat Jambon de ‘realiteit op het terrein’ niet kent. Het is niet de eerste uitspraak van Jambon die controverse veroorzaakt, maar deze keer illustreert ze de slechte papieren waarin de N-VA zit sinds de uitbraak van de coronacrisis. De partij beheerst het thema niet, zit niet aan de belangrijke knoppen en kan zich moeilijk profileren.


Gezondheidscrisis is geen migratiecrisis

De N-VA heeft de crisis erg laat ingeschat. Het zal Theo Francken (N-VA) nog lang spijten dat hij op Twitter citeerde uit een column die sprak over een ‘pande-mietje’ en viroloog Marc Van Ranst belachelijk maakte. Voorzitter Bart De Wever (N-VA) riep lang op ‘normaal te doen’ voor hij de bocht maakte. In de Nationale Veiligheidsraad stond de N-VA op de rem om bijeenkomsten te beperken en vervolgens om de scholen te sluiten. Die voorzichtige houding contrasteert met het snelle schakelen in 2015, bij de uitbraak van de migratiecrisis. Toen liep de partij vaak voorop met de vraag naar een kordate aanpak.


De partij krijgt moeilijk de verdachtmaking van zich afgeschud dat ze de volksgezondheid slechts schoorvoetend kan laten voorgaan op de economie. Wie dat vooroordeel koestert, zag het bevestigd in de verklaringen van Jambon, zelfs al verwoordde hij een bredere bezorgdheid over een algemene economische stilstand. Iets waar evengoed de PS voor waarschuwt. Alleen klinkt die boodschap blijkbaar verdachter bij Jambon. Het illustreert hoe de N-VA met een geloofwaardigheidsprobleem kampt. De coronacrisis is voor de N-VA geworden wat de migratiecrisis was voor linkse, zogenaamde ‘open­grenzenpartijen’. De karikatuur dreigt.


De Wever had gehoopt die handicap weg te werken door federaal aan de knoppen te komen. Uit alle interviews sinds de gefaalde vorming van een N-VA-PS-kabinet spreekt grote frustratie. De Wever gaf in Humo toe dat hij de crisis ‘graag gemanaged had’. Francken erkende in Knack dat de partij de voorbije jaren pas echt is gaan beseffen hoe groot de macht van een federale premier is. De N-VA zag van nabij hoe Jambon zijn carrière maakte als gezicht van de strijd tegen terreur en Francken als migratiemanager. Er was de partij veel aan gelegen weer federaal te besturen zoals dat voor de ­Marrakech-crisis het geval was. ‘Desnoods gingen we met een wit blad naar de koning’, liet De Wever zich ontvallen tijdens De zevende dag. Het mocht niet baten. Er kwam een minderheidsregering die de N-VA niet steunt, maar wel volmachten toekent. Een spreidstand die oppositie voeren de komende maanden moeilijk maakt. En met wat pech zit de partij tot 2024 in de oppositie.


Federale zijlijn

De N-VA ondervindt parallel de ijzeren politieke wet dat het federale niveau meer aandacht krijgt, zeker in crisistijden. Het is Nathalie Muylle (CD&V) die de tijdelijke werkloosheid uitrolt, Alexander De Croo (Open VLD) die de bankgarantie optuigt, Maggie De Block (Open VLD) en Philippe De Backer (Open VLD) die mondmaskers opvolgen, Pieter De Crem (CD&V) die het samenscholingsverbod handhaaft. De gewesten bieden aanvullende steun, maar verdwijnen naar de achtergrond. En Vlaams heeft de N-VA amper ministers die aan zet komen. Alleen Ben Weyts heeft op het vlak van onderwijs het veld voor zich.


Federaal probeert de partij wel op de agenda te wegen, denk aan de mondmaskerdiscussie tussen Kathleen Depoorter en De Block (DS 23 maart). Die pogingen steken schril af bij de aandacht voor de federale excellenties. ‘Het land is in goede handen’, schreef Het Laatste Nieuws gisteren opvallend op de voorpagina, inclusief de foto’s van premier Sophie Wilmès (MR) en Maggie De Block. Zo’n positieve perceptie van de volgens De Wever ‘kaduke minderheidsregering’, kan een groot probleem worden voor de N-VA.


Ondertussen moet de partij in de oppositie Vlaams Belang afhouden. Die partij blijft wel inhakken op Marc Van Ranst, dat eist wel extra uitgaven zoals 100 procent looncompensatie bij tijdelijke werkloosheid, terwijl De Wever al waarschuwt voor de sanerings­periode die wacht. Ook dat is een breed gedeelde bezorgdheid, maar net zoals bij Jambon eentje die je momenteel met de nodige voorzichtigheid moet aanstippen.


De Standaard





Hugo Camps -Troost


Troost kan ook Van Ranst niet bieden,

daarvoor moeten we een beroep doen op de kunsten, op muziek en literatuur


De Morgen



De afstand wordt bedrieglijk in quarantaine. Mijn dochter Sandra woont in München. Is best in een dagje te bereizen, maar soms voelt het alsof ze in Rwanda woont. Met niets om handen veranderen tijd en afstand van emotie en structuur. Het gevoel van verwijdering neemt toe in afzondering.


De vogeltjes hebben het druk, de bomen botten er op los, de bloesjes worden dunner, de zon schijnt, maar de lente bereikt mij niet. Ik blijf in wintermodus. Dit voorjaar is niet echt een voorjaar. De rituelen ontbreken: Milaan-Sanremo, de Ronde, fietsers die in een mozaïek van kleuren het groene landschap klieven, processies… Daartegenover geeuwtelevisie met alleen maar dood. We zijn allemaal coronaslachtoffers.


Straks wordt het Pasen en moeten de kinderen in quarantaine paaseieren rapen. Opa en oma kijken toe op Skype – ze hebben een reisverbod. Gezamenlijkheid splintert, terwijl dat juist de belofte van nieuw leven inhield. Met zijn allen uit het kot, op naar samenzang van mens en natuur.


Burgerplicht is een autoritaire diepvriezer.


De Mätthäuspassion is een hoogtepunt van het voorjaar. De laatste twintig jaar heb ik geen uitvoering van het oratorium van Bach overgeslagen. In Nederland is het de hoogste podiumkunst. Alle kerken doen er aan. Ofschoon ongelovig grijpt het lijdensverhaal van Jezus mij aan. Het is als bidden, terwijl ik bij god de tekst van het onze Vader niet meer zou weten. Maar het ‘Erbarme dich’ van Johann Sebastian Bach hakt er elk jaar diep in. Je kan de Mätthäuspassion nu ook digitaal beluisteren, maar daar is weinig aan. Tekst en muziek moeten als een warm bad over ons heenkomen, in een kerk of in het concertgebouw. Als stervelingen onder elkaar.


Het is mooi dat de wetenschap het overgenomen heeft van de politiek. Ik heb meer vertrouwen in Marc Van Ranst dan in Jan Jambon. Onze nationale viroloog objectiveert de ellende zonder politieke strik. Zijn analyses zijn op zichzelf een appel tot samenhorigheid. Maar troost kan ook Van Ranst niet bieden, daarvoor moeten we beroep doen op de kunsten, op muziek en literatuur.


De uitvoering van de Mätthäuspassion is een hoogtepunt van troost. Het wordt ons dit jaar ontzegd, want ook kerken ontsnappen niet aan het samenscholingsverbod. Naarmate de crisis langer duurt, komen steeds meer mensen in geestelijke nood. Nog is de angst voor het sterven overheersend, maar de burgers zijn ook op zoek naar geestelijke balsem. Naar de zachte kracht van introspectie op een bedje van muziek en literatuur.


Misschien wel naar een wiegenliedje.


Wetenschap en kunst in elkaars verlengde – het zou een andere wereld zijn. Los van demagogie en populisten, ver van partijpolitiek opbod. Bezielde technocratie kan ook wervend zijn. Doe daar nog een streep Bach bovenop en we leven in de beste der werelden. Voor alle zekerheid: dit is geen elitaire koketterie, David Bowie en Adele mogen ook. En Chet Baker.


De Mätthäuspassion gaat over de dood, maar is toch hoopgevend. Naast de schoonheid van de muziek kan het slachtoffers van het coronavirus tot een instrumentele moraal brengen. Kunst als geheim wapen. Het is het enige krachtige antwoord op een heidense werdegang. De enige zin van het zinloze.


De Morgen





Wim Derave


Professor aan de Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen,

vakgroep Bewegings- en Sportwetenschappen van de Universiteit Gent.


De Morgen



Brief aan alle Belgen: ‘Laat me de verwarring wegnemen: er komt een drama op ons af’


Ik begrijp dat veel mensen verward zijn door de coronacrisis. Toegegeven, het is niet makkelijk te begrijpen: een onzichtbaar virus dat alleen kan bestreden worden op het moment dat het nog niet echt heeft toegeslagen. Laat me die verwarring wegnemen: er komt een drama op ons af. Als we de huidige maatregelen strikt opvolgen, dan zal het hels zijn, maar misschien nog niet catastrofaal. 


Maar dit weekend ging het al mis. Dus het zal wel catastrofaal worden. We lopen met open ogen in de afgrond, uit eigenbelang.


JE-M’EN-FOUTISME

Er is geen tijd meer om lacherig te doen over de adviezen, het er nog eens goed van te pakken en een lockdownparty te organiseren. De maatregelen die donderdag aangekondigd waren, moesten eigenlijk woensdag al zijn ingegaan. Om het organisatorisch haalbaar te maken, liet de regering ze pas ingaan in de nacht van vrijdag op zaterdag; niét om de mensen nog één avond te kunnen laten genieten van gezelligheid met vrienden op café of restaurant.


Begrijp me niet verkeerd. Ik heb zeer veel begrip voor het leed van de restaurant- en café-uitbaters, de organisatoren van alle ontelbare events die gecanceld moeten worden en die zullen geconfronteerd worden met (bijna) faillissementen van organisaties, zelfstandigen en bedrijven. Maar de ‘reçette’ van één vrijdagavond gaat hierin geen soelaas bieden. 


Zelfs een mooie opbrengst op vrijdagavond verdwijnt in het niet bij de verliezen die gepaard gaan met één dag later in ‘social distancing’ gaan. Dat ene etentje maakte dus wél uit. Binnen drie weken gaan we ons dit laatste bacchanaal serieus beklagen.


Het maakt me verdrietig. We zijn een eigenwijs en tegendraads volk. Je m’en fous, zeggen we. Veel te veel gesteld op onze individuele verlangens om deze epidemie de baas te kunnen. Ons individualisme gaat ons de das om doen. De enige landen (zoals Japan, Hongkong en Singapore) die er tot nu toe in geslaagd zijn om de epidemie in bedwang te houden, die ‘#FlattenTheCurve’ echt hebben gerealiseerd, zijn landen 1) die getraind zijn in epidemieën (SARS, vogelgriep, etc), 2) die snel reagerende overheden hebben die drastisch kunnen en durven ingrijpen, en 3) wiens bevolking grote burgerzin en veel discipline heeft, en die het collectief boven het individu plaatsen. In België hebben we geen van die drie. Aan de eerste twee kunnen we zelf weinig doen, maar dat derde, dat hebben we aan onszelf te danken.


RED EENS EEN LEVEN

Dit is een historische kans. We kunnen nu echt iets betekenen voor elkaar en voor het land. Ieder van ons kan nu een leven redden door zich verantwoord te gedragen, door het collectief boven het individu te plaatsen.


Onze taak is duidelijk. De besmettingsgraad voor dit fel onderschatte virus is 2 à 3. Dit betekent dat elke besmette persoon gemiddeld 2 à 3 andere mensen besmet. Dit lijkt mee te vallen, denk je, maar dat is niet zo. Want als je twee andere mensen besmet, dan besmetten zij elk ook twee andere mensen (dus 4 in totaal), en zij op hun beurt (8) en hun beurt (16), en als je dit 10 keer herhaalt, heb je in je eentje meer dan 16.000 mensen besmet. 


Dat was het optimistische scenario. Als je elk 3 mensen besmet (en zij doen dat op hun beurt ook), dan heb je na even veel dagen 1,5 miljoen mensen besmet. Aangezien je niet de enige bent die besmettingen doorgeeft, zitten we binnen enkele weken in een situatie waar alle haarden met elkaar versmolten zijn en dat 60 tot 70 procent van alle mensen in Europa besmet is.


We moeten de besmettingsgraad dus onder de 1 brengen! Je moet met zo weinig mogelijk mensen in contact komen, zodat je 1) zelf niet besmet geraakt, of 2) maximum 1 andere mens besmet (maar liefst geen enkele) als dat wel zo is. Aangezien de meeste mensen niet alleen wonen, en aangezien het bijna onmogelijk is om je huisgenoten (partner, kinderen) niet te besmetten als je zelf besmet bent, is dat tweede in de praktijk bijna onmogelijk. Dus enkel het eerste is haalbaar: zorgen dat je niet besmet raakt. 


Aangezien we niet weten wie er besmet is en wie niet (de labo’s kunnen zo veel analyses niet aan), moet je ervan uitgaan dat iedereen potentieel besmet is. Dat is het venijnige aan dit beestje: je weet pas een week later dat je al een week eerder besmet was, dus het staat bij niemand op het voorhoofd af te lezen. Binnen enkele weken wordt de kans vrij groot dat de mensen voor en achter je in de rij bij de bakker besmet zijn. Momenteel zijn er zogezegd maar ruim 500 mensen besmet in België, maar dat aantal ligt in realiteit 10 tot 15 keer hoger (wetenschappers zijn het eens over die aantallen), dus 5.000 à 10.000 vandaag in België, maar dat is over een paar dagen een veelvoud hiervan.


De opdracht is duidelijk: isoleer jezelf met je huispartners. Beperk contact met anderen tot het strikt noodzakelijke (bv. voeding inkopen), en hou in dat geval afstand van elkaar en volg de regels van handhygiëne etc. Vrienden bezoeken behoort niet tot de opties. Het leed van de genomen maatregelen is zeer groot (bv de financiële verliezen in de horeca, de reissector, de culturele sector etc), maar het wordt nog veel zuurder voor iedereen als die maatregelen zinloos worden gemaakt, door toch nog af te spreken met vrienden en de feestjes voortaan thuis te organiseren (in plaats van op café of restaurant).


HAMSTERS EN EEKHOORNS

Veel mensen ergeren zich aan andere mensen die hamsteren. Ik begrijp die ergernis, maar ik begrijp ook de hamsteraars. Eigenlijk doen hamsteraars weinig fout. Het is een natuurlijke reactie (hamsters en eekhoorns doen het ook), het is ook des mensen. Het is niet zo gek om te denken dat er een probleem kan komen als de drie bakkers in je buurt binnen enkele weken alledrie tegelijk ziek in bed liggen met Covid-19. Hamstergedrag raad ik af, want het is vervelend, maar het is niet gevaarlijk. Lockdownfeestjes en homeparty's zijn wel extreem gevaarlijk. Dat is regelrecht egoïsme.


(Trouwens, de echte asociale hamsteraars zitten op de beurs. Die brokers verkopen massaal hun aandelen bij het begin van een crisis (wat de crash verder uitlokt) en kopen dan doodleuk terug in als de put bereikt is, en het bloedbad voltrokken is. Zij maken winst in volle miserie. Gewone mensen hamsteren wc-papier voor cash; brokers hamsteren cash voor waardepapier (aandelen), en ze hebben dat geld helemaal niet nodig.)


FRONTLINIE 

De oorlog van de komende weken en maanden zal in de ziekenhuizen worden gestreden. Dat wordt het slagveld, en het zal niet mooi zijn. De frontsoldaten zijn de verplegers en verpleegsters, dokters en alle helden in de zorg. De meeste andere mensen zullen wel merken dat het oorlog is, maar zullen de vijand niet recht in de ogen kijken. Ze zullen de maatregelen wel voelen, maar de eigenlijke gevechten alleen op tv zien. Tenzij je zelf een zieke (groot)vader of (groot)moeder naar het ziekenhuis moet brengen en daar te horen krijgen dat hij/zij te oud is om nog verzorgd te worden en je best terug naar huis keert om hem/haar daar te laten sterven. Dat is pure horror, en ik hoop dat je daarvan gespaard blijft.


De frontsoldaten zullen daar niet van gespaard blijven. Ze zullen hartverscheurende keuzes moeten maken, omdat ze niet iedereen kunnen helpen die hulp nodig heeft. In Italië sterven momenteel veel meer mensen dan eigenlijk zou moeten voor het virus. Voor elke vier coronasterfgevallen hadden er drie vermeden kunnen worden als er genoeg bedden, verzorgers en vooral beademingstoestellen waren geweest.


De frontsoldaten riskeren hun leven, want de beschermende kledij en maskers gaan ooit op zijn en onvoldoende kunnen aangevuld worden. Binnen enkele weken is de epidemie overal tegelijk ontploft en is er een wereldwijde schaarste op beschermende kledij, mondmaskers etc.


Volgens de berekeningen van de experts gaan onze eigen klinieken onvoldoende capaciteit hebben om deze epidemie te doorstaan. Zelfs in een optimistisch scenario, waarbij slechts 30 in plaats van 60 procent van de Belgische bevolking geïnfecteerd zal geraken (op voorwaarde dus dat niemand nog home party's houdt en vrienden bezoekt vanaf nu), zullen 150.000 Belgen moeten gehospitaliseerd worden, waarvan 30.000 in de intensieve zorgen en aan de beademing. We hebben niet eens een fractie van die capaciteit ter beschikking! Ze mogen absoluut niet allemaal tegelijk komen, we moeten de epidemie vertragen. Een deel van die 30.000 zullen we kunnen redden, de rest zal dus sterven. In Italië is dit dus momenteel één op de vier die kan gered worden, en zij zitten al op de knieën en ze zitten nog niet eens op de piek van de epidemie! 


Het voelt vreemd om deze zinnen op te schrijven. Het lijkt alsof wij dit niet kunnen meemaken, dat het niet past in ons wereldbeeld, dat zachter is en minder rauw. Maar naar alle waarschijnlijkheid zal het toch gebeuren. Ik vind allerminst genoegen in het bang maken van mensen, maar zo lang veel mensen de ernst nog steeds niet vatten, moeten we expliciet zijn.


We kunnen twee dingen doen. Het eerste is extra capaciteit creëren. Dat is wat de ziekenhuizen nu doen (vandaar dat je gisteren en vandaag bij alle ziekenhuizen hoort dat ambulante consultaties geannuleerd worden, en niet-dringende ingrepen uitgesteld worden). Maar dat blijft volstrekt onvoldoende. Dus hangen we af van de tweede strategie, de discipline van de bevolking om de epidemie minder snel te laten stijgen. Flatten the curve, dus. We slagen hier op dit moment niet in. We zitten nog redelijk in het begin, maar we volgen momenteel het groepje Europese landen die Italië achterna gaan. Niks geen ‘flattening the curve’ zoals in Japan, Hongkong en Singapore. Maar ook niet zo dramatisch als in de VS. 


Wie de komende weken de pech heeft om ernstig ziek te worden, zal afhankelijk zijn van de moed, zelfopoffering en onbaatzuchtigheid van de helden van de zorg. Zij gaan pauzes overslaan, dubbele shiften draaien, oververmoeid verderwerken, het werk van hun door corona gevelde collega ook nog erbij nemen, en dit weken, zelfs maanden aan een stuk. Mijn schoonzus, Gaella Labarque, zal als verpleegster werken op een corona-afdeling. Ik krijg tranen in mijn ogen bij de gedachte.


In een normale oorlog hangt de ernst van het gevecht niet af van de discipline van je eigen achterhoede. Nu wel. Hoe meer wij ons nu gedragen, hoe minder de kans dat onze frontsoldaten binnen enkele weken door de knieën gaan.


Doe het voor Gaella, en voor alle frontsoldaten: “Flatten the curve, and spread the word!”



De Morgen





Vlexit


Het echte einddoel van N-VA is duidelijk.


De Morgen



Slechts een kleine minderheid van de Belgen wil het land uit elkaar zien vallen.

Toch wordt dat toekomstscenario almaar reëler, redeneert hoofdredacteur Bart Eeckhout.


In het portret dat De Tijd vorige week schetste van minister-president Jan Jambon (N-VA) ging veruit de meeste aandacht naar de onwaarheid over asielzoekers die zoveel kindergeld zouden cumuleren dat ze zich er een huis mee kunnen aanschaffen. Jambons stelling dat het Vlaams Parlement een nieuwe staatshervorming moet gaan voorbereiden, kreeg minder aandacht. Op langere termijn zou die uitspraak nochtans weleens belangrijker kunnen blijken te zijn.


“De kaarten liggen stilaan goed om onze ultieme vraag naar confederalisme op tafel te leggen”, klinkt het opgetogen. Er is enige haast mee gemoeid, vervolgt Jambon, want misschien volgen er vervroegde federale verkiezingen en worden bij die gelegenheid cruciale grondwetsartikelen opengesteld.


Want, zo luidt de redenering, het vastlopen van de regeringsonderhandelingen bewijst toch dat het land niet meer functioneert? Hoe langer de situatie aansleept, hoe meer mensen ervan overtuigd raken dat het helemaal anders moet. Enter confederalisme.


Uit de verklaring van Jambon vallen interessante besluiten te trekken.


N-VA is niet alleen medeverantwoordelijk voor de aanslepende blokkering van de federale regeringsvorming, die blokkage wordt ook bewust ingezet om het eigen politieke doel te bereiken. De riskante uitweg van vervroegde verkiezingen maakt volwaardig deel uit van de N-VA-strategie.


VERHELDEREND

Zoveel openheid is verhelderend. Voor het eerst geeft een N-VA-kopman toe dat zijn partij niet echt meer is geïnteresseerd in federale regeringsdeelname, maar enkel in het ‘goed leggen’ van de kaarten voor confederalisme. De formatie moet met andere woorden zo lang mogelijk duren, zodat mensen er een afkeer van krijgen. Dan zullen ze bereid zijn om de gok van een ommekeer te wagen, in 2024 of vroeger.


Je zou die strategie cynisch kunnen noemen: partij veroorzaakt mee blokkering, mensen raken blokkering moe en worden zo vatbaar voor het aanbod van de blokkerende partij. Het belangrijkste is: de strategie werkt.


Dat het Belgische bestuursmodel ‘op’ is, is een gedachte die je niet alleen meer uit Vlaams-nationalistische monden hoort ontsnappen. “Er is iets grondig mis met de bestuurskracht van ons federaal systeem. (…) Vroeg of laat loopt het volledig fout”, stelde politicoloog Carl Devos enkele weken geleden nog in De zevende dag. De professor bedoelde het niet noodzakelijk zo, maar de woorden werden op algemeen gejuich onthaald bij de N-VA-achterban. Zo sijpelt de gedachte stilaan door dat we dat confederalisme desnoods maar eens moeten proberen.


De N-VA is erin geslaagd in relatief korte tijd de idee dat België niet meer werkt als een dogma te verankeren in vele hoofden. Een mens durft het bijna niet meer hardop te zeggen, maar die idee klopt niet echt.


TOXISCH

En die hoge staatsschuld dan – symbool van de Belgische ziekte? Die is er niet gekomen door decennia van wanbeleid, zo stipte de Gentse politicoloog Ferdi De Ville onlangs aan, maar doordat België tekorten maakte op één welbepaald en slecht getimed moment, toen daar veel rente op moest worden betaald (begin jaren 1980). Van die ene, korte, duistere periode is de hoge staatsschuld (die toen in vijf jaar tijd met liefst 40 procentpunten steeg) de blijvende erfenis. Ze was deze eeuw mogelijk weer onder controle gebracht, mocht de crisis van 2008 niet alle inspanningen hebben uitgewist. Met structureel ‘malgoverno’ heeft dat allemaal niet veel te maken.


Bij de laatste grote test – de financieel-economische crisis van 2008 – bleek België juist prima te werken. De zogenaamde automatische stabilisatoren die vervat zitten in onze sociale zekerheid dempten de ergste schokken. Terwijl de rest van Europa kapseisde, voer de Belgische welvaartsstaat relatief ongeschonden door de storm. Toegegeven: juist die aspecten van onze verzorgingsstaat remmen ook snelle hervormingen van de arbeidsmarkt af. Nu de sociale zekerheid haar 75ste verjaardag heeft gevierd, zou je een nuttig debat kunnen voeren over wat verkieslijk is: wel stabilisatoren of niet, maar dan zonder het toxische ‘Belgium isn’t working’-gedaas.


Over dat befaamde confederalisme willen we graag toch even opmerken dat er op dit moment geen enkel land ter wereld is dat een confederaal bestuur kent. Geen enkel. Nul. Servië-Montenegro was de laatste confederatie die we gekend hebben, en die landen laten goed zien wat confederalisme altijd is: een tussenfase. Ofwel naar (her)federalisering, zoals in Duitsland. Ofwel naar splitsing.


‘GET BREXIT DONE’

Het is dan ook vrij duidelijk wat het echte einddoel van de N-VA is: een ‘vlexit’, een ontsnapping van Vlaanderen uit België. Het confederalisme zet de deur onvermijdelijk open naar separatisme.


Professor en oud-politicus Frank Vandenbroucke vergeleek het N-VA-confederalisme vorig jaar in een opiniestuk in deze krant bijzonder treffend met de brexit. Net als de brexit in Groot-Brittannië wordt het confederalisme ons verkocht als een passe-partout voor alle bestuurlijke problemen, en net als bij de brexit zal de werkelijkheid veel morsiger, complexer en riskanter zijn.


Net als bij de brexit moet ook een confederale ‘vlexit’ immers onderhandeld worden, met een tegenpartij die eigen belangen te verdedigen heeft. Denken we werkelijk dat Franstalig België zichzelf vrijwillig naar het bankroet zal laten leiden bij de verdeling van de staatsschuld? En net als bij de brexit heeft ook het confederalisme zijn eigen ‘backstop’: Brussel. De N-VA-bollebozen weten zich er geen raad mee. Wat moet een bedrijf in Brussel straks doen? Twee arbeidsmarkten, met bijvoorbeeld eigen loon- en ontslagregelingen, integreren in zijn personeelsbeleid? Ja, dat gaat de zaken nogal efficiënt maken…


Toch is er een deel van de vergelijking met de brexit die Frank Vandenbroucke uit het oog verliest. Alle tegenargumenten ten spijt, komt die brexit er dus wel. Met zijn vele bedoelde en onbedoelde woordvoerders heeft het ‘België werkt niet’-narratief dezelfde potentiële verleidingskracht als ‘get brexit done’ van Boris Johnson. En net als in het Verenigd Koninkrijk schrikken andere partijen terug om een even krachtig alternatief te laten horen.


Wie er de Vlaming over ondervraagt, verwacht geen meerderheid voor de wens om het land (gedeeltelijk) te splitsen. Maar toen David Cameron van het idee beviel om een referendum te houden over het Britse EU-lidmaatschap, had hij ook niet gedacht dat hij zou verliezen. 


De Morgen





En plots was het land onbestuurbaar


Of juist niet?


Apache



Het hoge woord is eruit. België is onbestuurbaar. ‘Rien ne va plus’.

Er moet een grondige staatshervorming komen of anders dreigt de grote Kladderadatsch …

En wat als de zaken nu eens een pak eenvoudiger waren?

België kan perfect bestuurd worden, maar het zal een pak socialer moeten en een pak eerlijker.

Alleen wint de N-VA daar geen verkiezingen mee.


De manier waarop de koninklijke opdracht van Koen Geens tot een einde is gekomen, lijkt spectaculair en ongezien. Maar is dat wel zo? Geloofde er iemand aan de onderhandelingstafel écht dat er een regering kon worden gevormd met N-VA en PS? Alleen wie ziende blind was en potdoof had de voorbije maanden de wederzijdse veto’s niet opgemerkt. Bart De Wever is maar al te blij dat het zijn nemesis Paul Magnette is die de stekker er heeft uitgetrokken. Dan kan hij – tijdelijk – in de rol kruipen die hem het beste ligt: die van Calimero.


Het riedeltje is tot op de draad versleten. België telt twee democratieën. De ene wil een rechts beleid en de andere een links. De wil van de Vlaamse en Franstalige kiezer kan dus alleen maar gerespecteerd worden als de twee landsdelen over een zo groot mogelijke autonomie beschikken. Dan kan Vlaanderen à volonté de werkloosheidsuitkering in de tijd beperken en de belastingen verlagen, en kan Wallonië een vermogensbelasting invoeren en banen scheppen vanuit de overheid.


Alsof het allemaal zo simpel en zo karikaturaal zou zijn. Het frame van Bart De Wever staat schots en scheef en wie de zaken een beetje vanop afstand of vanuit een andere hoek bekijkt, ziet dat er van zijn uitleg niets klopt.


Europese druk

De nieuwe plannen van de Europese Commissie doen verwachten dat België

of het nu bestuurd wordt door de N-VA of door de PS